Met deze verklaring klopt ook zeer goed, dat men de meest

verschillende soorten in kringen aantreft. Zoo ziet men op fig. 22

een van die reuzenheksenkringen afgebeeld, zooals de weide-kringzwam

(Marásmius oréades) die op gazons en weiden vaak vormt; fig. 5 stelt

een kring van aardsterren voor; doch nog vele andere soorten: de

nevelzwam (Clit. nebuláris) Fig. 27, boleten enz. kan men in kringen

aantreffen. Fig. 6 toont ons duidelijk den groei van zoo'n heksenkring

van de prachtige paarse ridderzwam (Tricholóma núdum). De middelste

kring van zwarte stippen geeft den toestand aan op 7 Nov. 1909. Er

waren er toen ongeveer 24 in een ring van 2.4 × 1.9 M. De krans

van open kringetjes daarom heen toont ons hoe het een jaar later

(13 Nov. 1910) was: Ruim 150 stonden er toen in een kring van 3.92

× 3.64 M. En nog een jaar later (4 Nov. 1911) stonden er ruim 230

in een reuzenkring van 5.54 × 5.28 M. (Buitenste krans van zwarte

stippen). De snelle en regelmatige groei van een zwamvlok, die zich

hier in een vrijwel gelijken voedingsbodem, gelijkmatig met dorre

bladeren bedekt ontwikkelde, is hieraan duidelijk waar te nemen. Alleen

vooraan in 't midden van de figuur is een plek waar de paddenstoelen

bijna geheel ontbreken; hier hield hoogere grond en minder blad, de

ontwikkeling van de zwamvlok tegen. Maken we dus deze beschouwing

tot de onze, dan kunnen we zeggen, dat de kring-vorm de normale

groeiwijze is van (zeer vele) aardpaddenstoelen, doch dat er zeer

vaak storende invloeden aanwezig zijn, die de kringen, in slingers,

reeksen of afzonderlijke groepen oplossen. Houdt men dit in 't oog,

dan zal men spoedig opmerken, dat er heel wat heksenkringen zijn,

die de meeste wandelaars onopgemerkt voorbij gaan.

Vinden we die heksenkringen in weilanden en gazons dan kunnen we, als

de paddenstoelen het tijdelijke weer met het eeuwige verwisseld hebben,

daar leelijke bruine, in plaats van groene grasplekken terugvinden. De

groei van het mycelium en de opbouw der paddenstoelen heeft plaats

gehad ten koste van het gras. In bosschen is deze nadeelige werking

niet waar te nemen en is het mycelium een echte opruimer van de

rottende stoffen.

Ja, zelfs bestaat er sinds eenige jaren bij de onderzoekers hieromtrent

een sterk vermoeden, dat de paddenstoelendraden of het mycelium die

den boom inwendig zoo geheel kunnen uitzuigen, als zij uitwendig

om zijn wortels voorkomen, deze voor uitdrogen behoeden. Men heeft

opgemerkt en ondervonden dat, als men bij boomen die verplant worden,

de wortels van die draden ontdeed, de boom niet of lang zoo goed niet

aanzette, als wanneer men ze er om heen liet zitten.

Toch is tot dusverre, over die zoogenaamde mycorrhiza van boomwortel en

zwamdraden nog betrekkelijk weinig bekend, ook of die draden werkelijk

behooren tot het mycelium van de paddenstoelensoorten, die onder of

in de nabijheid van die boomen te voorschijn komen. (Zoo vindt men,

als vast-voorkomende zwammen, onder Naaldhout de boletensoorten,

onder beuken de Russula's). Wel weet men met zekerheid te zeggen,

dat de eigenaardige, vochtige boschgeur, voornamelijk afkomstig is

van het "zwamvlok" van de echte paddenstoelen.

Bekend is het ook, dat het paddenstoelen-mycelium jarenlang in

den grond kan voortkruipen zonder vruchtlichamen omhoog te zenden,

terwijl daarentegen bij sommige soorten, zoo o.a. bij de mestzwammen,

de ontwikkeling van spoor tot spoor zich in enkele weken kan afspelen.

Het voornaamste wat 't paddenstoelen-mycelium der aardzwammen

voor zijn groei behoeft is vocht. Zonder vocht geen groei en geen

vruchtlichamen. Zoo zien wij ze dan ook 't meest in vochtige tijden

van overvloedige regens en sterken dauw en vooral als zulke tijden

volgen op warme, droge tijden. Men heeft n.l. opgemerkt, dat het

zwamvlok juist na gedeeltelijke uitdroging en daarop volgenden

grooten vochttoevoer, tot vruchtvorming geprikkeld wordt en daar die

uitdroging vooral in de warme zomermaanden plaats heeft, zien wij de

meeste soorten in den daaropvolgenden herfst te voorschijn komen.

Wanneer wij nu van het mycelium afstappen en overgaan tot de

beschouwing van de eigenlijke paddenstoelen, dan moeten we steeds in

het oog houden, dat dit feitelijk niets anders zijn dan:

Organen voor de vorming en verspreiding van de sporen.

Dat is iets wat de wandelaar, die achteloos den paddenstoel omtrapt

niet bedenkt, hij meent dat ze daar werkeloos, niets-nut er bij

staan en toch, ze zijn in volle actie! Neem eens een gewonen rijpen

champignon en leg dien op een stuk wit papier met de plaatjes naar

onderen. Laat dat een nacht zoo liggen en kijk dan eens: het geheele

papier is met een donker paars-bruin poeder bedekt; millioenen

uiterst fijne sporen zijn er in dien tijd uitgevallen. Nog veel

mooier kunt ge dat zien als ge uw champignon in een volkomen duister

vertrek brengt en dan terwijl ge hem goed rechtop houdt, dus den

hoed horizontaal, er een sterken lichtbundel op richt. Dan ziet ge

voor uw oogen de sporen eruit vallen: een uiterst fijne sporenregen

daalt er voortdurend uit neer! Het verwondert u misschien, dat ge

dit met 't bloote oog zien kunt, daar immers de sporen zoo klein

zijn, maar ge moet bedenken, dat iedere spore het licht terugkaatst

en daardoor een lichtend puntje wordt. Zoo ziet ge ook de stofjes

dwarrelen in een zonnestraal. En er vallen er geen klein beetje

uit! Volgens berekeningen en tellingen van een Engelschman, Buller,

die zich veel met die dingen heeft bezig gehouden, brengt een flinke

champignon ± 1800 millioen sporen voort in 48 uur, dat is dus ruim

10.000 per seconde! Dat kan er dus wel mee door. Ge begrijpt wel,

als ge ziet, dat die sporen, daar onder uit den hoed komen vallen,

dat ze daar aan den onderkant op die plaatjes gevormd worden. Dat

is bij heel veel paddenstoelen het geval, bij de meeste mag ik wel

zeggen. Maar nu hebt ge zeker wel eens buiten die z.g. stuifballen,

"pufballs" gezien, ongeveer ronde zwammen, die wanneer ge er tegen

trapt, een fijne stofwolk doen opstuiven. Als ge zoo'n ding bekijkt,

ziet ge, dat het een vrij harden stevigen wand heeft en daar binnen

geheel opgevuld is met de donkere sporenmassa. Hier worden dus de

sporen binnen in de zwam gevormd, die open moet gaan om deze te laten

ontsnappen. Dat is iets wat nu haast een ieder wel eens gezien heeft,

maar een fijner opmerkingsgave is er noodig om een ander verschijnsel

waar te nemen, wat die kom- en schotelvormige zwammetjes, die men

samenvat onder den naam Peziza's te zien geven. Hier kan men een

fijn stofwolkje omhoog zien stijgen, en wie heel goede ooren heeft,

kan daarbij een heel zacht geruisch waarnemen; 't is alsof er een

plotselinge ontbranding, ontlading plaats vond, en feitelijk is dat

ook zoo. Ge begrijpt wel, dat dit ijle stofwolkje ook weer de sporen

zijn, die hier dus aan de bovenzijde van het napje gevormd worden.

Dit zijn de drie hoofdtypen van de sporenvorming bij de hoogere

paddenstoelen: aan de onderzijde, aan de bovenzijde, of binnen in het

vruchtlichaam. Voor wij hier verder op in gaan, willen wij trachten

een inzicht er in te krijgen, welke plaats die "hoogere" zoo ongeveer

innemen in het plantenrijk en geven daarom het volgende

Kort overzicht van de groep der schimmels of Fungi.

Wanneer wij den naam "Schimmels" (Fungi) in den ruimsten zin opvatten

en er al die plantaardige organismen onder vereenigen, die het

bladgroen missen en zich dus saprophytisch of parasietisch voeden,

dan vormen deze een zeer groote groep van sterk uiteenloopende

wezens. Vroeger deed men dit meestal en bracht er zelfs geheel

afwijkende organismen als bacteriën "splijtzwammen" en slijmzwammen

bij onder.

Nu is de naam "splijtzwammen" (daaraan ontleend, dat zij zich

vermenigvuldigen, door zich eenvoudig in tweeën te verdeelen) alleen

heel ongeschikt voor die uiterst kleine eencellige organismen,

waarvan de meeste niet veel meer, dan 0,001 mM. groot zijn.

Niet alleen door hunne geringe grootte, maar ook door tal van andere

eigenschappen, wijken zij van de zwammen--ja, van alle andere levende

wezens af. Zoo is het nog niet eens bewezen of zij in hun eencellig

lichaam een kern bezitten, die "centrale", die men anders steeds in

de cellen van planten en dieren aantreft.

Ook de Slijmzwammen (Myxomyceten) hebben met de paddenstoelen eigenlijk

niets uit te staan. Waarschijnlijk zelfs zijn het in 't geheel geen

planten, maar staan zij dichter bij het dierenrijk.

Dit zou men nu wel niet zoo op 't eerste gezicht zeggen: wanneer ik

u hier of daar aan een houten paal een platten halven bol wijs van

de grootte van een gulden, die binnen in een zilverig korstje niets

bevat dan een bruine sporenmassa, en ik vertel u, dat dit "eigenlijk

een dier" is, dan zal u dat misschien nog vreemder voorkomen, dan

toen ge voor 't eerst vernam, dat een spons "eigenlijk geen plant"

maar een dier is. In rijpen staat gelijken al die slijmzwammen al heel

weinig op beesten, maar meer op schimmels en zwammen, ja, er zijn er

bij, zooals bovengenoemde, die zooveel overeenkomst vertoonen met

bepaalde stuifzwammen, dat ze vroeger veel in één geslacht er mee

vereenigd werden. Toch zijn het totaal andere dingen; hun geheele

bouw en levenswijze wijst daarop. Zoo doorloopen ze, om maar iets te

noemen, eerst een stadium, waarin ze weeke, slijmerige massa's vormen,

die zich zelf bewegen en verplaatsen kunnen, en vaste voedseldeeltjes

in zich opnemen door hen te omvloeien met hun weeke plasmalichaam

("plasmodium"), zooals sommige lagere diersoorten dit doen en geheel

afwijkend van de levens- en voedingswijze der planten. Wij laten dus

ook deze slijmzwammen, die een omvangrijke groep vormen met een groote

verscheidenheid van soorten, verder rusten.

Wanneer wij nu de bacteriën en de slijmzwammen afzonderen, houden we

nog een groot aantal groepen, met duizenden soorten over, die, hoe

uiteenloopend ze ook mogen zijn, zich gevoegelijk laten vereenigen

tot één groote afdeeling:

De schimmels of Fungi.

Dit zijn alle bladgroen-looze planten, wier geheele vegetatie-lichaam

bestaat uit een mycelium; de fijne draden, waaruit dit is samengeweven

noemt men hyphen. Bij de lagere schimmels zijn die hyphen niet door

dwarswandjes in cellen verdeeld, doch vormen een ongeleed geheel

van fijn vertakte buizen, waarin talrijke kleine kernen liggen. Men

vereenigt deze lagere schimmels met ongeleed mycelium tot de

1º. klasse: Phycomyceten of wierzwammen.

Wij hebben er reeds eenige vertegenwoordigers van leeren kennen bij

de zieke-plantenschimmels; zoo van de familie der Peronosporeeën:

Phytophthora infestans (zie aardappelziekte blz. 11) en Albugo candida

(zie blz. 11).

Dan hooren hiertoe de insektendooders, die de familie der

Entomo-phthorineeën vormen. (Dat barbaarsche woord beduidt precies

hetzelfde). Wij zagen hiervan een voorbeeld bij de kamervliegschimmel

(Empusa Muscae, blz. 6). Ook de familie der Saprolegniaceeën,

waterbewoners, waaronder zoowel saprophieten als parasieten zijn,

wordt hiertoe gebracht. Hiertoe behooren o.a. die schimmels, die op

visschen woekeren (zie blz. 8) en daardoor soms zeer schadelijk worden.

Het meest bekend zijn echter de gewone Schimmels, die de familie der

Mucorineeën vormen. De meest gewone witte schimmel (Mucor Mucedo),

die brood en allerlei andere organische stoffen doet beschimmelen,

is aan ieder bekend.

Wij moeten nu nog even de gistsoorten (Saccharomyceten) vermelden. Deze

vormen voor het meerendeel geen myceliën. De gewone biergist

b.v. (Saccharomyces cerevisiae), bestaat geheel uit kleine ronde

cellen. In een geschikte voedingsvloeistof, b.v. suikeroplossingen,

gaan deze uitspruiten en zoo ophoopingen van losjes samenhangende

cellen vormen. De biergist is een "cultuurplant", die in verscheidene

rassen gekweekt wordt, doch niet in het wild gevonden wordt; de

wijngist (Saccharomyces ellipsoideus) wel. Alle overige hoogere

schimmels, zwammen, paddenstoelen enz. nu worden vereenigd tot de:

IIº. klasse: Eumyceten [1] of Draadzwammen.

In tegenstelling met de wierzwammen bezitten deze een geleed mycelium,

d.w.z. in de draden (hyphen) bevinden zich dwarswandjes, waardoor

zij in cellen verdeeld worden. Vele ervan worden ook veel grooter en

brengen het tot omvangrijke massale vruchtlichamen. Een groot aantal

families behooren ook tot deze klasse, die naar het verschillend

inzicht der onderzoekers op verschillende wijzen gegroepeerd

worden. Wij zullen ons daarmede niet vermoeien, doch willen slechts

even de hoofdgroepen vermelden. Wij noemen dan eerst, als laagste onder

deze hoogere, de familie der Ustilagineeën of brandzwammen (blz. 18)

en de familie der Uredineeën of roestzwammen (blz. 19). Wij hebben

van dit kwaadaardig goedje reeds een en ander verteld.

De groote massa, die dan nog overblijft, wordt verdeeld in twee

onderklassen:

1º. onderklasse: Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Hierbij worden de sporen gevormd in Asci, d.i. buisvormige zakjes,

waarbinnen in de sporen (meestal 8) gevormd worden, (zie fig. 2). De

rijpe ascus opent zich aan den top en de sporen worden naar buiten

geschoten. De asci liggen meest aan de boven-(buiten)zijden der

vruchtlichamen.

2º. Onderklasse: Basidiomyceten of Steeltjeszwammen.

Hierbij worden de sporen gevormd aan z.g. basidiën, min of meer

knotsvormig verlengde cellen, die aan hun top vier spitsjes dragen

(zie fig. 7). Hieraan ontwikkelen zich de sporen; bij rijpheid vallen

ze af. De basidiën liggen meestal aan de onderzijde der vruchtlichamen

(b.v. bij de gewone paddenstoelen op de plaatjes) of wel er binnen in,

zooals bij de stuifballen en aardsterren.

De Basidiomyceten zijn voor ons verreweg de belangrijkste; 260 van

de 278 in dit boek beschreven soorten behooren er toe. Nemen wij dus

eerst even de

Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Van de lagere Ascomyceten hebben we eveneens reeds voorbeelden gezien

bij de zieke plantenschimmels.

De familie der Exoasci ontmoeten we bij de "elzenvlag" (Exoascus

alnitórquus, zie blz. 14).

De familie der Erysipheeën of meeldauwschimmels leerden we kennen in

den eikenmeeldauw (blz. 16).

Ook van de familie der Pyrenomyceten of Kernzwammen bespraken wij reeds

eenige soorten. Bij deze groep ontmoeten we voor het eerst grootere

vruchtlichamen, voor 't eerst iets wat op zwammen begint te gelijken.

We zagen dit reeds in de kleine paddenstoeltjes, die bij het

Moederkoorn (Claviceps purpurea), uit het sklerotium groeien. Op

Pl. 1 fig. 1 zagen we op de doorsnede bij d ook de kleine holten,

de z.g. peritheciën, wier wand met asci bekleed is. Zulke peritheciën

zijn typisch voor de Pyrenomyceten.

De op de aarde groeiende, zwartachtige knotsjes van de aardtong

(Geoglóssum glábrum, No. 14), en de op hout groeiende Xylaria's

(No. 15 en 16) behooren hiertoe.

De eerste, de Geweizwam, (fig. 44) heeft de peritheciën in het

onderste, zwarte gedeelte; de toppen zijn wit bestoven door eene geheel

andere sporenvorming, de z.g. conidiën. Eene dergelijke voortplanting

door verschillende soorten van sporen is bij de zwammen vrij algemeen.

De familie der Discomyceten of bekerzwammen omvat de hoogste vormen

onder de Ascomyceten; ook hiervan vindt men een groot aantal soorten,

op de aarde, tusschen mos en op allerlei plantenafval. In hoofdzaak

vertoonen zij alle hetzelfde type: het zijn napjes of bekers (Pl. 1

fig. 5a) zittend, of korter of langer gesteeld en aan de bovenzijde

geheel met asci bezet. De prachtige oranje bekerzwam (Pezíza aurántiaca

No. 1) en het aardige eikeldopzwammetje (Pezíza fructigéna No. 8

fig. 39) zijn een paar voorbeelden van deze groep. Het is vooral bij de

grootere aard-peziza's, dat men het plotseling gelijktijdig opschieten

van een groot aantal asci kan waarnemen. De beteekenis hiervan is wel

duidelijk: de uiterst kleine sporen, eenmaal de lucht ingeschoten,

dalen slechts heel langzaam en worden dus door de luchtstroomingen,

die altijd langs den grond strijken, meegevoerd en zoo verspreid.

De hoogst ontwikkelde van deze groep, de morieljes en "kluifjeszwammen"

kan men beschouwen als samengestelde bekerzwammen, waarbij de beker

sterk gelapt en gevouwen is (zooals bij de laatste) of wel zoo

sterk geplooid, dat er een groot aantal kleine kommetjes ontstaan

(morieljes); ook deze dragen aan de buitenzijde de asci.

In tegenstelling met de Ascomyceten brengen de

Basidiomyceten of Steeltjeszwammen

de sporen aan hun onderzijde voort. Hier is het dus meer een passief

uitvallen van de sporen.

In verband hiermede zien we bij de basidiumzwammen de vruchtlichamen

meestal verheven op kortere of langere stelen, òf wel als horizontaal

uitstekende tafeltjes of consoles aan boomen, palen, enz. Hier moeten

dus de luchtstroomingen tijdens den val van de sporen er vat op

krijgen en ze wegvoeren. Doch ook hier is dit vallen slechts een zéér

langzaam dalen. De sporen van de eiken-collybia (Collýbia dryóphila,

No. 200), heeft, wanneer het steeltje slechts 4 cM. lang is, nog

1,5 minuut noodig om den grond te bereiken en wanneer een Zadelzwam

(Polýporus squamósus, No. 147) 4 M. hoog in den boom zit, doen de

sporen ruim een uur er over. In dien tijd kunnen zij reeds zéér ver

verspreid worden. Zoo wordt het ook duidelijk waardoor wij zoo zelden

in de natuur sporenophoopingen onder de paddenstoelen vinden; alleen

wanneer b.v. dorre bladeren vlak onder de hoeden opgehoopt zijn,

ziet men het wel; ook wanneer vele hoeden dicht op een kluit zitten,

vindt men vaak op de lagere de sporen uit de hooger gelegen hoeden.

Bijna alle paddenstoelen in dit boekje behandeld, zijn

basidiomyceten. Het is een groote groep, die vele, sterk uiteenloopende

vormen omvat. Een overzicht van de tot beide groepen behoorende

zwammen vindt men in de tabel op blz. 152 en 162. Het eenige voor

alle doorgaande kenmerk is het basidium, en dat is alleen met 't

microscoop te zien. Wij verdeelen deze groep in twee klassen:

De Hymenomyceten of vlieszwammen, waarbij de basidiën vrij aan de

buitenzijden, (vnl. onderzijde), van het vruchtlichaam liggen.

De Gasteromyceten of buikzwammen, waarbij de basidiën binnen in het

vruchtlichaam liggen.

Het is natuurlijk onmogelijk in dit boekje al deze groepen uitvoerig

te behandelen. Wij moeten volstaan met de hoofdkenmerken der families

te vermelden en zullen daarbij hoofdzakelijk dát noemen, wat voor de

praktijk van het paddenstoelen determineeren belangrijk is.

Beginnen we met de

Hymenomyceten of vlieszwammen.

Deze ontleenen hun naam hieraan, dat de basidiën, dicht naast

elkaar staande, een aaneengesloten geheel vormen, het hymenium of

kiemvlies geheeten (fig. 8). Tusschen de basidiën staan overal andere

cellen in, de cystiden, die bij sommige soorten eigenaardige vormen

hebben, zóó karakteristiek dat men hieraan alleen de soort herkennen

kan. Natuurlijk alleen met een goed microscoop, daarom zullen we er

niet lang bij stil blijven staan. Op fig. 7 ziet men een dergelijke

cystide, die hier boven het hymenium uitsteekt en aan den top verdikt

is. Dit kiemvlies bekleedt nu de onderzijde van de vruchtlichamen

der vlieszwammen geheel.

Bij een gewone plaatzwam bijv. zijn het dus de lamellen, die er mede

overtrokken zijn; bij de buisjeszwammen zijn de buisjes er van binnen

mede bekleed, bij de stekelzwammen overtrekt het de stekels, bij de

koraalzwammen zijn de takken er mee bedekt.

Vragen we ons af wat wel de beteekenis is van die plaatjes, gaatjes

en stekels dan doen we goed eerst eens even onze aandacht te geven

aan de allereenvoudigste vormen onder de vlieszwammen:

De Thelephoraceeën of korstzwammen.

(Pl. 2, fig. XIII, ook fig. 9 en 111).

De naam zegt ons reeds, dat dit eenvoudige korstvormige zwammen

zijn. Men kan ze in vele soorten op hout, dorre takken en dergelijke

aantreffen.

De laagste van deze Thelephoraceeën bestaan altijd alleen uit een

korst, die met de eene zijde geheel tegen de andere laag (schors,

hout) is vastgegroeid. (fig. b 2) De vrije zijde, (o.z.) meestal

naar onderen gekeerd, draagt hier het kiemvlies. Deze zwammetjes

zijn dus als 't ware met haar bovenzijde vastgegroeid; de onderzijde

vertoont niets wat op plaatjes, gaatjes of iets dergelijks gelijkt;

het kiemvlies ligt vlak uitgespreid. Het is duidelijk dat het hierdoor

meer aan beleedigingen is blootgesteld; doch er komt nog iets bij. In

't algemeen is het natuurlijk waar, dat het voor de voortplanting

van de zwam van belang is, zooveel mogelijk sporen voort te brengen,

vooral wanneer zij bijzondere eischen stellen voor hunne ontwikkeling

en dus een groot deel verloren gaat. Het aantal sporen hangt af van

het aantal basidiën en nu is het wel duidelijk dat, naarmate het

kiemvlies meer oppervlakte beslaat, ook in diezelfde mate sporen

voortgebracht kunnen worden. Door nu het kiemvlies sterk te plooien

wordt het oppervlak zéér vergroot; we zullen aanstonds zien, dat die

oppervlaktevergrooting, en dus ook de sporenproductie zéér aanzienlijk

is. Dat er bij de korstzwammen nog niets te bespeuren valt van een

dergelijke plooivorming wijst er wel op, dat zij laaggeorganiseerd

zijn. Evenzoo het feit, dat zoovele het niet verder brengen dan tot

aangegroeide korsten, zonder iets wat op "hoeden" gelijkt.

Die "heele lage" hebben we in dit boekje maar niet behandeld. Zij

vallen den wandelaar weinig op en men kan ze zonder een goed microscoop

eigenlijk niet bestudeeren. Wij hebben van deze familie alleen eenige

Stereum-soorten opgenomen (zie No. 183-188 en fig. 9) en fig. 111

"de Hoorn van overvloed" (Crateréllus cornucopioídes). De Agaricaceeën

of plaatzwammen vormen wel de grootste en belangrijkste groep van de

Basidiomyceten. Zij zijn gekenmerkt door het bezit van lamellen of

plaatjes aan de onderzijde van den hoed. Hierover is het hymenium

uitgespreid, en het beslaat daardoor een veel grooter oppervlak,

dan wanneer de hoed van onderen glad was. Bij de dooierzwam

(Cantharéllus cibárius (No. 206) fig. 19) zijn het nog slechts

dikke, aderige plooien, doch bij "hoogere" vormen worden het dunne,

breede platen, met een aanzienlijk oppervlak. Wanneer we nauwkeurig

het gezamenlijk oppervlak van deze plaatjes bepalen, bijv. bij de

honingzwam (Armillária méllea) (No. 113 fig. 60) dan blijkt het dat

dit ruim 12 maal zoo groot is, als het oppervlak van de onderzijde

van den hoed zou zijn, wanneer er geen plaatjes waren. De hoeveelheid

sporen, die de paddenstoel voort kan brengen is dus ook 12 maal zoo

groot. Niet bij alle plaatzwammen is deze oppervlakte-vergrooting

dezelfde. Wanneer men wat meer op paddenstoelen let, zal men spoedig

zien dat er sommige zijn met grove, dikke plaatjes, die wijd uiteen

staan; zoo bijv. bij de Hygrophorussoorten (zie fig. 10); andere,

waarbij zij heel fijn zijn, en dicht bijeen staan, zooals dit bij

den champignon het geval is. Bij dezen laatsten is de vergrooting van

het oppervlak nog aanzienlijker en bedraagt hier 20. Hier is dan ook

al, evenals trouwens bij vele andere plaatzwammen heel mooi van de

beschikbare ruimte gebruik gemaakt.

Een blik op fig. 11 en 12 leert ons op welke wijze. De witte strepen

stellen hier de lamellen voor; wij zien hier vijf lamellen die van het

midden naar den omtrek doorloopen, de afstand tusschen die lamellen

wordt natuurlijk naar den omtrek toe grooter, en zoo zien we dan ook,

dat op eenigen afstand van het midden weer kleine platen beginnen,

die tusschen de lange ingeschoven zijn. Op de figuren zijn er drie

geteekend. Niet bij alle paddenstoelen is dit het geval. Zoo zijn er

onder de Russula's, die alleen groote lamellen hebben, van 't midden

tot den omtrek doorloopend. Het gezamenlijk oppervlak van de lamellen

is hierdoor ook slechts 7 maal zoo groot als van de hoedonderzijde. Bij

den champignon daarentegen vindt men tusschen de kleinere plaatjes

nog weer kleinere, en zoo wel 4 of 5 van verschillende grootte;

daardoor wordt die aanzienlijke oppervlaktevergrooting bereikt. De

tusschengeschoven kleinere plaatjes hangen bij sommige soorten met

de grootere samen, waardoor vorksgewijs vertakte plaatjes ontstaan

(zie fig. 11). Het spreekt van zelf, dat er een grens gesteld is aan

deze dichte ophooping van steeds kleinere plaatjes.

Immers, komen de plaatjes ál te dicht bij elkaar, dan wordt de

kans groot, dat de sporen niet kunnen ontsnappen. Deze moeten toch

tusschen de plaatjes door naar beneden vallen; staan deze nu te dicht

bij elkaar, dan zouden de sporen licht hier of daar blijven hangen,

te meer daar zij niet een volkomen droog poeder zijn, maar min of

meer aanhangend. Dit blijkt b.v. als men een sporenfiguur omkeert

en in de lucht heen en weer slaat: de sporen blijven aan het papier

hangen. Wij begrijpen hieruit ook, waarom het voor de paddenstoelen

van zooveel belang is hunne stelen rechtop te doen uitgroeien en de

hoeden in een horizontaal vlak te plaatsen; de lamellen komen dan

zuiver verticaal te hangen en de sporen kunnen er uit vallen.

Het paddenstoelenboekje · 第 3 / 17 段