Bij deze hierboven besproken boomparasieten en nog zoo vele, vele

anderen (zie blz. 217 en volgende) die uit stam en takken van de

verschillende boomsoorten naar buiten komen, hebben we gezien, dat

ze zich dan eerst pas goed gaan ontwikkelen, als haar gastheer in

minder goede condities gaat verkeeren. Haar parasitisme heeft dus

een eenigszins z.g.n. secondair karakter. Zij zijn als uitzuigers,

vernielers, minder als moordenaars te beschouwen. Gelukkig dragen

waarschijnlijk wel 90 % van de boomzwammen een dergelijk secondair

parasitisch karakter, maar heel ongelukkig zijn er nu bij die tien

andere procenten een paar soorten, die we geen vernielers maar echte

moordenaars moeten noemen en deze komen helaas zeer menigvuldig

in ons land voor. Men vindt ze in de natuurlijke kleur en grootte

afgebeeld op de plaat der "schadelijke zwammen", uitgegeven door het

"Staatsboschbeheer". Het zijn: Fómes annósus (fig. 74-77 No. 167)

en Armillária méllea (fig. 60 No. 113). Het mycelium van deze zwammen

valt in 't bijzonder de wortels der boomen aan, vooral van naaldhout,

en dan geen zieke wortels, die slecht fungeeren, maar kerngezonde. Van

het zwamvlok van de honingzwam: Armillária méllea is bekend, dat het

niet tevreden is, als het zijn moordend werk aan 't wortelgestel van

één boom heeft gedaan, het kruipt in den grond voort en valt den een

na den anderen boom aan, zoodat uitgestrekte deelen bosch door haar

vernietigd worden. Zijn er tegen vele plantenziekten door schimmels,

bestrijdingsmiddelen, tegen deze slechts dit ééne, dat men de

vruchtlichamen, die weer voor de voortplanting door de sporen zorgen,

zooveel mogelijk vernietigt, terwijl de onderaardsche organen niet uit

te roeien zijn. Het mycelium van deze zwam (zie ook blz. 40) kruipt

maar zoo stilletjes in 't duister voort, totdat zij binnen korten

tijd heeft gezorgd, dat haar slachtoffer is komen te vallen. Uit de

overgebleven stronken zendt zij dan, als "vlaggetjes der overwinning",

in de herfstmaanden overal troepen van haar vruchtlichamen omhoog.

Wordt het hout van, door 't mycelium van echte paddenstoelen

aangetaste, boomen gebruikt voor 't bouwen van huizen, schuttingen,

hekwerk enz., dan heeft het zijn vernielingswerk nog niet

geëindigd. Integendeel, daar het hout dood is en er steeds meer

luchttoevoer in is gekomen, gaat de groei van het mycelium enorm

toenemen. Vandaar dat uw trapje in uw tuin, uw hekwerk om huis of

weiland zoo kort geleden nog gezet, zoo spoedig geheel vermolmd is

en allerlei fraai gevormde en gekleurde paddenstoeltjes (meest van

Polýporus versícolor fig. 73 No. 160) uit het hout te voorschijn

komen. Worden echter die trapjes en hekjes bij het zetten eens goed

met carbolineum bestreken, dan moet de zwam het geheel afleggen en

geen afgebroken paaltjes of fraai gekleurde "Elfenbankjes" (fig. 73)

zullen meer het eigendom worden van den zorgvuldigen bezitter.

HOE DE PADDENSTOELEN TE LEEREN KENNEN EN ONDERSCHEIDEN.

"Is dat niet ontzettend moeilijk?" Dat is een vraag, die ons telkens

en telkens weer gesteld wordt.... een vraag, waarin dikwijls een

huldebetuiging en een wanhoopskreet innig versmolten schijnt te

zijn. Doch de hulde dient afgeweerd te worden en de wanhoop tot bedaren

gebracht door dit eenvoudige nuchtere antwoord: "het is niet ontzettend

moeilijk, maar... het gaat niet in eens." Ik zal u eens wat vertellen:

Er is een tijd geweest--dat is al héél lang geleden--dat men om

uit te maken hoeveel tanden een paard had, in allerlei geleerde en

dikke boeken, Plinius altijd voorop, ging zitten snuffelen, met het

gevolg, dat men 't er niet eens over kon worden en een hevige strijd

ontbrandde. Een paard in den bek te kijken kwam toen heelemaal niet

te pas, zoo'n realistisch-onaesthetische handeling was volkomen in

strijd met de waardigheid der wetenschap. Indien er ook nog maar

een spoortje van dien middeleeuwschen geest in u is achtergebleven,

dan dient ge u daar eerst van te ontdoen, als ge aan de paddenstoelen

wilt gaan, en u de toovenaarskunst van het onderscheiden van giftige

en eetbare wilt eigen maken.

Buiten goed uitkijken.

Dat men om planten en dieren góéd te leeren kennen niet thuis moet

blijven zitten, omringd met dikke boeken en andere geleerde zaken is nu

wel haast overal doorgedrongen, maar nog te veel stellen de menschen

zich voor, dat dit eigenlijk alleen geldt als men de levenswijze

wil nagaan, de "biologie" bestudeeren. Wil men plantensoorten,

vormen, leeren kennen dan ga je botaniseeren; in een groote bus pak

je alles mee, wat je nog niet kent. Thuis neem je een "Flora" en

langs de geleidelijke lijnen van de dichotome tabellen kom je er dan

wel.--Zeker, 't gaat, en 't is dikwijls heel nuttig en leerzaam--maar

't heeft ook zijn nadeelen. Hoe vaak b.v. hoor je de menschen niet

urmen over die lastige schermbloemigen, die allemaal precies op elkaar

gelijken. Ja, misschien wel, als je ze verfrommeld en fragmentarisch

uit een bus haalt; maar bekijk ze nu eens goed buiten, 't is heusch

niet allemaal "fluitekruid".

Want dat kan ik wel dadelijk zeggen: paddenstoelen zijn veel lastiger

dan de schermbloemigen en de grassen. Gaan die dus boven je pet,

dan behoef je aan de paddenstoelen niet te beginnen. Ik hoor u

zuchten en ik zie uw bedrukt gelaat, als ge zegt: "Hadden we voor de

paddenstoelen maar zoo'n Heimans, Heinsius en Thijsse met tienduizend

precies-gelijkende maar dan gekleurde afbeeldingen, dan zou het wel

gaan; doch nu zullen we er maar van afzien." Maar doe dat nu in 's

hemels naam niet. Vindt ge het dan juist geen fijn iets, nu Suringar,

Garjeanne, Heukels, Heimans, Heinsius, Thijsse en al die andere,

ook Cool en Van der Lek, eens thuis te laten (ik ken de heeren, en ik

weet, dat ze me zullen begrijpen!) en eens net te doen alsof ge in 't

jaar 1700 leefde en met uw gekuitbroekten grootvader gingt wandelen,

die u dan zoo spelenderwijs langzamerhand de paddenstoelen leerde

kennen en u leerde goede en kwade onderscheiden?

"Maar ik heb geen grootvader en als ik er een had zou hij er nog

niets van weten" zegt ge misschien. Ja, ziet ge, dat is een kwaad

ding, maar dan maar zonder grootvader! Doch wandelen moet ge,

heel veel wandelen; de herfstbosschen doorkruisen, weilanden en

wegkanten afzoeken, vooral niet bang zijn voor een betrokken lucht

of een regenbui. Het zijn nu eenmaal voor een groot deel herfst- en

regenkinderen--en dan de paddenstoelen, die ge vindt goed bekijken

aan alle kanten en met elkaar vergelijken. Hier staan er b.v. veel

bij elkaar van één soort. Ga er eens bijzitten en zoek heel jonge

exemplaren, zie hoe ze zich ontplooien, hoe ze veranderen bij 't ouder

worden. Nu breekt ge er een door, let op den aard van de substantie:

die is heel verschillend bij de verschillende soorten en niet zelden

karakteristiek. Zoo hebben de Russula's een bros, "kort" hoedvleesch;

boompaddenstoelen zijn weer heel anders, meestal erg taai en daardoor

oneetbaar. Hebt ge een goeden neus, dat is een prachtig ding voor een

zwammenvriend: ge moet u aanwennen de paddenstoelen aandachtiglijk te

beruiken en zoo goed mogelijk den geur te beschrijven. (In de tabel op

blz. 149 vindt ge een stalenkaartje). Sommige héél vergiftige soorten

verraden zich vaak door den geur (zie blz. 95). Ook is het gewenscht

ze te proeven; als ge dat op de goede manier doet, n.l. door er een

klein stukje van te nemen, dat voor in den mond te proeven en dan

weer uit te spuwen, kunt ge dat altijd veilig doen.

Als ge zoo te werk gaat, zult ge er heusch langzamerhand wel in

komen en al spoedig een aantal vormen leeren onderscheiden, en er

b.v. achter komen, dat dit kleine dikke ding niets anders is, dan

een jonkie van die groote daar ginds en al d.g. dingen meer.

Wanneer ge b.v. gelegenheid hebt in een regenachtigen nazomer een

poos in Brabant of Gelderland uw intrek te nemen in de nabijheid

van dennenbosschen zult ge zeker spoedig getroffen worden, door den

grooten rijkdom aan boleten, die dikke vleezige paddenstoelen, die

van onderen in plaats van plaatjes, fijne gaatjes vertoonen. In den

beginne zal het u niet zoo gemakkelijk vallen uit de verschillende

vormen wijs te worden. Ze gelijken allen zoo veel op elkaar en toch

is er ook weer een groote verscheidenheid, ja er zijn er geen twee

eender. Wanneer ge u nu voorstelt op één dag eens al die boleten

te gaan determineeren en ze dan te kennen, zooals ge b.v. op ééne

wandeling verscheidene boterbloemsoorten nauwkeurig kunt bepalen,

dan vrees ik dat ge bedrogen uitkomt. Maar ga nu eens dagelijks de

bosschen in--vooral niet zitten wachten op mooi zonnig weer!--en

ga de verschillende vormen met aandacht bekijken niet alleen, maar

besnuffelen, betasten, proeven, dan zult ge spoedig, ook zonder één

boek, een 10- of 12 tal boleten kunnen onderscheiden en kènnen. Ge

weet dan nog geen enkelen naam, zegt ge--maar dat komt er heusch

in den beginne minder op aan--vooral omdat vele van die dingen toch

alleen maar geleerde, min of meer barbaarsche namen hebben, waarmede

wij toch eigenlijk nooit goed vertrouwd raken en die ook maar slecht

passen bij omgeving en bij zulke door-en-door natuurlijke dingen

als paddenstoelen.

Ik zou zoo graag zien, dat er zich zóó wat meer menschen met de

paddenstoelen bezig hielden, eenvoudig weg, vrij van alle geleerdheid

of modezucht.

Dan zouden we misschien nog wel eens wat aardige Nederlandsche namen

ook krijgen voor de paddenstoelen.

Wij hebben in dit boekje zooveel mogelijk aan iederen paddenstoel

een Hollandschen naam gegeven, omdat we maar al te goed weten

hoe afschrikwekkend op velen de wetenschappelijke namen werken; en

volkomen terecht. Het berust o.i. op een zuiver en goed natuurgevoel,

wanneer men voor zulke prachtdingen, als die roode vliegenzwammen die

daar soms bij honderden in de bosschen staan te pralen, iets anders

wil hebben dan Amanita muscaria, waarvan je niet eens een meervoud

kunt maken! Maar 't valt lang niet mede voor ieder een geschikten

naam te vinden!

En het is eigenlijk ook niet de manier, want zoo'n naam wordt

licht òf gekunsteld, gezocht, of zoo'n beetje poëterig, wat ook

niet leuk is. Niet dat een naam niet poëtisch mag zijn. Er zijn

er bij de bloemen, als sneeuwklokje, madeliefje, gouden regen, die

eigenlijk niets anders zijn dan een klein gedichtje, en dat zijn wel

de mooiste. Maar zoo'n naam kan je evenmin uit je mouw schudden als

een mooi vers: dat moet, "vanzelf" komen. Daarom hebben we maar ons

best gedaan eenvoudige, vrij nuchtere namen te vinden; er zijn er

zoo ook onder de andere plantennamen, die toch ook heel goed zijn,

als duindoorn, heggerank, kruldistel en dergelijke. Namen dus, die

zooveel mogelijk aan een karakteristieke eigenschap ontleend zijn, als:

Fluweelpootje (Collýbia velútipes), goudvlieszwam (Pholióta aurivélla),

donsvoetje (Tubária furfurácea), de zadelzwam (Polýporus squamósus).

Niet altijd slaagden wij hierin naar wensch: bruine plaatjeshoutzwam

(Lenzítes saepiária), wortelcollybia (Collýbia radicáta), purperroode

houtzwam (Tricholóma rútilans), hebben we wel eens met een

"vooruit-dan-maar" neergeschreven.

En nu hopen we, dat er vele zwammenvrienden zullen opstaan;

langzamerhand zullen er dan veel meer aardige typeerende namen los

komen. Mocht dus deze of gene er eens een vinden of uit kindermond

opvangen, dan verzoeken wij hem of haar, die te noteeren en er ons

bij gelegenheid melding van te maken.

Een feit is het, dat in landen als Frankrijk en Duitschland, waar de

bevolking zich veel meer met de paddenstoelen heeft bezig gehouden, ook

veel meer aardige volksnamen er voor te vinden zijn. En dat is het ook

wat o. i. in de eerste plaats noodig is: dat men zich eenvoudigweg wat

meer vertrouwd make met de paddenstoelen, die in onze omgeving groeien.

Ge zult zien, dat dan ook het determineeren veel gemakkelijker gaat,

dat het u betrekkelijk weinig moeite zal kosten, die boleten, als ge ze

eenmaal kent ook juist te determineeren. Want ten slotte zal men daar

toch toe over moeten gaan, als men er meer van wil weten; dan dient

men den wetenschappelijken naam te kennen, dan kan men er de boeken

op na slaan en er achter komen of men met goede, eetbare of giftige

soorten te doen heeft. Die kennis deed het landvolk in den vreemde

eerst heel langzamerhand, langs den moeilijken weg der ervaring,

met veel schade en schande op. En dan nog vaak héél gebrekkig. Zéér

uiteenloopend en tegenstrijdig zijn de meeningen, die de bevolking in

verschillende landstreken zich omtrent giftigheid en eetbaarheid van

verschillende soorten gevormd heeft. Voor een deel mag dit misschien

hierop berusten, dat de eigenschappen der paddenstoelen eenigszins

door de bereidingswijze beïnvloed worden, voor een groot deel is

het toch ook het gevolg van geheel ongegronde vooroordeelen. Nog in

1831 schreef Krombholz, een bekend Duitsch mycoloog: "Zeer jammer

is het, dat nog steeds vele soorten van paddenstoelen door het volk

voor oneetbaar, ja zelfs vele voor vergiftig gehouden worden, die

bijna overal groeien, en vooral juist in zeer natte jaren, waarin

vaak door misgewas schaarschte heerscht. Als een sterk voorbeeld

wil ik hier slechts de "Kieferpilz of Butterpilz" (Bolétus lúteus)

aanhalen, die in zomer en herfst in ontzaggelijke hoeveelheden groeit,

in Boheme gegeten wordt en in de hoofdstad bij millioenen ter markt

gebracht wordt; die de soep der armen voedzaam maakt en het vleesch

vervangt, terwijl hij in Frankrijk voor giftig gehouden wordt en bij

vele schrijvers ook als schadelijk geboekt staat". Langzamerhand is

daar nu wel meer eenstemmigheid in gekomen; talrijke onderzoekingen

en proefnemingen hebben reeds veel twijfel en tegenspraak opgeheven

en vooral de vergiftige soorten tot een betrekkelijk klein aantal

teruggebracht. Daarom, voor wie er verder in door wil dringen, zijn

eenige goede boeken en plaatwerken onmisbaar (zie blz. 329). Doch ook

voor een diepergaande studie blijft de waarneming in de natuur nummer

één. Er zouden zeker heel wat minder vergissingen en verwarringen in

de nomenclatuur der paddenstoelen zijn, als zij steeds berustten op

een degelijke, echte natuurkennis. Meer dan eens zijn verschillende

ontwikkelingsvormen van één soort onder verschillende namen beschreven,

zelfs bij geheel verschillende families ondergebracht. Ja er zijn

tropische zwammen, die onder acht en meer verschillende namen

achtereenvolgens beschreven zijn, als even zoovele verschillende

soorten, niet zelden door éénzelfde geleerde. De man had ze natuurlijk

nooit waargenomen, maar hij "bewerkte materiaal".

En ook verschillende inlandsche zwammen hebben veel aanleiding tot

verwarring gegeven, zoo b.v. het mooie zwammetje, dat zoo vaak op

naaldhout, stompen en dergelijke te vinden is en in verschen staat

aan de fraai-paarse poriën goed te kennen is. Fries, de beroemde

Zweedsche mycoloog, noemde dit een "bron van oneindige verwarring",

doch voegt er onmiddellijk bij, dat wie het zwammetje maar eens

goed in de natuur bestudeert, de verschillende vormen altijd kan

herkennen. Dit paarse dennenzwammetje (zie No. 159) vormt soms groote

uitgebreide korsten; vooral op omgevallen dennenstammen kan men die

aantreffen. Die korsten vertoonen vaak weinig of geen hoedvorming en

als dan 't mooie paars tot een grijs-bruin verkleurd is, dan wordt

't al moeilijker te herkennen. Andere, met goed uitgegroeide hoedjes,

hebben soms poriën, die bijna geheel in tandjes uiteengescheurd zijn;

dergelijke vormen heeft men vroeger veel, onder een anderen naam

natuurlijk, bij de stekelzwammen gebracht! Daarmee moet men dus

wel oppassen; ik heb wel eens een reuzenzwam (Polýporus gigánteus

No. 151) gevonden, die van onderen, in plaats van poriën, de zuiverste

stekeltjes vertoonde. Als ik hem al niet gekend had, zou ik er met

determineeren nooit uitgekomen zijn!

Zoo zijn er vele kenmerken, die jonge exemplaren vertoonen en oude

niet. De cortina (gordijn, fig. 14) in de jeugd vaak mooi en duidelijk

zichtbaar, verdwijnt later dikwijls geheel en al. Neem je nu ongelukkig

een paar volwassen exemplaren mee naar huis, dan zit je gauw verlegen,

maar buiten zoek je naar jonge, je gaat de ontwikkeling na en je komt

er wel uit. Dan zie je soms tot je verbazing, dat het geheele ding

in uiterlijk, in vorm en in kleur verandert bij 't ouder worden. Je

vindt b.v. een Cortinárius (C. elátior No. 90), waarvan de jonge

exemplaren een prachtig blauw-violetten steel hebben; de hoed is dan

nog sterk koepelvormig en de rand is met den steel door een gordijn

verbonden. Maar bij 't ouder worden verbleekt die fraaie kleur sterk;

volwassen exemplaren vertoonen nog slechts een bleek-blauw of in 't

geheel niets meer er van en met 't determineeren loop je mis. Ook de

hoed krijgt een geheel ander aspect; hij wordt vlakker en ten slotte

zelfs buigen de randen opwaarts; in den beginne kunt ge haast niet

gelooven dat het werkelijk dezelfde paddenstoel is.

Doch niet alleen zijn het de veranderingen door het ouder-worden,

ook de vormverscheidenheid van een soort kunt ge buiten het best

waarnemen. Toen ik voor 't eerst de gele ridderzwam (Tricholóma

equéstre No. 33) vond, kreeg ik eerst een paar slanke, dun-stelige

vormen in handen en daarna een heel dikke met bijna knolligen voet. Dat

kan haast niet dezelfde soort zijn, dacht ik; maar er stonden er veel

daar in de buurt en spoedig had ik de geheele vormen-reeks bij elkaar.

De zeepzwam (Tricholóma saponáceum No. 34) heeft me heel wat

hoofdbrekens gekost, maar door zorgvuldige bestudeering van een

dennenboschje, waar er een heeleboel bij elkaar groeiden, ken ik hem

nu door en door. Deze heeft n.l. aanvankelijk een gladden, grauwen of

ook wel groen-grijsachtigen hoed. Later gaat de opperhuid meestal in

fijne schubjes openbarsten, de hoed wordt dus fijn geschubd en ook

meer bruinachtig van kleur. Het lijkt een ander ding, maar als je

dan 't geluk hebt er een te vinden, waarvan de eene helft nog geheel

glad en grauw, en de andere geschubd en bruinachtig is, dan ben je

er achter en je vergeet het nooit meer.

Ook de invloeden van het wisselend weer en de bodemgesteldheid spelen

natuurlijk bij al die dingen een groote rol en kunnen het uiterlijk

der paddenstoelen sterk wijzigen. Regenbuien wasschen de schubben

van de hoeden der Amaníta's weg, doen de kleuren der Rússula's geheel

verbleeken; "slijmkopjes" zoo even nog week en glibberig worden droog

en glanzend, Geásters, die tot vormlooze kluitjes ineengekrompen waren,

zuigen het vocht op en spreiden zich uit--nu eerst echte "aardsterren";

droogte belemmert de paddenstoelen in hunne ontwikkeling, doet ze klein

blijven en schrompelen; vorst doet soms de hoeden zoo typisch barsten,

dat je alweer eens denkt iets heel bijzonders te vinden... Doch genoeg

hierover, dit zijn alle dingen, die men zelf door langdurigen "omgang"

moet leeren, wandelend, zoekend, speurend... dat is het wat de studie

der paddenstoelen moeilijk maakt, zeker, doch niet "ontzettend",

maar heel pleizierig en aantrekkelijk moeilijk.

BOUW DER HOOGERE PADDENSTOELEN.

Het Mycelium.

Uit het voorafgaande moet het wel reeds duidelijk zijn geworden, dat,

waar de levenswijze der paddenstoelen zoo verschilt van die der groene

planten, ook hun bouw een geheel andere moet zijn.

Bij de parasietische schimmels hebben we gezien, dat het

schimmelweefsel overal in nauwe aanraking met het voedende substraat

(onderlaag) voortwoekert, hoofdzakelijk binnen in het weefsel van

den waard, en eigenlijk alleen om de sporen te kunnen verspreiden,

naar buiten komt. In het moederkoorn (blz. 17) zagen we hoe

zich ten slotte kleine paddenstoeltjes ontwikkelden, waarin de

sporen gevormd worden. Bij de eigenlijke paddenstoelen is dit niet

anders. Wie er wel eens voorzichtig een uit de rottende bladeren

heeft opgenomen, b.v. een grijze nevelzwam (Clitócybe nebuláris

fig. 27), heeft allicht gezien, hoe onder aan den voet fijne witte

draden ontspringen, die zich tusschen de bladeren uitbreiden, soms

over groote uitgestrektheid. Hetzelfde kan men waarnemen als men

b.v. een berk, waarop de berkenzwam groeit, doorzaagt. Men vindt

dan de stam doorwoekerd met die fijne witte draden, de z.g. zwamvlok

of het mycelium. Het zijn dus ook echte "schimmels"; deze zwamvlok

wijkt niet noemenswaard af van gewone lagere schimmels. (zie fig. 4)

Dit is ook hier feitelijk de plant; de vruchtlichamen zijn hier echter

veel grooter en vaak ook samengestelder dan bij die schimmels. Voor de

plant dan ook zoo ver is, dat ze zoo'n paddenstoel kan voortbrengen,

moet ze geruimen tijd--soms zeer lang--in het verborgen geleefd

en gewerkt hebben. Dit blijkt duidelijk bij de cultuur van

verschillende houtzwammetjes; vaak duurt het maanden lang vóór de

eerste vruchtlichamen verschijnen. Overigens bestaat hierin tusschen

de verschillende soorten ook veel onderscheid.

Al is nu de zwamvlok "eigenlijk" de plant en de paddenstoel maar

't vruchtlichaam, toch is het niet noodig lang bij de eerste stil

te staan, want er is veel minder aan op te merken. Vertoonen de

paddenstoelen de grootst mogelijke verscheidenheid in vorm en kleur,

het mycelium komt altijd zoowat op hetzelfde neer; het zijn bijna

altijd dezelfde fijne witte celdraden, die elkaar in alle richtingen

doorkruisen, hier zich tot dikkere strengen vereenigen en ginds zich

als uiterst fijne vezels tusschen aarde of humus verliezen. Soms

zijn zij gekleurd; zoo is het mycelium van de mooie paarse ridderzwam

(Tricholóma núdum No. 29), eveneens paars gekleurd; ook de zwamvlok

van de prachtige oranje aderzwam (Phlébia aurantíaca No. 190) krijgt in

cultuur spoedig een lichte oranjetint. Soms neemt het een bijzonderen

compacten vorm aan; de celdraden sluiten zich zeer dicht aaneen en

vormen, opgevuld met reservevoedsel--een hard weefsellichaam een

z.g. Sklerotium.

Wij zagen hiervan reeds een voorbeeld bij 't moederkoorn (blz. 17). Ook

bij vele andere parasieten treffen we het aan; zoo vindt men b.v. op

wilde en gekweekte anemonen niet zelden een zwammetje, dat de

wortelstokken geheel in een dergelijk sklerotium verandert. Later

groeit dan daar het schotelvormige zwammetje uit. Fraai kan

men ze vooral ook waarnemen bij de knolletjescollybia (Collýbia

tuberósa No. 88); onderzoekt men hier het rottende weefsel van den

paddenstoel, waarop ze zich ontwikkelt, dan vindt men daarin harde,

bruine, onregelmatige korrels, die op uitgebakken kanen gelijken,

de sklerotiën. In de tropen vindt men nog geheel andere; zoo zijn er

b.v. in Z.-Brazilië die tot 20 K.G. zwaar kunnen worden.

De champignonbroed, waaruit de champignons opgekweekt worden, zijn

eveneens dichte myceliumkluiten, echter niet zoo hard en vast, dat

men van een sklerotium zou kunnen spreken.

Van de z.g. rhizomorphen, harde, dikke myceliumstrengen, hebben wij

reeds een voorbeeld gezien bij de honingzwam (blz. 26 en fig. 60);

ook deze komen slechts bij enkele paddenstoelen voor.

Voor wij nu van het mycelium afstappen, moeten we het nog even hebben

over de z.g. heksenkringen.

Het verschijnsel, dat paddenstoelen zoo vaak in min of meer duidelijke

kringen groeien, is zeker ook al heel vroeg opgemerkt. In 't woord

zelf ligt al de oudste verklaring opgesloten: De heksen hadden 's

nachts op de weide of in het bosch een rondedans gedanst en op die

plaats sloeg dan een kring van paddenstoelen op. Niet zooveel minder

phantastisch zijn sommige verklaringen, die zelfs ervaren mycologen

er voor gegeven hebben: "Michaël acht nog altijd dierlijke mest en

't grazen van geiten aan touwtjes een onmisbare voorwaarde voor het

ontstaan van heksenkringen; het ontstaan van slingerrijen schrijft

hij zeer vermakelijk toe aan 't ronddwalen van runderen, die aldus

slingerlijnen van mest en urine door de wei slingeren, waarop dan de

paddenstoelen te voorschijn komen," zoo schrijft Jac. P. Thijsse in

een zeer lezenswaard stukje over heksenkringen ("De Levende Natuur"

16e jaargang, blz. 313), waaraan ook de fig. 5 en 6 ontleend zijn. En

ik geloof ook, dat deze scherpzinnige speurder gelijk heeft als hij

zegt, dat men eigenlijk het verstandigste doet met de heksenkringen te

beschouwen als den normalen groeivorm van de aard-paddenstoelen. Men

moet zich dit dus zoo voorstellen, dat het mycelium zich op een

bepaald punt begint te ontwikkelen en van daar uit zich naar alle

zijden gelijkmatig uitbreidt, wanneer althans de voorwaarden voor

den groei overal zoowat gelijk zijn. Is dan het mycelium krachtig

genoeg, dan brengt het aan zijn rand de vruchtlichamen voort en zoo

verschijnen de paddenstoelen in een min of meer regelmatigen kring.

Het paddenstoelenboekje · 第 2 / 17 段