zou te ver voeren er hierop in te gaan. Deze enkele korte aanduidingen
zullen, naar ik hoop, voldoende zijn om den lezer veel duidelijk te
maken in het leven der paddenstoelen, waarvoor hij anders misschien
niet zoo licht eene verklaring zou vinden.
Wij moeten nu echter nog enkele dingen even noemen, die bij het
determineeren van belang zijn. Buitengewoon leerrijk is het, de
ontwikkeling van de vliegenzwam (Amaníta muscária) eens goed na te
gaan (Pl. 2, fig. I). Wie daartoe in de gelegenheid is, verzuime het
vooral niet. Zoek dan eens heel jonge exemplaren! Ge kunt dan zien,
hoe daarbij de geheele paddenstoel rondom in een wit omhulsel is
opgesloten; het algemeen omhulsel (velum universale). Dit bekleedt
het onderste van den voet en overtrekt ook aanvankelijk geheel het
mooie oranjerood van den hoed.
Wanneer nu de paddenstoel zich gaat ontwikkelen, vooral doordat de
steel gaat groeien, verbrokkelt dit omhulsel; op den hoed blijven
er witte wratten als resten er van zichtbaar, aan den voet blijft
een beurs zitten. Bij de vliegenzwam is het niet veel meer dan een
cirkelvormige verdikking boven op den knolvormigen voet, bij andere,
b.v. Amaníta phalloïdes vinden we een fraaie en ruime beurs. Plaat 2,
fig. I toont bij b een jonge vliegenzwam, die juist opengaat, c is
een doorsnede daarvan.
Dergelijke schubben of wratten, die resten zijn van het algemeen
omhulsel, zitten slechts losjes op de opperhuid en verdwijnen dan
ook dikwijls b.v. door hevige regenbuien.
Zoo vindt men dan ook de vliegenzwam niet zelden met een geheel
gladden hoed. De parasolzwam (Pl. 2, fig. II en 85) zal men echter
nooit glad aantreffen. Hier ontstaan de schubben door scheuren en
openbarsten van de opperhuid en laten dus niet los. Beide vormen
van schubbigheid leert men spoedig onderscheiden. Fig. 13 toont
ons eveneens de ontwikkeling van de vliegenzwam; hierbij moeten we
echter opmerken, dat een exemplaar, zooals in 't midden is afgebeeld,
gewoonlijk nog bijna geheel in den grond verborgen is.
De ring of manchet is een vlies, dat bij den jongen paddenstoel de
lamellen bedekt; het is dan rondom aan den hoedrand bevestigd en
loopt vandaar naar den steel (Pl. 2, fig. Ic); bij den groei laat
het van den rand los (fig. II) en hangt dan als een manchet neder;
vaak vertoont het fijne strepen, die er op wijzen, dat het vroeger
tegen de kanten der lamellen aangedrukt gelegen heeft. Laat de ring
zoowel van den hoedrand als van den steel los, dan wordt ze geheel
vrij en kan dan langs den steel op en neer geschoven worden. Zoo
b.v. bij de parasolzwam.
Bij een aantal paddenstoelen vindt men geen gesloten vlies,
uitgespannen tusschen hoedrand en steel, doch een z.g. "gordijn"
of "cortina", een geheel van fijne draden. Vooral jonge
Cortinarius-soorten (zie fig. 14), en ook jonge Zwavelkopjes vertoonen
dit vaak heel fraai. Ik zeg "jong" want de cortina is zeer vergankelijk
en bij volwassen exemplaren is ze dikwijls geheel verdwenen. Ik kan
den lezer aanraden bij de zwavelkopjes eens het lot van de cortina te
bestudeeren; dan zal hij later gemakkelijker de resten er van ook bij
andere soorten kunnen herkennen. Dikwijls toch zijn het slechts wat
spinwebachtige draden aan den steel, bruin, paars of zwart gekleurd
door aanhangende sporen, die er op wijzen, dat we met een gordijn te
doen hebben.
De vorm der plaatjes en de wijze waarop deze aan den steel zijn
vastgehecht, zijn dikwijls kenmerkend voor de geslachten der
paddenstoelen. Wij hebben daarom op pl. 3-6 een reeks van doorsneden
gegeven. In het bijzonder vestig ik de aandacht op pl. 3 fig. 4 het
type der Tricholoma's. Hier vindt men een uitbochting, daar waar het
plaatje aan den steel is gehecht; geheel vrij zijn de plaatjes bij
de meeste Lepiota's (Pl. 3 fig. 2) afloopend bij Clitocybe's (Pl. 3
fig. 5) en Lentinus (Pl. 4 fig. 14).
Vóór wij van de plaatzwammen afstappen, nog even een woord over de
inktzwammen, die allermerkwaardigste gewassen, die zooals de geschubde
inktzwam (Coprínus comátus) fig. 15, in enkele dagen hun blankwitten
hoed in een zwarte druipende massa veranderen.
Oogenschijnlijk een van de vreemdste en onbegrijpelijkste
verschijnselen in de plantenwereld, is het inderdaad een buitengewoon
vernuftige en fraaie wijze van sporenverspreiding. Daar zou je
gemakkelijk alleen een heel hoofdstuk over kunnen schrijven, doch
het zou te ver voeren er diep op in te gaan. Wij willen hier alleen
zeggen, dat door die vervloeiing van hoed en plaatjes, die aan den
rand begint en steeds verder naar 't midden voortgaat, voortdurend
nieuwe deelen van de plaatjes in staat gesteld worden hun sporen
te laten ontsnappen. Het vervloeien dient alleen om afgewerkte,
onnut geworden deelen op te ruimen. De sporen rijpen n.l. 't eerst
aan den rand en het rijpen schrijdt ook van den rand naar 't midden
voort. Net als bij andere plaatzwammen, vallen de sporen uit den
hoed naar beneden en worden, tijdens die langzame nederdaling door
de luchtstroomingen weggevoerd; de vliegen hebben er niets mee te
maken en de zwarte inkt bevat weinig of geen sporen. Wie er nog aan
mocht twijfelen of het inderdaad zoo in zijn werk gaat, moet op een
inktzwam maar eens de lichtstraalmethode toepassen (zie blz. 45); als
hij dan voor zijn oogen, uit een druiperige inktzwam, een voortdurende
nederdaling van droge sporen waarneemt, zal het hem wel duidelijk
worden, dat de sporenverspreiding der inktzwammen inderdaad heel
wat mooier en vernuftiger is, dan men wel dacht, toen men aannam,
dat zoowat alle sporen met den inkt naar beneden dropen en zich daar
onder de zwam ophoopten.
Polyporaceën of Buisjeszwammen.
Bij deze ziet men aan de onderzijde van den hoed gaatjes: de
uitmondingen van buisjes. Deze buisjes zijn van binnen bekleed met het
kiemvlies, waardoor ook hier een aanmerkelijke oppervlaktevergrooting
tot stand komt. Deze kan, wat wel duidelijk is, nog veel grooter worden
dan bij de plaatzwammen; zij bedraagt b.v. bij de gewone vuurzwam
volgens de berekening van Buller 40, d. w. z. het oppervlak van het
kiemvlies, dat de buisjes van binnen bekleedt, is 40 × zoo groot,
als het geval zou zijn, wanneer het eenvoudig vlak over de onderzijde
van de zwam lag uitgespreid.
De hoeveelheid sporen, die d.g. zwammen voort kunnen brengen, is dan
ook geweldig groot, en dat is ook wel noodig ook, want van alle sporen,
die uitgestrooid worden, kunnen alleen die tot ontwikkeling komen,
die op een wondplek van een boom belanden; dat is dus maar een uiterst
gering percentage. Vooral geldt dit wanneer de zwam uitsluitend op één
boomsoort kan groeien, zooals b.v. de berkenzwam (Polýporus betúlinus,
No. 149 fig. 69).
Wordt nu door het buisjessysteem een buitengewone
oppervlaktevergrooting mogelijk gemaakt, er zijn toch ook nadeelen
aan verbonden.
Bij de plaatzwammen toch zien we, dat, wanneer de paddenstoel uit
den gunstigen stand gebracht is om zijn sporen te laten ontsnappen,
hij dit voor een deel weer kan corrigeeren; de plaatjes immers zijn
min of meer bewegelijk en kunnen zich weer "in 't lood" stellen als
de hoek niet al te groot is. Maar bij buisjes die aan alle zijden
vastzitten, is dit niet mogelijk.
In verband hiermede zien we dan ook, dat de standplaats der
buisjeszwammen gewoonlijk van dien aard is, dat wanneer ze zich eenmaal
ontwikkeld hebben en haar buisjes loodrecht ingesteld, er weinig kans
meer op is van "uit 't lood" gebracht te worden. We vinden ze n.l. veel
op boomen, hout, palen, enz. Men kan met de lichtstraalmethode zien,
hoe weinig men b.v. een zadelzwam (Pol. squamosus) uit den normalen
stand behoeft te brengen om den fraaien sporenregen onmiddellijk te
doen ophouden. Een afgesneden zwam toch, vertoont dezen nog uren lang
even goed als wanneer ze aan den boom zit, mits men slechts zorgt
dat de buisjes vertikaal staan. Eene kleine afwijking daarvan doet
onmiddellijk echter het verschijnsel ophouden.
Behalve deze "echte" Polyporeën brengt men tot deze groep ook de
Boleten (zie blz. 207); dit zijn vleezige grondpaddenstoelen, die
eveneens aan de onderzijde van den hoed buisjes hebben. De Boleten
zijn meestal door hun gedrongen vorm en dikken vasten steel gevrijwaard
tegen het gevaar van uit den gunstigen stand gebracht te worden.
Hiermede meenen wij voldoende den bouw der hoogere zwammen behandeld
te hebben.
Voor wie nog meer in de "finesses" daarvan wil doordringen, raden
wij de volgende werken o.a. aan:
A. de Bary: "Vergleichende Morphologie und Physiologie
der Pilze", Jena 1884.
Dr. F. v. Tavel, "Vergleichende Morphologie der
Pilze", 1892,
A. H. Reginald Buller: "Researches on Fungi. An Account of the
Production, liberation, and dispersion of the spores of hymenomycetes
etc." (Longmans, Green & Co., 1909).
HET INZAMELEN VAN PADDENSTOELEN VOOR DE STUDIE.
Moge ook de waarneming in de natuur nummer één zijn, voor een meer
nauwkeurige bestudeering en determinatie is het noodzakelijk de
voorwerpen in te zamelen en mede naar huis te nemen. Wil men zich
eene verzameling aanleggen of, (wat hoogst nuttig is en daarbij een
héél prettige bezigheid), aquarellen of teekeningen er van maken,
dan is het in de eerste plaats noodig te weten hoe het aan te leggen
om de zwammen zoo goed mogelijk thuis te krijgen. Dit nu is niet zoo
héél eenvoudig; paddestoelen zoeken, althans voor studie is vrij wat
omslachtiger dan het gewone botaniseeren, waarbij men met een gewone
trommel en plantenschopje al een heel eind komt. Eerst moge dus hier
een en ander volgen over de uitrusting van den mycoloog.
Een flinke groote trommel kan zeer zeker goede diensten bewijzen,
vooral voor kleinere soorten. Voor grootere is ze ongeschikt; een
ruim korfje of mandje, bij voorkeur een klapmandje, is dan vrijwel
onmisbaar. Ook een plantenschopje is er noodig om de paddenstoelen
uit te steken; men breke ze nooit af: belangrijke kenmerken kunnen
hierdoor verloren gaan, bovendien scheuren en splijten de stelen dan
licht. Sommige soorten hebben onder aan den steel een beurs, andere
zitten met een langen wortel in den grond, weer andere zijn gehecht
op voorwerpen, die in den grond verborgen zijn, bijv. dennenkegels,
vlinderpoppen en dergelijken. Op al die dingen dient men goed te
letten.
Heeft men nu nog een goeden voorraad papier, niet te hard,
b.v. kranten- of kastpapier, of wat nog beter is vloeipapier, dan
is men al een goed eind op streek; de meeste paddenstoelen kunnen
we nu, zoo uitgerust, inzamelen. Men neme ook nog een aantal kleine
doosjes, glazen buisjes of dergelijke mede om teerdere dingetjes in
te bergen. Met watteproppen of vloeipapier legt men deze vast.
Men gewenne er zich echter aan, steeds de voorwerpen, vóór men ze
inpakt, goed te bekijken en zoo noodig, eenige korte notities te maken:
niet zelden is het uiterlijk der paddenstoelen, na een excursie van
eenige uren, al merkbaar veranderd; vooral is het noodig zich er goed
rekenschap van te geven wat van onze vondsten tot éénzelfde soort
behoort: buiten is dit vaak gemakkelijk te beoordeelen, terwijl men,
thuis komend, zich wel eens afvraagt: wat hoort nu eigenlijk bij
elkaar, wat vond ik in elkaars onmiddellijke nabijheid, bij of op
welken boom vond ik ze ook weer? enz.
Wanneer het er nu om te doen is de voorwerpen zoo zuiver en
ongeschonden als dit mogelijk is, thuis te brengen--en hem, die er
zich aquarellen of foto's van wil maken, moet het daar wel om te doen
zijn--dient men ze met zorg te behandelen: voorzichtig uitsteken,
zooveel mogelijk van aarde reinigen en dan inwikkelen in papier,
liefst ieder exemplaar afzonderlijk. Zeer stevige, vaste soorten,
zooals b.v. sommige Boleten kan men wel zóó in het mandje bergen,
kleinere wel eens meerdere bijeen in een papier wikkelen of in een
zakje doen--doch in 't algemeen is het het beste ieder afzonderlijk
in te wikkelen. Goed ingepakt kan men ze dan vrij stevig tegen elkaar
aandrukken in het mandje. Zooveel mogelijk zorge men er voor, dat
zware exemplaren onderin komen te leggen, de lichte daar bovenop. Men
slepe vooral in het begin niet te veel soorten tegelijk mee naar huis,
en neme zooveel doenlijk van iedere soort eenige exemplaren mede,
liefst in verschillend stadium. Dán heeft men goede kans op succes
met determineeren en men kan zich een mooie foto of teekening maken,
die inderdaad een goed beeld geeft van de soort.
Dit alles geldt in de eerste plaats voor de op den grond groeiende
paddenstoelen. Gaat men er op uit om ook boomzwammen, Polyporeeën
en dergelijke te verzamelen dan wordt de zaak moeilijker; dit is
dikwijls een ware sport, waarbij mes, zaag en zelfs bijl er aan te pas
moeten komen: een stevig mes, liefst zoo een, waarvan men 't lemmet
kan vastzetten, b.v. een zoogenaamd Zweedsch mes, een korte zaag met
dubbele snede, voor levend of sappig rottend hout, zijn gemakkelijk mee
te dragen; als 't ruwe geweld van de bijl er aan te pas moet komen,
zooals bijv. bij de vuurzwam (F. igniárius No. 162) is er misschien
een padvinder bij de hand, die zijn bijl wil afstaan. Een ladder,
vaak beslist onmisbaar, geeft soms de grootste moeilijkheden en
moet van de naastbijzijnde woning aangesleept worden; niet zonder
levensgevaar heb ik wel eens een Zwavelzwam (No. 150) uit den boom
gehaald, die met een 28-sports ladder nog juist te bereiken was. Een
binocle kan dan soms zijn diensten bewijzen, om eerst eens te zien
of het ding inderdaad waard is er zijn leven voor te wagen... Heeft
men de boomzwammen bemachtigd, dan behoeft men er gewoonlijk heel wat
minder égards voor te hebben; ze zijn meest veel vaster en steviger
dan de paddenstoelen, die op den grond groeien... Men verzuime niet er
goed acht op te geven, waarop men ze vond, en trachte ook bij doode
stompen of palen uit te maken wat het voor hout is; ook dit kan van
belang zijn voor de determinatie.
Het bestudeeren thuis.
Wie aandachtig het voorafgaande hoofdstuk gelezen heeft en zelf
eens goed rondkijkt in de paddenstoelen, zal er gauw genoeg oog
voor krijgen, waarop hij zooal acht moet geven, om ze goed te leeren
kennen en te determineeren. Ook vindt de lezer in de inleiding tot
het gebruik der tabellen een en ander wat hem op weg zal helpen--wij
kunnen hier dus volstaan met enkele korte aanwijzingen. In de eerste
plaats late men zijn paddenstoelen niet lang ingepakt staan; thuis
gekomen, is het zaak, mand en bus spoedig te ontpakken en den inhoud
op een tafel uit te leggen. Het spreekt vanzelf, dat het wenschelijk
is het vergankelijke materiaal zoo gauw mogelijk onderhanden te nemen;
moet men dit echter eenigen tijd uitstellen, dan is het beter, dat
de paddenstoelen uitgepakt zijn, daar ze anders zeer snel schimmelen
en tot rotting overgaan. (Daarom is het ook noodig bij verzending de
paddenstoelen niet in te pakken in vochtig mos of iets dergelijks maar
eenvoudig goed ingewikkeld in dun papier). Men lette er op, of soms
op de pakpapiertjes sporen gevallen zijn; het is gemakkelijk als men
de kleur daarvan reeds aanstonds kan beoordeelen. (Zie ook blz. 141,
inl. tot de tabellen). Is dit niet het geval, dan plaatst men de
exemplaren, waar men sporen van wil hebben, met den hoed horizontaal op
papier; het is niet noodig hiertoe den steel af te snijden: Men knipt
eene opening in het papier en steekt den steel daardoor en plaatst dan
dezen in een flesch of iets dergelijks. Is dit bijv. door een dikken
knol bemoeilijkt dan maakt men er een insnijding in op deze wijze
(fig. 15a) en plaatst nu den paddenstoel met het papier er onder in
een stopflesch of tusschen een paar doozen, stapels boeken of iets
dergelijks. Verwacht men gekleurde sporen, dan is wit papier het
aangewezene, voor witte sporen blauw of zwart; heeft men in 't geheel
geen vermoeden, dan maar half om half. Wil men "de sporen-figuren"
fixeeren en bewaren om ze in de verzameling te brengen, dan dienen ze
nog met meer zorg opgesteld te worden (zie blz. 81). Komt het er niet
op aan om een exemplaar te verliezen, dan is het 't eenvoudigste den
steel er af te snijden en den hoed zoo op 't papier te leggen. Behalve
de kleur, is ook de vorm en grootte der sporen een zeer belangrijk
kenmerk. Om dit te kunnen beoordeelen is echter--evenals voor alle
microscopische kenmerken der paddenstoelen--een zeer goed microscoop
noodig. Terwijl men bij de studie der mossen al heel veel pleizier kan
hebben van een heel eenvoudig instrumentje, is dit bij de paddenstoelen
geheel waardeloos. Daar nu een goed, sterk vergrootend microscoop
slechts in het bezit van weinigen is, hebben wij uit dit boekje alle
"microscopie" geweerd; wij willen hier alleen nog even zeggen, dat
deze in de laatste jaren ook voor de studie der paddenstoelen van
groot belang geworden is. Doch ook zonder dit kan men het een heel
eind sturen--mits men vier van de vijf zintuigen flink aan 't werk
zet; alleen de ooren kan je er wel bij missen. En dan geldt verder
in hoofdzaak wat we al vroeger gezegd hebben: als 't kan niet op één
exemplaar blijven hangen, jonge en oude vergelijken, geur en smaak met
aandacht beoordeelen, geaardheid van het vleesch en verder al die,
min of meer vage kenmerken, die juist bij de paddenstoelen-studie
van zooveel belang zijn.
Tast-, smaak- en reukwerk is 't in hooge mate en daarom vreemd voor
hem, die gewend is meeldraden te tellen, verspreide van overstaande
bladeren te onderscheiden enz., maar juist in dit ietwat vage en
ongrijpbare ligt voor menigeen een eigenaardige bekoring. En het is
wel of de voldoening nog veel grooter is, wanneer je dan ten slotte
de zekerheid hebt er nu werkelijk goed achter te zijn.
Een heel belangrijk ding is voorts bij de studie het maken van
gekleurde teekeningen. Hierover echter in het volgende hoofdstuk.
DE VERZAMELING.
Het kwam ons voor, dat een stukje over het aanleggen van eene
paddenstoelverzameling hier niet mocht ontbreken. Wij weten heel
goed, dat lang niet alle natuurvrienden gunstig gestemd zijn voor het
"verzamelen", dat er wel onder zijn, die het geheel verouderd--ja
uit den booze!--achten.
Het is hier de plaats niet, om deze vraag uitvoerig te bespreken. Wij
zijn de laatste om te ontkennen, dat het dikwijls ernstige
schaduwzijden heeft en dat vooral verschillende "ontaardingsvormen"
ons antipathiek zijn. Doch aan den anderen kant blijft het voor ons
een feit, dat het aanleggen eener verzameling mits met verstand en
overleg gedaan, een prettig en onderhoudend werk is en bovendien
een van de belangrijkste hulpmiddelen bij de natuurstudie. Híérvan
moet ieder doordrongen zijn: de verzameling moet hulpmiddel blijven,
niet doel worden. Eerbied en liefde voor de natuur moet ons leiden;
dan zullen we steeds sparen waar dit noodig is en zonder al te
veel hartzeer een groote zeldzaamheid laten staan. Liever dan maar
een leemte in onze collectie--of beter nog: een goede teekening of
photo--dan het besef het onze er toe bijgedragen te hebben om een
interessante plantensoort te helpen uitroeien.
Hiermede zit ik ook opeens midden in mijn onderwerp, want ik bedoel
hier onder "verzameling" alles samen te vatten, wat maar op een of
andere wijze iets van den paddenstoel vastlegt, ieder "document"
dus dat tot steun van onze herinnering kan dienen, een photo dus,
zoowel als een sporenfiguur, een aquarel, zoo goed als een zwam
"op sterk water."
Bij de paddenstoelen toch is dat aanleggen van eene goede
studieverzameling lang geen eenvoudige zaak, en men moet eigenlijk
ieder hulpmiddel aangrijpen om iets van het vergankelijke goedje vast
te houden. Die moeilijkheid van het conserveeren heeft ongetwijfeld
remmend gewerkt op de studie van de paddenstoelensystematiek en is
mede ook wel de oorzaak van veel verwarring op dit gebied. Vergelijk
hierbij b.v. eens de kevers.
Wanneer iemand onze kevers bestudeert, kan hij met betrekkelijk
geringe moeite zich een uitgebreide collectie aanleggen; hij kan zich
van iedere soort langzamerhand geheele reeksen verzamelen, waaraan hij
steeds zelfs uiterst minitieuse verschillen kan bestudeeren. Ten allen
tijde kan hij er nauwkeurige teekeningen van maken; ruil met anderen,
daardoor uitwisseling van inzichten over den juisten naam en de
plaats in het systeem zijn hoogst gemakkelijk. Ieder zal onmiddellijk
begrijpen, dat, wil men ditzelfde doorvoeren bij de paddenstoelen,
men op zéér groote bezwaren stuit, grooter haast dan bij eenige andere
groep van organismen. Hoe hier het vergankelijke wezen te conserveeren,
hoe iets vast te houden van de vaak zoo wisselende gevoelige kleuren,
hoe de dikwijls kenmerkende eigenschappen van de substantie, den geur
en den smaak vast te leggen?
Het lijkt een onbegonnen werk; de grondleggers van de mycologie hebben
dan ook weinig verzameld en zich meer bepaald tot het maken van groote
plaatwerken. Hieronder zijn ware prachtwerken. Wie b.v. gelegenheid
heeft in Teyler's bibliotheek de werken van Bulliard, Bolton, Sowerby,
Schaeffer, allen gegraveerde en uit de hand gekleurde platen, te gaan
bezichtigen, kan ik dit sterk aanraden.
Teekenen en fotografeeren.
Het verdient aanbeveling het spoor dezer oude mycologen te volgen. Wie
eenig talent voor teekenen heeft legge er zich op toe vlugge, rake,
kleurenschetsen te maken, en heeft hij veel vrijen tijd, ook meer
afgewerkte, nauwkeuriger teekeningen. Het groote nut hiervan om de
dingen goed te zien en in zich op te nemen, behoeft geen betoog. Als
"document" heeft echter misschien een goede scherpe photo nog grooter
waarde. Weliswaar mist men hier de kleur, maar den vorm en de fijne
details kunnen dan ook volkomen zuiver worden weergegeven. Zoo kan
men b.v. op de oorspronkelijke foto van de bruine anijszwam (fig. 63)
met de loupe zeer goed de fijne tandjes aan de plaatjes zien, die
zoo kenmerkend voor 't geslacht Lentinus is. De reproductie hier is
natuurlijk ongeschikt om met de loupe bestudeerd te worden, doch er
zijn andere procédé's, waarbij al de fijne details goed zichtbaar
blijven; dan zou echter ons boekje veel te duur worden. Dergelijke
foto's kan men alleen thuis, onder gunstige omstandigheden, die
men zelf, tot op zekere hoogte, in de hand heeft, maken. Zij zijn
van groote waarde en vormen m.i. een belangrijk onderdeel van de
verzameling. Vooral ook stereoscoopfoto's vind ik in dit opzicht
nummer één. Afgezien van de kleur, kan men in den stereoscoop bijna
den indruk krijgen den paddenstoel in werkelijkheid voor zich te
zien. Een rake kleurenschets is dan een mooie aanvulling.
Ook kan men goede, contrastrijke foto's met bepaalde (terpentijn-)
kleurstoffen kleuren, en zoo wel aardige resultaten krijgen... Ge
verwondert u, dat ik zwijg van de kleurenfotographie; ik heb er
zelf nog niet aan gedaan en vind het, zoolang men er nog alleen
glaspositieven van maken kan en ze niet in onbepaald aantal
kan afdrukken, nog niet dát; ik kan ook niet zeggen, dat mijne
verwachtingen voor de toekomst er van hoog gespannen zijn... doch ik
denk daar aan den man, die, toen de eerste trein reed, beweerde, dat
dit vervoermiddel nooit van groot belang zou worden voor 't verkeer,
en dat was toch niet de eerste, de beste!
Ten onrechte m.i. zijn sommigen van meening, dat het thuis
fotografeeren van paddenstoelen weinig waarde zou hebben of een
vervelend werkje zou zijn. Het tegendeel is waar. Het voorkomen
van paddenstoelen in de natuur, meestal laag en bij den grond en
niet zelden nog min of meer verborgen tusschen andere planten,
dorre bladeren, enz. is oorzaak, dat men buiten zelden een goede
gedetailleerde foto kan maken, wil men niet veel wijzigen en wegnemen,
waardoor het beeld onnatuurlijk wordt. Thuis kan men er eenige, liefst
van verschillenden leeftijd, in verschillenden stand opstellen en zoo
fotografeeren. Natuurlijkheid is dan geen eisch, het is er alleen om
te doen om zooveel mogelijk de kenmerken van de soort op één plaat
te vereenigen.
Niettemin hebben ook goede natuuropnamen hunne waarde; geven
zij gewoonlijk een minder volledig en gedetailleerd beeld van de
paddenstoelen, zij hebben weer het groote voordeel, dat zij deze
in hunne natuurlijke omgeving weergeven; maar dan is het ook zaak
zoo weinig mogelijk te wijzigen of weg te nemen, opdat het beeld
een zuivere natuuroorkonde zij. Zulke oorkonden zijn b.v. de fraaie
foto's van Dr. van der Sleen, (zie fig. 49) en van mejuffrouw Bijl
(zie fig. 87).