Ook al vrij wat jaren en tamelijk algemeen worden reeds de champignons:

Psallióta campéstris en arvénsis (fig. 17 en 18) No. 263 en 264, door

vrouwtjes die ze op de weilanden zoeken, aan de huizen verkocht. Dit

is vooral het geval in "Kennemerland" en ook veel in Z.-Limburg. Ook

de dooierzwam: Cantharéllus cibárius (fig. 19) No. 206, de paddenstoel

onzer bosschen, wordt al aan de huizen verkocht. Wij zijn zoo gelukkig,

door de vriendelijkheid van de Ned. Mycol. Vereen., die ons haar

clichés daarvoor afstond, onzen lezers gekleurde afbeeldingen van

eenige smakelijk eetbare paddenstoelen die in ons land algemeen

voorkomen, te kunnen geven en wij hopen hiermee te bereiken, dat

binnen enkele jaren eenige soorten in ons land meer algemeen benut

zullen worden als spijze.

Onder al de in 't wild groeiende, in weilanden en bosschen van ons

land te vinden eetbare paddenstoelen is en blijft de champignon:

Psallióta campéstris (fig. 17 en 18) en arvénsis, toch maar de

smakelijkste van allemaal.

Jammer genoeg, dat zij volstrekt niet zoo algemeen is, evenals dat

al het geval scheen te zijn, zooals wij zagen, ten tijde van Paus

Clemens VII, die zijn onderdanen het zoeken er van verbood.

Het meeste komen ze voor op eenigszins vochtige weilanden, waar paarden

grazen, evenals ze ook kunstmatig gekweekt worden op paardenmest

(zie blz. 134).

Echter van de 50 weilanden van ons land, is er misschien één enkel,

waar champignons op voorkomen en die worden dan nog afgezocht door

lieden die ze tegen een hoogen prijs verkoopen, zoodat er voor den

liefhebber die, ze zelf wil verzamelen, al heel weinig onafgezochte

terreinen overblijven. Hen, die met onze plaat en de beschrijvingen

op blz. 312 dezen paddenstoel willen gaan zoeken, wijzen wij nog

eens op het gevaar tot verwisseling met den Groenen Knolamaniet,

Amaníta phalloídes, No. 24, fig. 16 (zie ook nog blz. 85). Deze

verwisseling is vooral dáár mogelijk, waar beide soorten naast elkaar

voorkomen. In weilanden, waar Am. phal. een zeldzame gast is, en waar

de veld-champignon, Psall. camp., met haar eerst rose, dan zwarte

plaatjes voor nauwkeurige zoekers, een duidelijk verschil aangeeft,

is dit gevaar niet zoo groot, doch grooter is dit in de bosschen, waar

Psall. camp. weinig voorkomt doch de akker-champignon Psall. arvénsis,

No. 264 (Plaat 2, fig. VII) volstrekt niet zeldzaam is. Deze heeft

geen rose plaatjes, eerst wit of grijswit en daarna zwart, zoodat in

jeugdigen staat in de plaatjes geen onderscheid te zien is tusschen

dezen champignon en een jeugdigen "Knolamaniet". Het is ons verleden

jaar nog overkomen dat in een dennenbosch dezen akker-champignon bij

massa's plukkende en bezig zijnde een jong exemplaar uit den grond te

halen, welke òp en top op een jeugdigen champignon geleek, we door

den onaangenamen reuk welken de Groene Knolamaniet, in vergelijking

met den geur dien de champignon verspreidt, gewaarschuwd werden,

dat we deze soort te pakken hadden. Wij waren hier werkelijk zóó

van geschrokken dat we, ofschoon al 10 jaren champignons zoekende,

ze vooreerst in de bosschen niet meer gingen verzamelen.

Het treurige vergiftigingsgeval in Den Haag van voor eenige jaren,

berustte op dezelfde vergissing. Een kenner zocht met zijn kinderen

champignons, en het schijnt dat deze hierbij slechts één enkelen

Groenen Knolamaniet met de champignons verzameld hadden. Late toch

ook niemand het zoeken van eetbare paddenstoelen aan kinderen over,

en men doe wel, vóór 't bereiden alle exemplaren nog eens zelve door

zijn handen te laten gaan.

Ten overvloede geven wij nog eens de voornaamste kenmerkende

verschillen van den champignon met de op haar gelijkende

doodelijk-giftige soorten: Men verzamele geen exemplaren die kleiner

hoedoppervlakte hebben dan 3 cM.; (men grave den paddenstoel goed uit

voor den zak van Am. phall.), men neme geen soorten wier plaatjes

bij volwassen exemplaren zuiver wit zijn (Psall. camp. heeft die

rose of zwart, Psall. arv. grijs-wit of zwart). Ook geen exemplaren

wier plaatjes rose zijn en die geen ring om den steel hebben en wier

hoedoppervlakte kleverig is (Volváriasoorten No. 259). De geur moet

zijn aangenaam nootachtig, niet van rauwe aardappelen.

Als ons dus de champignon ontvalt, doordat hij lang niet algemeen

voorkomt en bovendien, altijd voor niet-kenners, gevaarlijk blijft,

zoo moeten we onze toevlucht voor eet-paddenstoelen nemen tot een

meer algemeene en ongevaarlijke soort.

Wij vinden die ongetwijfeld in de in fig. 19 afgebeelde soort:

de Cantharéllus cibárius, dooierzwam of hanekam No. 206. Vroeger

werd weliswaar de tusschen deze soort groeiende meer oranjegekleurde

"valsche dooierzwam" Cantharéllus aurantiácus No. 207 voor schadelijk

gehouden, doch men is daarvan teruggekomen en bovendien met behulp

van onze beschrijving van deze soort (zie blz. 270) is deze zeer

gemakkelijk van de echte eierzwam te onderscheiden. Vooral de lezers

die in het O. en Z. van ons land wonen, kunnen nu, met de gekleurde

plaat voor oogen, dezen paddenstoel van af Juni tot den winter

verzamelen en er aan smullen.

Den paddenstoel in fig. 25 afgebeeld, kunnen wij ook met een gerust

geweten ter toebereiding aan onze lezers aanbevelen, het is de

Weide-kringzwam, Marásmius oréades No. 211, die in ons land algemeen

in weilanden, parken en tuinen en langs wegen voorkomt, meestal in

dichte kringen bijééngroeiend (fig. 22.) Vooral de jonge exemplaren

zijn bijzonder smakelijk en deze paddenstoel heeft geen gevaarlijken

dubbelganger (zie de beschrijving bij No. 210 en 211).

Niet minder smakelijk zijn de Bolétus-soorten, afgebeeld in fig. 21

en fig. 26. Vooral Bolétus edúlis No. 97, het Eekhoorntjesbrood,

de cèpe der Franschen, de "Herrenpilz" der Duitschers, behoort tot

één der gezochtste eet-paddenstoelen in die landen. Hij is in onze

loofbosschen, langs wegen enz., vrij algemeen van zomer tot winter

te vinden (zie ook Bol. félleus No. 98). Ook de andere, eveneens in

onze bosschen voorkomende soort: Bolétus lúteus of de Gele ringboleet,

fig. 26, No. 103 is, vooral jong, een lekkernij.

Reeds gezegd is, dat alle Bolétus-soorten die niet blauw aanloopen,

ongevaarlijk en (behalve Bol. félleus) voor de consumptie geschikt

zijn, doch lang niet alle soorten, die overal in den herfst onze

dennenbosschen zoo bij massa's bevolken, zijn smakelijk. Wel is dit

het geval met de in de duinstreken, ook onder eiken veel te vinden

Bol. granulátus (fig. 55 No. 102).

Fig. 28 geeft in de Fopzwam of Laccária laccáta No. 197 en 198

een eetbare zwam, die wel geen gevaarlijke dubbelgangster heeft,

maar die naar onze meening, den eersten prijs van smakelijkheid

niet verkrijgt. Echter, smaken verschillen en daar zij een van de

algemeenst voorkomende paddenstoelen in bosch en veld is, kan een

ieder het eens probeeren.

Beter voldoet, vooral in jong stadium, Clitócybe nebuláris No. 43,

fig. 27, de Nevelzwam, een in den herfst zeer algemeen voorkomende

op eikenbladeren en meestal in kringen groeiende zwam.

Deze laatste schijnt wel een, ofschoon zeldzaam bij ons voorkomende

dubbelgangster te hebben, die tot de verdachte soorten gerekend wordt,

n.l. Entolóma lívidum (niet in onze lijst opgenomen). Wil men dus de

"Nevelzwam", die èn om haar veelvuldig voorkomen in ons land, èn om

haar smakelijkheid, wel verdient een eet-zwam te worden, gebruiken,

zoo zende men ons eerst eenige exemplaren ter controleering op. Wij

zijn ten alle tijde bereid adviezen omtrent paddenstoelen, hetzij voor

't eten of ter bepaling van den naam te geven.

Behalve de reeds opgenoemde goed eetbare zwammen waarvan wij gekleurde

afbeeldingen geven, kan ik niet nalaten nog eenige zeer smakelijke

soorten in de eet-belangstelling van de lezers aan te bevelen,

soorten die met de plaatjes gemakkelijk te herkennen zijn en welke

wederom geen gevaarlijke dubbelgangsters hebben.

Het zijn: Lepióta procéra (fig. 23 en 85), No. 193; Lepióta rhacódes

(fig. 24 en 86) No. 194; Coprínus comátus (fig. 114) No. 266 en

Coprínus atramentárius 267; Lycopérdon bovísta (jong) (fig. 116)

No. 271; Fistulína hepática (fig. 79) No. 170; Collýbia velútipes

(in de wintermaanden) (fig. 61) No. 117; Tricholóma gambósum (in 't

voorjaar) No. 26; Tricholóma núdum No. 29; Clitócybe fláccida No. 40;

Helvélla críspa en lacunósa (fig. 40 en 41) No. 10 en 11.

Mochten bovenstaande regelen er het hunne toe bijdragen, dat

er voortaan in ons land niet elk jaar zoovele paddenstoelen

ongebruikt verrotten; toch zij hier een ieder nogmaals tot groote

voorzichtigheid aangemaand en leze men altijd het hoofdstuk over

vergiftige paddenstoelen en de beschrijvingen bij de diverse soorten

nog eens goed over, alvorens men ze gaat toebereiden. Bij twijfel

gebruike men ze liever niet.

Het allerbeste zou zijn (en dit gebeuren behoort tot een mijner

illusies), dat ook in ons land in den herfst, bij de groentenmarkten

een afdeeling voor de paddenstoelen worde toegevoegd, welke onder

controle van een deskundige moet staan.

Wel zou dan misschien in ons kleine landje de voorraad onzer bosschen

eens spoedig uitgeput kunnen raken, maar wellicht zal er voor dien

tijd dan weer een goede methode gevonden zijn om ze in 't groot te

kweeken (zie blz. 33).

Aardige boeken met gekleurde platen om de eetbare en giftige

paddenstoelen te leeren onderscheiden, zijn:

Paul Dumée, "Nouvel Atlas de Poche des Champignons comestibles et

vénéneux".

M. J. Costantin, "Atlas des Champignons comestibles et vénéneux".

G. F. Atkinson, "Mushrooms-Edible, Poisonous etc."

DE VOEDINGSWAARDE VAN DE PADDENSTOELEN.

Wanneer ik met de menschen over de paddenstoelen als voedsel spreek,

dan krijg ik geregeld te hooren: "ze bestaan immers voor 90% uit water,

hoe kunnen ze nu als voedsel eenige waarde hebben!"

Ik begin dan altijd met ze te vragen, of ze wel weten dat "vleesch" en

eieren ook eventjes voor 80% uit water bestaan en dan doe ik natuurlijk

het bekende verhaal van de Polen, die, door hongersnood gedreven,

er toe kwamen gedurende eenigen tijd uitsluitend van paddenstoelen

te leven en er sinds dien tijd groote liefhebbers van gebleven zijn.

Maar ook zonder hongersnoodtijd zijn er heel wat menschen in Rusland,

Frankrijk, Duitschland, Japan en Indië, die in den herfst en in andere

paddenstoelrijke tijden, vnl. van paddenstoelen leven.

Het verhaal gaat van een bergbewoner in Thüringen, die op 100-jarigen

leeftijd stierf en die zich de laatste 30 jaren uitsluitend met

paddenstoelen gevoed had.

Een fransch mycoloog leefde gedurende eenigen tijd alleen van

een portie paddenstoelen van 3 ons per dag en hij bevond er zich

uitstekend bij.

De groote "Persoon" vertelt in zijn "Traité sur les champignons",

van een professor in de Botanie uit Leipzig, die, op een botanische

reis in de omstreken van Neurenberg, zich gedurende vele weken op

voorbeeld van de bevolking aldaar, alleen voedde met, door anijs en

karwij gekruid, zwart-brood en met rauwe paddenstoelen. In plaats

van door deze manier van voeden te verzwakken, voelde hij er zich in

tegendeel krachtiger door worden.

En zóó zou ik nog vele verhalen kunnen doen; zóó o.a., vertelt

de Russische Professor Socoloff (1873), dat een groot gedeelte

van de bevolking uit zijn landstreek zich gedurende de vasten met

paddenstoelen voedde. Hij ook zegt er bij, dat naar zijn meening

de paddenstoelen het dierlijk voedsel zeer nabij komen en zeer goed

kunnen vervangen.

Men werpt mij, als ik over "paddenstoelen als voedsel" spreek, niet

alleen hun groot watergehalte, maar ook de "onverteerbaarheid" voor

de voeten.

Zelfs mijn collega's "mycophagen" hebben mij soms verzekerd, dat je er

's nachts zoo geweldig zwaar van slaapt en droomt.

Ik voor mij, geloof dat dit meer ligt aan het niet maat kennen van

mijn collega's of het niet goed toebereiden, want al 7 jaar lang heb

ik ze gegeten, zonder ooit last van die onverteerbaarheid te hebben

gehad. (Zie over de boleten ook blz. 67).

Laat ik nu echter eens vertellen, welke voedende stoffen de

paddenstoelen wel bevatten.

Er zijn in de laatste 50 jaren al heel wat onderzoekingen over de

scheikundige stoffen der paddenstoelen gedaan. Deze zijn vnl. van:

Loesecke (1876), Kohlrausch (1867), König (1903), Margewicz (1890),

Strohmer, Zega (1902), Lafayette en Mendel. Volgens Dr. Julius Zellner,

wiens onderzoekingen over de scheikundige stoffen der paddenstoelen

wel een der nieuwste zijn en aan wiens boek "Chemie der Höheren Pilze"

(1907) ik de volgende gegevens ontleen, hebben deze heeren allen, de

voedingswaarde, die er in de paddenstoelen zit, sterk overdreven. Zij

gaven een groot stikstofgehalte op, terwijl volgens Dr. Zellner de

voedende stof, de z.g.n. proteïnstof, het verteerbare eiwit, slechts

zeer gering is en lang geen 6 1/2% bedraagt, zooals zij opgeven.

De scheikundige bestanddeelen van de paddenstoelen staan in nauw

verband met het substraat, waar zij op voorkomen. Zoo zullen die van

de op de aarde of humus levende soorten, weer anders zijn dan die der

boomzwammen. Toch gaan de stoffen van het substraat niet onverwerkt

in het zwammenlichaam over, maar worden door assimilatieprocessen in

andere verbindingen omgezet.

De paddenstoelen zijn, als alle levende wezens, opgebouwd uit

water, anorganische (minerale) stoffen, vetten, koolhydraten en

stikstofverbindingen (eiwit).

Het watergehalte wisselt natuurlijk zeer af naarmate de exemplaren jong

of oud zijn, naar den vochtigheidstoestand van grond en lucht, en is

ook bij de onderlinge soorten zeer verschillend. Gemiddeld bevatten

volwassen, versche paddenstoelen 90% water. Een der waterrijkste

soorten is wel Coprínus comátus (94%). Psallióta arvénsis bevat er

slechts 56% van. Truffels en boomzwammen gemiddeld 65-80%. Over het

algemeen schijnt het watergehalte in de stelen grooter te zijn dan

in de hoeden.

Om de scheikundige stoffen te onderzoeken, die den paddenstoelen

eigen zijn, maakt men gebruik van de zoogenaamde asch-analyses. Het

aschgehalte van de paddenstoelen bedraagt bij versch materiaal

0.48-2%, bij droog meest 4-10%. De grootste helft bestaat hiervan uit

kaliumverbindingen, vnl. potasch (K2O) voor 19-57% en voor 18-39% uit

phoshorzuur (P2O5), verder een weinig, 4%, natrium en zeer geringe

hoeveelheden ijzer, (vrij veel bij Merúlius lácrymans) magnesium,

kalk, zwavelzuur, kiezelzuur en chloor.

Het vetgehalte der paddenstoelen wisselt bij versche exemplaren van

0.12% (Fistúlina hepática) tot 67% (Lactárius deliciósus), bij droge

van 1.3-8%, een gehalte zooals meest alle groenten hebben.

De, in het eiwit van kippeneieren en in visch voorkomende, zoo

zenuwsterkende stof, het Lecithin, een phosphorzure vetverbinding,

wordt ook vrij algemeen in de paddenstoelen aangetroffen. Psallióta

campéstris schijnt hiervan in verschen staat 0.32%, Bolétus edúlis

1.94% te bevatten.

Wat de koolhydraten betreft, zijn ten eerste de cellen van de

paddenstoelen opgebouwd uit een chitinachtige stof fungicellulose

of fungin genaamd, welke 3% van het aschgehalte uitmaakt. Deze

fungi-cellulose wijkt af van de gewone cellulose, waarvan de

planten zijn opgebouwd en is eenig in het plantenrijk. Zij

wordt 't meest gevonden in den steel en 't minst in de sporen

voortbrengende deelen. Hare taaie substantie veroorzaakt een deel

van de onverteerbaarheid der paddenstoelen (stelen zijn daardoor dan

meestal ook voor de consumptie onbruikbaar). Door toevoeging echter

van een weinig dubbelkoolzure natron wordt bij soorten, die een hoog

fungingehalte hebben, de verteerbaarheid van deze fungi-cellulose

bevorderd. Behalve deze in het plantenrijk niet voorkomende stof

schijnen de boleten nog een aparte stof te produceeren in hun cellen,

nl. viskosin en mycétide, die de, bij het koken optredende, bekende

slijmerige massa geven, welke de boleten voor sommige personen tot

een onverteerbaar voedsel maakt. Tot de verteerbare koolhydraten

in de paddenstoelen aanwezig, behoort verder het in alle soorten

voorkomende glycogeen, een aan zetmeel verwante stof, welke wel in

't dierlijk organisme, echter nooit in andere planten voorkomt. Het

echte zetmeel ontbreekt geheel bij zwammen. Vooral in jonge exemplaren

is het glycogeen aanwezig; bij oudere, volwassen soorten is het meestal

vervangen door het manniet, een stof waaraan v.n.l. gedroogde zwammen

en ook de stelen van versche exemplaren zeer rijk zijn.

Verder vond Bourquelot (1893-1896) in wel 200 verschillende

paddenstoelensoorten suikers, vooral een suikerstof threhalose

of mycose geheeten, die nog maar zelden in het plantenrijk is

aangetroffen. Vooral jonge exemplaren en in 't bijzonder de soorten

van het geslacht Cortinárius schijnen aan die threhalose rijk te

zijn. Ook de glucose is algemeen in de zwammen vertegenwoordigd,

echter in geringe mate en slechts bij volwassen exemplaren.

Ten slotte de stikstofverbindingen, het eiwit. De paddenstoelen

bevatten over 't algemeen 2-3% verteerbaar eiwit, wat ze in

voedingswaarde gelijk maakt, b.v. aan kool, iets minder dan brood,

veel minder dan erwten en boonen (de truffel heeft een eiwitgehalte

gelijk aan deze laatste). Het meeste eiwit huist in de sporen

voortbrengende deelen, vooral in de buisjes der boleten, zoodat men

deze vooral zoo min mogelijk weg moet snijden bij de bereiding. Tot

de meest eiwitbevattende eetbare paddenstoelen behooren wel: Psallióta

campéstris en Lycopérdon bovísta.

Hieronder volgt een tabel volgens Villiers, Collin en Lehman ter

vergelijking van de voedingswaarde van versche paddenstoelen met

brood en vleesch:

VERSCHE BROOD. OSSENVLEESCH.

PADDENSTOELEN.

Water 900 300 à 400 800

Minerale zouten 8 5 à 7 30

Weefsel 30 2 à 4 150 à 170

(fungocellulose) (cellulose) (spieren, peezen

enz.)

38

Koolhydraten (thréhalose) 500 à 600 15 à 25

9

(manniet) (zetmeel) (vet)

Verteerbaar 15 75 20 à 30

eiwit

Maken wij uit het voorgaande eenige besluiten, dan zien wij, dat,

ofschoon de paddenstoelen door hun klein gehalte aan verteerbaar

eiwit, het in voedingswaarde tegen brood en vleesch moeten afleggen,

we ze door een vrij groot gehalte aan voedende zouten en bovenal

door de aan het lichaam zooveel warmte-energie gevende suikers,

werkelijk niet als een voedingsmiddel moeten onderschatten. Men

vergete daarenboven niet, dat zij bij het koken meer water verliezen

dan vleesch en men dus, bij een gelijk volume van gekookt materiaal,

in vergelijking meer procenten voedingsstoffen krijgt, terwijl men

er bovendien meer van eten kan dan van vleesch. In elk geval zijn zij

door grooter gehalte aan minerale zouten en suikers, voedzamer dan de

bladgroenten waarmee ze gewoonlijk als spijzen vergeleken worden. Deze

missen ook het in de paddenstoelen voorkomende glucogeen, lecithin

en het chitinachtige celweefsel, allen stoffen, die in het dierlijk

organisme thuis behooren. Naar mijn meening zijn dan ook diegenen,

die de paddenstoelen "plantaardig vleesch" of "vleesch van het woud"

noemen, dichter bij de waarheid, dan de hygiënisten, die ze onder de

groenten rangschikken.

Zoo beschouwd, (en wie, die reeds eenige malen paddenstoelen gegeten

heeft, vindt de gelijkenis met vleesch en vooral kalfvleesch, niet

frappant), is het zeker waar, dat ofschoon dan iets minder voedzaam,

een voortdurend en niet overmatig gebruik van deze natuurproducten den

mensch minder zullen schaden dan een dergelijk gebruik van dierlijk

voedsel, ten minste: als wij alleen die soorten eten, die we als goede

ongevaarlijke soorten kennen en nogmaals kan ik er niet genoeg op

wijzen om zonder kennis der soorten ze niet te zoeken of te gebruiken.

HET VERZAMELEN EN HET TOEBEREIDEN VAN EETBARE PADDENSTOELEN.

De "jacht" op paddenstoelen is voor mij maar heel kort gesloten,

ten minste in vorstvrije winters, hoogstens maar een maand, van half

Februari tot April, want in 't laatst van Maart, dan komen de morieljes

(fig. 20) No. 12, alweer te voorschijn en als die afgeloopen zijn

vallen er al inktzwammen (fig. 114) No. 266 en 267 en de voorjaars

Tricholóma gambósum No. 26, te plukken voor den mycophaag.

Dan volgen, in parken en weilanden, in 't laatst van Mei de

overheerlijke Marásmius oréades (fig. 25 en 89) No. 211, in Juni

de Reuzenbovist No. 271 (fig. 116) en dan komen langzamerhand de

champignons, Psallióta-soorten, (fig. 18 en P1. 2 fig. VII) No. 263

en 264 haar smakelijke hoeden boven 't gras der weilanden uit steken

en wordt de boschgrond weldra oranje gekleurd door de cantharel of

dooierzwam (fig. 19) No. 206. In den na-zomer en de herfstmaanden, heb

ik tot in 't laatst van November volop keus van allerlei smakelijke

soorten en als die hun aardsch bestaan geëindigd hebben, is het

smakelijke "fluweelpootje" Collýbia velútipes (fig. 61) No. 117,

zoo vriendelijk mij tot half Februari een smakelijke soep en groente

te verschaffen.

De meeste kans op goeden buit bij de jacht heeft men bij eerst

overvloedigen regenval, gevolgd door warmte, ook na sterken dauw en

op zwoele warme herfstdagen. Ik trek er dan op uit met mijn mandje

en verschillende zakjes gewapend, want ik houd bij het plukken graag

elke soort apart, omdat ik ze zelden dooréén gemengd, toebereid.

Als regel pluk ik de hoeden af en laat de stelen staan, die bij de

meeste soorten onbruikbaar zijn. Dat afplukken geeft het voordeel

niet alleen van meer te kunnen bergen maar ook houdt men op die

manier zijn voorraad reiner, daar de stelen meest met aarde en vuil

bedekt zijn. Een uitzondering hierop maak ik met het plukken van de

champignons Psallióta-soorten (fig. 17), om reden dat de stelen van

jonge exemplaren ten eerste zeer goed eetbaar zijn, doch v.n.l. om

de bekende, op blz. 85 zeer uitvoerig, beschreven reden tot mogelijke

vergissing met de op hen gelijkende Groene Knolzwam: Amaníta phalloídes

(fig. 16).

Ik pluk bij voorkeur jonge exemplaren (bij de Bolétus-soorten (fig. 21

en 26) ook met de stelen), daar deze natuurlijk het smakelijkste

zijn. Echter frissche, volwassen exemplaren, die goed zijn voor de

paddenstoelensoep, worden niet versmaad, doch verwaterde, slappe,

oude paddenstoelen worden nimmer door mij medegenomen.

Het gebruik van dergelijke oude zwammen heeft reeds dikwijls

aanleiding gegeven tot het optreden van ernstige ongesteldheden. Ik

voor mij geloof, dat een gedeelte van de gevallen van niet ernstige

paddenstoelvergiftigingen, in de kranten altijd met zooveel ophef

vermeld, te wijten zijn niet aan het eten van vergiftige soorten

(want de menschen zijn in 't algemeen niet zoo roekeloos), doch aan

het consumeeren van te lang bewaarde of te oude zwammen. Er schijnen

dan in het zwammenweefsel z.g.n. secondaire zwammen op te treden die

een geweldig toxineerende werking hebben. Men wachte er zich dus ook

voor, te zuinig te zijn en verwijdere wel degelijk uit de verzamelde

massa, de niet meer frissche exemplaren.

Men leest verder ook dikwijls, dat de, door de maden van zwammuggen

of -vliegen aangetaste, paddenstoelen giftig zouden zijn. Ze zijn

dan echter meestal minderwaardiger dan de onaangetasten en vanzelf

worden ze daarom verwijderd. Echter menig jong exemplaar waar ik het

aangetaste deel uitsneed, is door mij als uitstekend voedsel bevonden

en me altijd best bekomen.

Met den buit thuis gekomen, maak ik ze zoo spoedig mogelijk "panklaar",

want het is verwonderlijk hoe spoedig de paddenstoelen, eenmaal

afgeplukt zijnde, tot rotting overgaan.

Als dan de jacht nog al lang geduurd heeft, valt dat "panklaar" maken

nog wel eens leelijk tegen, want het schoonmaken van de paddenstoelen

is een werkje, dat niet meevalt en veel zorg eischt. Is het huidje

van den hoed afneembaar, dan wordt dat er zorgvuldig afgehaald, liefst

met een houten vruchtenmesje (metaal kleurt het paddenstoelen-vleesch

bruin). Jonge exemplaren, ook jonge champignons reinig ik met een

borsteltje.

De schubben op sommige hoeden, b.v. bij de Lepióta-soorten (fig. 24)

worden er afgesneden. Vele soorten echter, zooals Marásmius oréades

(fig. 25) en Collýbia velútipes (fig. 61) laten geen aftrekken van

't huidje toe door de dunvleezigheid en deze worden daarom alléén

zorgvuldig afgewasschen.

Bij de soorten, die geen taaie maar eenigszins vleezige stelen

hebben, welke daarom mede afgeplukt zijn (zooals het geval is bij de

Psallióta-, Lepióta-, Coprínus- en jonge Bolétus-soorten), snijd ik

den steel van den hoed af, daar zij vrij wat langer moeten koken dan

de hoeden.

Hun, die kippen houden of een visch-vijver hebben, kan ik aanraden,

den afval, verkregen bij het paddenstoelenschoonmaken, aan die dieren

te voederen. Ook kan men dien bij wijze van mest gebruiken.

Het paddenstoelenboekje · 第 6 / 17 段