Het beste is natuurlijk wel, als men 't eene doet zonder 't andere te

laten. Zoo ziet men b.v. op fig. 71 de Reuzenzwam (Polýporus gigánteus)

in de natuur. Hier ziet ge, hoe de zwam uit den voet van den ouden beuk

komt groeien; de opengebarsten schors toont u, dat de boom niet zoo

erg best meer is en de dorre bladeren wijzen op 't jaargetijde. Deze

foto is ook een van twee stereoscoopbeelden. Stereoscopisch komt alles

nog veel mooier uit. Fig. 70 toont dezelfde zwamsoort (niet 't zelfde

exemplaar) nu afzonderlijk en onder de gunstigste omstandigheden

gefotografeerd.

Herbarium.

Ik heb de afbeelding door teekening of foto vooropgesteld, omdat

het mij voorkomt, dat dit nog eerder onder veler bereik zal vallen,

dan het conserveeren van paddenstoelen. Dit toch is een werkje,

dat, wil men het goed doen, heel veel tijd--en vooral veel geduld

vereischt. Voor hen die daarover beschikken en het zouden willen

beproeven, laat ik hier eenige korte aanwijzingen volgen: Men kan

paddenstoelen droog bewaren of op vloeistoffen. De eerste methode lijkt

mij om vele redenen de belangrijkste; doch ook hier geldt het weer:

ze moeten elkaar zooveel mogelijk aanvullen. Vele buisjeszwammen,

ook aardsterren en dergelijke kunnen zonder veel zorg in hun geheel

gedroogd en zóó bewaard worden. Men komt er gauw genoeg achter,

dat al die hout-, leder-, papier- en kurkachtige vormen zich goed

daartoe leenen. Men bewaart ze in goed gesloten doosjes, buizen,

stopflesschen of zoo iets en voegt er wat kamfer of naphtaline bij. Zit

er ongedierte in, dan doet men ze in een groote stopflesch, giet er

een weinig zwavelkoolstof in en laat dit eenige dagen staan.

De meeste plaatzwammen kan men zóó niet bewaren; die moet

men prepareeren. Kleinere, niet al te weeke vormen, kan men,

wil men er niet al te veel tijd aan besteden in haar geheel of

overlangs doorgesneden, tusschen watten drogen. Zorgt men de

watten dikwijls te ververschen, dan geeft dit betere resultaten

dan filtreerpapier. Hinderlijk zijn weliswaar altijd de aanklevende

wattenvezels, die men met pincetjes moet verwijderen. Een zacht stukje

vlakgom kan hierbij ook soms goede diensten bewijzen.

Grootere paddenstoelen eischen veel meer werk. Hier begint men met ze

overlangs door te snijden en van beide helften een dunne coupe af te

nemen. Deze, met zorg gedroogd, geeft een goed beeld van den vorm van

den paddenstoel; daartoe heeft men haar slechts in zijn gedachten om

de as te laten wentelen; dikte van het vleesch, vorm en breedte der

plaatjes, al die dingen zijn er aan te zien. Van de beide helften

maakt men habitusbeelden; hiertoe holt men zoowel de hoed- als de

steelhelft geheel uit, tot er slechts een dun laagje vleesch met het

buitenste huidje overblijft; meestal snijdt men daartoe eerst de hoed-

van de steelhelft. Eenige verschillend-gevormde, vlijmscherpe mesjes

zijn bij dit werkje onmisbaar.

Deze verschillende stukken droogt men nu tusschen fijn filtreerpapier,

hetgeen men zeer vaak, aanvankelijk wel telkens na eenige uren moet

ververschen, want het wordt natuurlijk doornat. Zorgt men daarvoor,

dan kan men goede resultaten verkrijgen; dikwijls blijft er dan van

de kleuren nog veel meer over dan bij de conserveering of vloeistof.

De uitgeholde stukken zijn, doordat zij eene kromming hebben wel eens

moeilijk te drogen; dan moet men aanvankelijk de holten met een propje

watten of iets dergelijks opvullen; langzamerhand worden ze dan wel

vlak. Wanneer nu deze stukken goed droog zijn (zij zijn dan bros en

moeten voorzichtig gehanteerd worden) moet men ze "opzetten", bij

voorkeur op stevig wit carton. Hierop plakt men ze met de geheele

onderzijde vast; als plakmiddelen zijn geprepareerde stijfsel

(Titanol of iets dergelijks) en voor dikkere, moeilijker-hechtende

deelen tubenkit (bv. Syndeticon) te gebruiken. De doorsneden heeft

men zonder meer er op te plakken; den hoed en steel moet men een

zoodanigen vorm geven, dat ze zoo goed mogelijk den paddenstoel

weergeven. Heeft men een teekening of een foto, dan kan die daar

goede diensten bij bewijzen.

Deze wijze van conserveeren is wel zeer bewerkelijk en tijdroovend,

doch indien men wat aanleg heeft voor fijn peuterwerk, wat smaak en

vooral veel geduld, kan men er zeer goede resultaten mede bereiken. Een

dergelijke verzameling, aangevuld met teekeningen, foto's en notities,

kan langzamerhand een hoogst waardevol hulpmiddel worden bij de studie

der paddenstoelen. Ook sporenfiguren mogen hierbij niet ontbreken.

Op blz. 73 heb ik al in hoofdzaak aangegeven, hoe deze gemaakt

moeten worden. Is het er om te doen om een zuivere afbeelding van de

onderzijde van den hoed te krijgen, dan moet men dezen horizontaal

opstellen en zorg dragen, dat het papier er zooveel mogelijk overal

tegen aansluit. Ook moet men dan vermijden, dat luchtstroomingen

het rustig vallen der sporen verstoort, waardoor het beeld onzuiver

wordt. Men plaatst dus den paddenstoel op een rustig plekje, in een

gesloten ruimte, doos, of klok.

De gekleurde sporenfiguren fixeert men door er van onderen met

een penseeltje fixatief (dezelfde vloeistof, die gebruikt wordt om

teekeningen te fixeeren) tegen te strijken. Deze dringt dan door het

papier heen en fixeert de sporen aan de bovenzijde. Witte sporen kan

men zoo niet fixeeren, deze worden bij deze bewerking onzichtbaar. Eene

goede fixeervloeistof hiervoor is mij nog niet bekend.

Over het conserveeren op vloeistof

kan ik kort zijn; voor de meesten toch zal een dergelijke verzameling

te omslachtig en te duur zijn. Men kan de paddenstoelen bewaren op

alcohol, waarbij het dikwijls gewenscht is met vrij slappen ± 50 % te

beginnen en dezen langzamerhand te versterken tot ± 80 %. Of ook kan

men eene formalineoplossing gebruiken (1 deel van de handelsoplossing,

verdund met 20 deelen water).

In formol blijven de kleuren meestal wel wat langer bewaard dan in

alcohol; op den duur verdwijnen zij echter toch ook en bovendien worden

de voorwerpen slap en week. Het is echter veel goedkooper dan alcohol

en kan vooral voor kleinere voorwerpen wel gebruikt worden. Wil

men er notities bijvoegen, dan kan men deze, met O.-Ind. inkt op

perkamentpapier geschreven, bij 't voorwerp in de flesch doen.

VERGIFTIGE PADDENSTOELEN.

Gelijk een schok van een aardbeving, verbreidt zich de mare: de kranten

berichten wederom een paddenstoelenvergiftiging van een geheel gezin,

reeds enkele personen zijn gestorven!

Den liefhebbers der Mycologie, vooral den paddenstoeleneters of

mycophagen, die heusch al een beetje thuis begonnen te raken in de

onderscheidingskunst der zwammen, slaat de schrik om 't hart en ze

zweren, nooit meer een paddenstoel te zullen aanraken.

De "kenners" ontvangen van anonieme personen, tientallen van het

uitgeknipte courantenberichtje, de bewuste passage met blauw potlood

dik onderstreept.

De Ned. Mycol. Vereen., beleeft kritieke tijden; vele leden bedanken

voor hun lidmaatschap en ... de paddenstoelen in bosch en veld,

krijgen het éénzamer dan ooit. Kortom, de Mycologie heeft voor een

poosje geheel afgedaan, en is men er na verloop van een paar jaar

weer wat van bekomen, dan brengt een nieuw courantenbericht den boel

opnieuw in discrediet.

Ze komen haast allen uit het buitenland die berichten, (met het

treurige geval in den Haag in 1910, helaas een enkele keer ook uit

ons land) en dan vergete men niet, dat,--behalve dat die verhalen

meestal zeer zijn aangedikt--de paddenstoelen daar in ontzaggelijke

hoeveelheden gegeten worden en dat er dan allicht eens iemand

onvoorzichtig geweest kan zijn, hetzij met eenige verkeerde

exemplaren er bij te hebben verzameld, of dat ze reeds oud en

bedorven waren (zie blz. 110). Hoeveel menschen sterven wel niet,

maar worden toch gevaarlijk ziek, dikwijls met sleepende ziekten

voor hun geheele leven, door het eten van bedorven vleesch of andere

voedingsmiddelen. Die berichten staan ook wel in de couranten,

doch de berichtgevers die zulks inzenden, hebben niet half zooveel

succes, als die de vergiftigingen, door de paddenstoelen veroorzaakt,

melden. De statistieken hebben uitgemaakt, dat in verhouding er

veel meer ziekteverschijnselen optraden door het eten van bedorven

vleesch, dan door het eten van paddenstoelen, terwijl de gevallen

van paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop, gelukkig

betrekkelijk zeldzaam zijn.

Doch, nadat wij dit geconstateerd hebben, willen we toch dadelijk met

nadruk erkennen, dat die paddenstoelen een gevaarlijk volkje zijn om

mee om te gaan en dat we een ieder die er geen kennis van heeft en

er geen bepaalde studie van maakt, niet genoeg kunnen waarschuwen er

voorzichtig mee te zijn en ze niet op zijn tafel te brengen!

De giftige soorten van ons land.

Laten wij verder eens vertellen hoe het met de vergiftige paddenstoelen

in ons land gesteld is. Van de ruim 800 verschillende soorten welke

in ons land voorkomen, zijn er ± een 300-tal verschillende soorten

eetbaar, de meesten oneetbaar, doch niet schadelijk, een 50-tal

verdacht en een 10-tal soorten bepaald gevaarlijk. Deze zijn: Amaníta

phalloídes (fig. 16, 48 en 112) No. 24, Amaníta citrína (fig. 16 en 49)

No. 25, Amaníta pantherína No. 23, Amaníta muscária (fig. 13 en 17)

No. 22, Volvária speciósa en gloiocéphala (plaat 4 fig. 15) No. 259,

Bolétus Sátanas (fig. 58) No. 108, Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en

102) No. 240, Hypholóma fasciculáre No. 139, Lactárius torminósus

(fig. 52) No. 65, Rússula rúbra en emética (fig. 54) No. 85 en 86.

Ga ik er met menschen op uit, die de paddenstoelen willen leeren kennen

uit een "eet-oogpunt", dan begin ik altijd met ze de bovengenoemde

giftige soorten te laten zien en als ze zich die wat ingeprent hebben,

toon ik ze díé eetbare soorten, die niet, met welke giftige soort ook,

verwisseld kunnen worden. Wij zouden in dit boekje zoo graag evenzoo

hebben gedaan en naast de gekleurde afbeeldingen van de eetbare

soorten, die der giftige gegeven hebben doch dit was nièt mogelijk.

Het is een illusie van de Ned. Mycol. Vereen. nog eens, evenals

dit in Duitschland overal reeds gebeurt wandplaten met gekleurde

afbeeldingen van de giftige zwammen uit te geven voor de scholen,

want hoe jonger men ze leert kennen, des te beter komen ze er in, en

naar onze meening is dit de beste manier, om het aantal vergiftigingen

door het eten Van paddenstoelen veroorzaakt, te doen verminderen.

Maar zoo'n uitgave kost veel geld! Wie helpt de Ned. Mycol. Vereeniging

mee dit plan te verwezenlijken? Deze tien gevaarlijke paddenstoelen

worden, al naar den graad hunner giftigheid, weer in 2 groepen

verdeeld. De eerste groep omvat die der doodelijk giftige, waartoe

behooren: Amaníta phalloídes, Amaníta citrína, als de var. máppa

het meest bij ons voorkomende, en de Volvária soorten: speciósa

en gloiocéphala.

Van deze is de Groene Knolzwam of Amaníta phalloídes No. 24 de

gevaarlijkste van allemaal, en dat wel omdat hij een, in ons land, in

bosschen, velden en weilanden, overal veel voorkomende paddenstoel is.

Het grootste gevaar schuilt hierin, dat hij, vooral in jeugdigen

toestand precies gelijkt op een jongen champignon, Psallióta campéstris

of arvénsis (fig. 17 en 113). In fig. 16 en fig. 17 geven we een

gekleurde afbeelding van de beide soorten, hier door de kleur en

vooral door den zak om den steel van Am. phal en de rose plaatjes

van Ps. camp. goed te onderscheiden doch uit eigen ervaring moet

ik hier zeggen, dat verwisseling van beide soorten, vooral daar,

waar ze in weilanden en bosschen (met Psal. arv.) dooréén groeien,

zelfs voor kenners zeer goed mogelijk is. Laat dus een ieder bij het

plukken van champignons, den paddenstoel goed uitgraven, om den zak

te kunnen zien, en vermijde men (ook wanneer men ze aan de deur van

champignonvrouwtjes) koopt, paddenstoelen klaar te maken, die een

hoedoppervlakte hebben kleiner dan een gulden, daar bij de Groene

Knolzwam de zak dan wellicht nog niet genoeg ontwikkeld is om als

herkenningsmiddel te dienen en bovendien de plaatjes van Ps. camp.,

dan nog niet rose zijn (n.b. de plaatjes van Ps. arv. zijn nooit rose,

eerst grijs-wit, dan zwart).

Het treurige geval in Den Haag en ook 95 % van de

paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop zijn door die

Groene Knolzwam veroorzaakt. Het gif van deze zwam is in 1890 door

den Duitschen toxicoloog Kobert ontdekt en phalline [2] genoemd. Dit

gif schijnt een microbe-achtige, toxineerende werking te hebben;

de roode bloedlichaampjes worden er geheel door verwoest en 7 à

8 milligr. van deze stof is reeds voldoende om in 1 L. bloed alle

bloedlichaampjes te vernietigen en daar één exemplaar van deze zwam

wel eenige centigr. ervan bevat, kan men eens zien hoe groot het

gevaar is, als er ook maar één enkel hoedje van dezen paddenstoel

met de champignons wordt meegekookt.

Het verraderlijkste van dit gif is nog, dat het pas na 10-12 uur zijne

toxineerende werking uitoefent en dat het gif dan reeds zóó geheel in

't bloed is opgenomen, dat voor den patiënt geen redding meer mogelijk

is. De vergiftigingsverschijnselen openbaren zich in hevige flauwten,

angsten, benauwdheden, hevigen dorst en brakingen, afgebroken door

tijden van wel 2 uur lange kalmte, doch steeds gevolgd door meerdere

en heviger aanvallen. De patiënt heeft het voorkomen van een lijder

aan leverziekte. Eenige dagen kan dit voortduren, altijd gevolgd door

een afschuwelijk benauwd sterven.

Bij de Gele Knolzwam, Am. citrína en máppa (fig. 16 en 49 No. 25), ook

zeer algemeen in onze bosschen, schijnt het gif niet zóó schadelijk en

ofschoon de patiënt hevig lijdt, is hierbij redding meestal mogelijk.

Evenzoo is het bij de Volvária-soorten, die in zooverre zeer

gevaarlijk zijn, omdat zij door de rose plaatjes nog meer op den

echten champignon: Ps. camp. (fig. 17) gelijken dan de Groene Knolzwam.

Het geheel ontbreken van een ring en den zak, dien deze paddenstoel

om den steel heeft, ook de kleverige oppervlakte van den hoed, zijn

echter weer goede onderscheidingsteekens.

De Volvária-soorten zijn echter lang niet zoo algemeen als de Groene

Knolzwam, zelfs betrekkelijk zeldzaam, doch zij groeien ook op dezelfde

plaatsen als de champignons (zie blz. 311).

De 2e groep omvat de niet doodelijk, maar gevaarlijk giftige

zwammen. Hiertoe behooren de panterzwam: Amaníta pantherína No. 23,

een in onze bosschen veelvuldig voorkomende paddenstoel, en de bekende

vliegenzwam: Am. muscária (fig. 47, No. 22). Over de giftigheid van

deze laatste is al heel wat geschreven en de geleerden zijn het nog

niet eens of zij nu werkelijk bij de giftigen thuis hoort of niet. De

wonderlijkste verhalen zijn omtrent haar toxineerende werking in

omloop, waarvan het wel de moeite waard is, iets te vertellen. Algemeen

schijnt het gif, dat zich in de roode opperhuid bevindt, en dat,

behalve uit andere toxineerende stoffen, v.n.l. uit het muscarine

bestaat, een bedwelmende uitwerking te hebben van aangenamen aard,

gelijkende op die van opium.

De Korjaken en Tschuktschen gebruiken haar als z.g.n. "Muchador",

als bedwelmingsmiddel. Na de waanzinsgevoelens eerst, geraken zij in

vasten slaap met heerlijke droomen, waar het hun v.n.l. om te doen

is. Zij geven gaarne pelswerken in ruil voor één zwam.

In een andere streek weer, kauwt eerst de vrouw de zwam voor haar

man en deze eet haar daarna als pil op, waarna het visioenen-spel

optreedt. Ook in Frankrijk schijnt zij, daar Faux-oronge genoemd, wel

als bedwelmingsmiddel gebruikt te worden en nog wel door de upper-ten!

En onze Geldersche en Overijselsche boeren gebruiken dat roode huidje,

met wat suiker bestrooid op een schoteltje gelegd, voor "vliegendood"

en er komen heel wat lijkjes op, dat kan ik u vertellen. In de

geneeskunde schijnt dit muscarine met gunstig gevolg te worden

aangewend bij "vallende ziekte."

Michaël, de schrijver van die aardige boekjes met prachtplaatjes:

"Führer für Pilzfreunde" heeft de zwam zonder opperhuidje gegeten

en het is hem goed bekomen, doch hij smaakte volgens hem niet naar

meer. Het is dus maar het beste, dat we de Vliegenzwam, vanwege

haar min of meer verdachte reputatie, in de groep der gevaarlijke

zwammen laten en dat wij haar op eenigen afstand, als een gevaarlijke

schoone, alle hulde brengen, die zij om haar schitterende verschijning

afdwingt. Want daarover zal een ieder het eens zijn: mooi is zij!

Dezelfde gifstof, die muscarine, schijnt te huizen in de

aardappelen-bovist of Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en 102 No. 240)

een paddenstoel, die uiterst algemeen is in ons land, doch die niet

met een ook in ons land groeiende eetbare soort te verwisselen is. Zij

wordt echter in 't buitenland wel eens tusschen de truffels, waar het

inwendige harde, zwarte gedeelte van deze zwam op gelijkt, verkocht

en daardoor schijnen ernstige ongesteldheden te zijn voorgekomen. Ook

het gif van Bolétus Sátanas, de Satanszwam (fig. 58 No. 108) schijnt

een muscarineachtige stof te zijn. Deze zwam is niet algemeen en

overvloedig in ons land verspreid. Zij heeft de eigenschap bij het

doorbreken sterk blauw en rood te kleuren, en als men nu maar alle

boleten vermijdt te eten die dit doen, behoeft men geen angst te

hebben, ooit door een dergelijke zwam vergiftigd te worden.

Gevaarlijk giftig schijnt ook Lactárius torminósus (fig. 52) No. 65

te zijn, en de Rússulasoorten rúbra (fig. 54) No. 85, en emética

No. 86, eveneens het zoo veelvuldig voorkomende "Zwavelkopje",

Hypholóma fasciculáre No. 139, ofschoon deze laatste den laatsten tijd

gerehabiliteerd schijnt te zijn en alleen verweten wordt buikpijn te

geven. De vergiftigingsverschijnselen van de soorten dezer gevaarlijk,

doch niet doodelijk giftige paddenstoelen, treden meestal reeds

na 1-2 uren op en zijn, als er geen complicaties optreden, allen

te genezen. Dan zijn er ten slotte nog eenige paddenstoelen, die

een giftig zuur bevatten zooals het helvella zuur bij de morieljes

(fig. 20) No. 12 en de helvellasoorten (fig. 40 en 41) No. 10 en 11

en het blauwzuur o.a. bij Marásmius oréades (fig. 25) No. 211.

Rauw gegeten, zouden deze paddenstoelen hoogst schadelijk voor de

gezondheid kunnen worden, doch, daar deze beide zuren zeer vluchtig

zijn en bij het koken van de paddenstoelen geheel er uit verdwijnen,

kan men ze zonder eenig bezwaar aldus nuttigen.

Wat te doen bij paddenstoelenvergiftigingen.

Evenals in alle boeken over paddenstoelen, mag ook in het onze, iets

over dit onderwerp niet achterwege blijven, ofschoon het eigenlijk wel

wat verouderd is. Want huismiddeltjes en zelf-dokteren bij ernstige

gevallen zijn, sinds er op de 50 huizen in iedere stad of gemeente een

dokter woont, geheel overbodig geworden. Men kan echter niet weten of

iemand, niettegenstaande de vele waarschuwingen in dit boekje gedaan,

toch nog niet eens (met dit boekje in den zak) ergens op de "hei" zit

en het er eens op gewaagd heeft van de onbekende paddenstoelenvrucht

te proeven en onlekker wordt, werkelijk onlekker, want ik ken enkele

menschen, die uit angst, dat ik ze misschien verkeerde paddenstoelen te

eten zou hebben gegeven, uit zenuwachtigheid wat onpleizierig werden.

Er zijn voorts menschen, die zelfs niet tegen 't eten van goede soorten

kunnen en bij wie daarna toxineerende verschijnselen optreden, zooals

anderen 't hebben met het eten van visch.

Als iemand verkeerde paddenstoelen gegeten heeft, schijnt de keel het

't eerst te moeten ontgelden; hevige kriebelingen en benauwdheden

treden op, gevolgd door brakingen enz. Het innemen van een flinke

dosis wonderolie of lavementen van water, olie of glycerine,

schijnt tegenwoordig meer toegepast te worden dan braakmiddelen en

't traditioneele kietelen van de tong daarvoor. Men geve den patiënt

veel te drinken, water, vooral spuitwater of melk en is de patiënt

slaperig en suf dan geve men sterke koffie of thee, is hij in tegendeel

opgewonden (b.v. na 't eten van de Vliegenzwam), een broomnatriumdosis

van 1-2 gram. Dit alles en daarbij compressen zoo heet mogelijk op de

pijnlijke plaatsen gebracht en een warm zitbad, schijnen onschadelijke

pijnstillende middelen te zijn die kunnen worden aangewend, indien

het bezoek van den dokter wat lang uitblijft. Want: in elk geval, als

men maar eenigszins vreest verkeerde paddenstoelen te hebben gegeten,

moet men onmiddellijk geneeskundige hulp inroepen en behalve wanneer

men met de zoo doodelijk giftige Amaníta phalloídes te doen heeft,

zal deze u weer kunnen beter maken.

PADDENSTOELEN ETEN.

Reeds in de oudste tijden, werden de in 't wild gezochte paddenstoelen

door de Chineezen, Grieken en Romeinen gegeten, vooral de truffel

en de champignon, toen boletus geheeten, waren zeer gezocht en

bij de Romeinen niet minder de z.g.n. "keizerzwam" Amaníta Caesárea

("godenspijs", zooals zij haar noemden) een ten onzent niet voorkomende

zwam, die echter nu nog in Frankrijk veel gegeten wordt. Deze

paddenstoel, l'Oronge vraie, is vrij gemakkelijk te verwisselen met

"le fausse Oronge", de Vliegenzwam (fig. 13) No. 22. Bekend is het

verhaal van Agrippina, die haar gemaal keizer Claudius, een maal van

de eerste soort moest bereiden (want zij lieten het toebereiden van

de paddenstoelen niet aan hun dienstbaren over doch deden dit zelve en

wel in zilveren schalen). Bij vergissing (?) gaf zij de giftige soort,

met het noodlottige gevolg dat de keizer aan de gevolgen overleed en

haar zoon Nero hem kon opvolgen. In de 16e eeuw verscheen er een boek

van een dokter Frans van Sterbeek, getiteld: Tooneel der Campernoeliën

(champignons) waarin de heerlijkste recepten van paddenstoelengerechten

voorkomen, o.a. één van een paddenstoelentaart, welke een geheele

bladzijde beslaat.

Paus Clemens VII was er zulk een liefhebber van, dat hij het zoeken

van champignons aan zijn onderdanen verbood, om er zelf destemeer

van op zijn tafel te krijgen.

En hedentendage is nog altijd de grootste belangstelling voor

de Mycologie geconcentreerd op het eten der paddenstoelen. Op

paddenstoelen-excursies en tentoonstellingen van deze natuurgewrochten

in ons land gehouden, worden de meeste vragen gedaan naar de

eetbaarheid of giftigheid der soorten en de meeste belangstelling heeft

op de jaarlijksche tentoonstellingen, door de Mycol. Vereen. gehouden,

altijd die hoek, waar aan liefhebbers en aan "durvers", spijzen van

toebereide paddenstoelen worden uitgedeeld!

Ons land is, in vergelijking van andere landen als Frankrijk,

Duitschland, Hongarije, Rusland en Italië, ook zeer ten achter

wat het eten van paddenstoelen betreft. Daar toch, worden op

de groentenmarkten, door 't landvolk, groote hoeveelheden van

paddenstoelen gebracht. Op sommige plaatsen, b.v. te Zürich, oefenen

deskundigen hier voortdurend contrôle op uit. Zoo kan ieder zich

voor een kleinigheid een smakelijk maal van betrouwbare paddenstoelen

koopen. Deze zijn in den vroegen morgen frisch gezocht en gaan op de

markten allen van de hand.

Zijn de Hollanders in den vreemde, dan eten ze zonder vrees in de

hotels met grooten smaak van de hun voorgezette paddenstoelengerechten,

doch wijs je dezelfde menschen, in ons land teruggekomen, er op,

dat zij op hun buitenplaatsen en bosschen rondom in de versche,

smakelijk-eetbare paddenstoelen zitten, dan zijn ze vol angst en wagen

het niet ook maar een enkele soort die je aanraadt, te probeeren. Toch

zijn er sedert de laatste jaren gelukkig al wat menschen in ons land,

die het aandurven enkele, niet met giftige soorten te verwisselen,

paddenstoelen te plukken en te eten. Al sinds eeuwen is dat het geval

met de algemeen bekende Morielje: Morchélla esculénta (fig. 20) No. 12,

die vrij veel in ons land gevonden wordt, vooral in de duinstreek en

in Z.-Limburg.

Het paddenstoelenboekje · 第 5 / 17 段