Veel meer dan mensch en dier hebben de groene planten van de

BIBLIOTHEEK VAN "DE LEVENDE NATUUR".

VI en VII.

HET PADDENSTOELENBOEKJE,

Door

Cath. Cool en H. A. A. van der Lek.

Amsterdam.

W. Versluys.

1913.

VOORBERICHT.

Paddenstoelen... ze zijn altijd nog maar weinig in tel. "Duivelsbrood"

is en blijft het voor de meesten en daarmede is al heel duidelijk

gezegd hoe men er over denkt: weerzinwekkend duister goedje, nergens

voor te gebruiken, alleen goed voor hongerige duivels.

't Is en blijft ons een raadsel, waardoor ze juist hier zoo weinig in

tel zijn, ja vaak zoo verfoeid worden--echte verschoppelingen!--terwijl

ze bijna overal elders ijverig gezocht en bestudeerd worden en op hunne

juiste waarde geschat; in de eerste plaats wel, omdat ze een gezond en

smakelijk voedsel opleveren, doch dan ook--minder baatzuchtig--als heel

bijzondere en mooie dingen, die ieder jaar met vreugde begroet worden,

wanneer ze weer als oude bekenden op dezelfde plekjes verschijnen. Zoo

goed als de eerste sneeuwklokjes in Februari, die het begin van de

lente inluiden, of de bloeiende waterleliën, die je zoo echt doen

voelen, dat je weer volop in den zomer zit!

En waarom dan de paddenstoelen niét, die laatste wonderschoone opbloei

der herfstbosschen, die een kleurenrijkdom en een pracht vertoonen,

welke, in onze gewesten, die der bloemen nog overtreft in gloed, in

volheid, in afwisseling! Doch wij willen ons hoofd niet verder met dit

raadsel breken. Het schijnt anders te worden. Uit alles blijkt dat de

belangstelling in den laatsten tijd sterk is toegenomen. Zoo hebben wij

ons dan tot het schrijven van dit boekje gezet met de zekerheid, dat er

door velen met verlangen wordt uitgezien naar een eenvoudig Hollandsch

werkje over paddenstoelen. Geen hooggeleerd werk, om de ontelbare

vormen te determineeren en hun plaats in een wetenschappelijk systeem

te leeren kennen, doch een handig boeksken waarin men de hoofdzaken

omtrent de paddenstoelen kan vinden, iets over hun leven en hun bouw;

waarmede men de belangrijkste soorten kan leeren kennen en vooral

ook waardoor men giftige en eetbare soorten kan leeren onderscheiden.

Ten slotte dan ook, hoe men de laatste moet verzamelen en toebereiden.

Wij zijn er ons volkomen van bewust, dat wij met dit laatste een groote

verantwoordelijkheid op ons nemen en daarom willen wij reeds hier

onmiddellijk zeggen: Ook zonder alle eet-bijbedoelingen verdienen de

paddenstoelen onze aandacht, zoo goed als andere dieren en planten,

waarbij men toch ook niet altijd in de eerste plaats vraagt of ze

giftig en eetbaar zijn. Evenals bij alle andere planten, is maar een

betrekkelijk gering aantal eetbaar, en zijn enkele bepaald vergiftig.

Wij zullen dit alles in een afzonderlijk hoofdstuk uitvoerig

behandelen, doch willen het hier aanstonds vooropstellen: Men beschouwe

de paddenstoelen net als andere planten en bloemen en ga er niet toe

over er van te eten, dan alvorens men volkomen zeker weet met een

goede eetbare soort te doen te hebben, en vóór men zich de kenmerken

der weinige zeer vergiftige soorten goed heeft ingeprent.

Is men nog in twijfel, dan zende men een exemplaar op; wij zijn beiden

ten allen tijde bereid, onze lezers voor te lichten.

Doch wij moeten er onmiddellijk bijvoegen: de overdreven angst en

afkeer, die sommige lieden er van hebben, is geheel ongegrond. Men

kan gerust iederen paddenstoel in zijn handen nemen, nauwkeurig

onderzoeken, er aan ruiken en er een klein snippertje van proeven

(zie blz. 29); dat is nooit ofte nimmer gevaarlijk en het is de eenige

manier om er mede vertrouwd te raken.

De overtuiging, dat er behoefte was aan een eenvoudigen wegwijzer in 't

land der paddenstoelen--voor zoovelen nog volkomen "terra incognita",

is ons een prikkel geweest om dit boekje zoo goed mogelijk aan zijn

bedoeling te doen beantwoorden. De taak was niet gemakkelijk; zij,

die zich reeds met paddenstoelen hebben beziggehouden, zullen dit

ongetwijfeld begrijpen. Vooral was het niet zoo eenvoudig uit de

oneindige verscheidenheid van vormen, diegenen uit te kiezen, die

inderdaad voor den wandelaar en natuurliefhebber van belang zijn. Wij

hebben hieraan de grootste zorg besteed en wij vertrouwen, dat hij

zelden zijn gids te vergeefs zal raadplegen, als hij iets vindt wat

zijn aandacht trekt.

Voor een dieper doordringen en nauwkeuriger studie is natuurlijk ons

boekje niet voldoende. Wij hebben daarom eenige literatuuropgaven

er in gevoegd. Ook de Hollandsche namen,--o. i. onmisbaar in een

populair werkje--hebben ons vaak veel hoofdbrekens gekost. Wij hopen

er in geslaagd te zijn een stel bruikbare namen te hebben gegeven;

verder gaat in dit opzicht onze eerzucht niet en wij zouden niets

liever zien, dan dat onze lezers zelf langzamerhand hier verbeterden

en vervingen waar hun dit wenschelijk voorkwam.

Liever dan uit te weiden over de moeilijkheden, waarmede wij te kampen

hebben gehad, willen wij met dankbaarheid erkennen, dat wij van vele

zijden steun ondervonden bij de bewerking.

In de eerste plaats danken wij den heer Dr. J. S. Meulenhoff,

te Zwolle, die ons zijn hulp verleende met de samenstelling van

een der moeilijkste determineertabellen, die van het geslacht

Russula. Voorts den heer Jan M. Hulsken, die, bekend met de praktijk

van het champignonkweeken, zoo vriendelijk was een stukje daarover

voor ons te schrijven. Dan ook den heer Joh. Ruys, die met zooveel

zorg de doorsneden teekende, die op Pl. 3, 4 en 5 afgebeeld zijn.

Wat voorts de illustratie van het boekje betreft, wij hebben vooral

geput uit de afbeeldingen in "De Lev. Natuur". Het was ondoenlijk bij

iedere figuur de herkomst aan te geven. Wij hebben ons er daarom toe

bepaald, bij de photo's den naam van den vervaardiger, voor zoover

ons bekend, te vermelden.

Wellicht zullen vele paddenstoelenvrienden in dit boekje een teekening

of photo terugvinden, die zij voor jaren zelf vervaardigden. Van

harte hopen wij, dat het boekje hun er des te liever om zal zijn en

dat het hun--en velen anderen--een bruikbare gids moge blijken.

CATH. COOL, Haarlem.

H. A. A. v. d. LEK, Hilversum.

Sept. 1913.

INHOUD.

Algemeene deel. Blz.

I. Wat zijn paddenstoelen? 1

Planten zonder bladgroen 1

Saprophyten of afvalsplanten 4

Parasieten of woekerplanten 6

II. Schimmels als veroorzakers van plantenzieken 10

Literatuur 22

III. Echte paddenstoelen als veroorzakers van plantenziekten 23

IV. Hoe de paddenstoelen te leeren kennen en onderscheiden 27

Buiten goed uitkijken 27

V. Bouw der hoogere paddenstoelen 37

Het mycelium 37

Organen voor vorming en verspreiding van sporen 45

Overzicht van de Schimmels of Fungi 47

Ie klasse: Phýcomycetes of Wierzwammen 49

IIe klasse: Éúmycetes of Draadzwammen 50

1e onderklasse: Áscomycetes 50

2e onderklasse: Basídiomycetes 51, 53

Hýmenomycetes 54

Fam. Theléphoraceën 55

Fam. Agáricaceeën 57

Fam. Polýporaceeën 66

literatuur 67

VI. Inzamelen en de studie thuis 69

VII. De verzameling 75

Teekenen en fotografeeren 77

Herbarium 79

Conserveeren op vloeistof 82

VIII. Vergiftige paddenstoelen 83

De giftige soorten in ons land 84

Wat te doen bij vergiftigingen? 90

IX. Paddenstoelen eten 92

Literatuur 101

X. De voedingswaarde van paddenstoelen 102

XI. Het verzamelen en toebereiden van paddenstoelen 109

XII. Recepten voor paddenstoelengerechten 116

XIII. Het conserveeren van eetbare paddenstoelen 120

XIV. Het kweeken van paddenstoelen 122

Reinkulturen van paddenstoelen 130

Een ieder kan champignons kweeken 134

Bijzondere deel.

Inleiding tot de lijst voor het bepalen der meest

voorkomende paddenstoelen 140

Afkortingen 145

Lijst tot het bepalen van eenige paddenstoelen met

zeer opvallende kenmerken 146

Tabel tot het bepalen van de geslachten en soorten

der Áscomyceten 152

Beschrijving der meest voorkomende Áscomyceten 153

Tabel tot het bepalen van de families der Basídiomyceten 162

Aardzwammen-tabellen:

Tabel tot het bepalen van de geslachten der

Agáricaceeën (geen houtpaddenstoelen) 165

Tabel tot het bepalen der Amaníta-soorten 175

Beschrijving der Amaníta-soorten 175

Tabel tot het bepalen der Tricholóma-soorten 180

Beschrijving der Tricholóma-soorten 181

Tabel tot het bepalen der Clitócybe-soorten 184

Beschrijving der Clitócybe-soorten 184

Tabel tot het bepalen der Hygróphorus-soorten 188

Beschrijving der Hygróphorus-soorten 189

Tabel tot het bepalen der Lactárius-soorten 191

Beschrijving der Lactárius-soorten 191

Tabel tot het bepalen der Rússula-soorten 196

Beschrijving der Rússula-soorten 196

Tabel tot het bepalen der Cortinárius-soorten 204

Beschrijving der Cortinárius-soorten 204

Tabel tot het bepalen der Bolétus-soorten 207

Beschrijving der Bolétus-soorten 209

Tabel voor de Aardzwammen-geslachten der verdere

families 215

Tabel tot het bepalen der zwammen, die voorkomen op hout 217

Tabel voor de plaatzwammen op hout enz. voorkomend. 219

Beschrijving dezer plaatzwammen 222

Tabel voor de geslachten der Polýporaceeën 235

Tabel tot het bepalen der Polýporus-soorten 237

Beschrijving der Polýporus-soorten 238

Tabel tot het bepalen der Fómes-soorten 248

Beschrijving der Fómes-soorten 249

Beschrijving der overige Polýporaceeën 253

Tabel tot het bepalen der Trilzwammen 257

Beschrijving der Trilzwammen 257

Beschrijving der overige houtzwammen 259

Paddenstoelen voorkomende in gemengde bosschen 263

Paddenstoelen voorkomende in naaldbosschen 288

Paddenstoelen voorkomende in eikenbosschen 299

Paddenstoelen voorkomende in beukenbosschen 304

Paddenstoelen voorkomende in berkenbosschen 308

Paddenstoelen voorkomende in weilanden 310

Paddenstoelen voorkomende aan wegranden 319

Paddenstoelen voorkomende in parken, tuinen,

kweekerijen enz. 323

Paddenstoelen voorkomende in vochtige huizen,

kelders enz. 326

Paddenstoelen voorkomende in de duinen 328

Literatuur 329

Register 332

WAT ZIJN PADDENSTOELEN?

Planten zonder bladgroen.

Het schijnt toch wel, dat ze iets met het rijk der duisternis hebben

uit te staan: Overal heeft men ze in verband gebracht met duivels,

met heksen en elfen, met kabouters en padden... heel dat obscure

volkje van den Blocksberg. En zij, die zich aangetrokken voelen

tot die sprookjeswereld, zullen ook telkens met vreugde weer de

paddenstoelen zien verschijnen en er gaarne mede omgaan. En vaak

kunnen zij zichzelf er moeilijk rekenschap van geven, waarom zij ze

eigenlijk nog verkiezen boven de frissche, bloeiende zomerkinderen.

Het is waar:

Er is iets geheimzinnigs aan de paddenstoelen; het is vooral wel

hun snelle opbloeien, schijnbaar uit niets, meestal haast zonder

zichtbaren wortel uit 't rottend loof of uit vermolmde stronken,

wat iets ondoorgrondelijks en mysterieus heeft. En wanneer dan zoo'n

ding daarbij, zooals de zooveel voorkomende vliegenzwam, zeer giftige

of dol-makende eigenschappen bezit, dan is 't duidelijk dat het

duivelswerk is! Ja, het zijn kinderen der duisternis, daar gaat niets

van af, "die niet leven dan van stelen en van rooven, geneerende zich

met rottig vuil en uitwerpsels van andere planten of van derzelver

overblijfsels." Dit schreef Houttuyn, die als rechtgeaard Hollander

den paddenstoelen ook al geen goed hart scheen toe te dragen.

Ik heb een zeer knap geleerde gekend, die zich ook veel met

paddenstoelen bezig hield en die graag de stelling verdedigde, dat

paddenstoelen in 't geheel geen planten zijn, maar gansch andere

wezens. "Dieren, planten en paddenstoelen," zei deze--"alle goede

dingen gaan in drieën." Nu zijn dat van die questies, waar je lang

over kunt vechten; zoo zijn er menschen, die zeggen, dat sponzen geen

dieren zijn; die zeggen dus: planten, sponzen en dieren--en als het

nu in drieën móét, dan voel ik meer voor het laatste, want m.i. staat

het wel volkomen vast, dat paddenstoelen plantaardige organismen zijn,

zij 't ook van een bijzonderen aard.

Men kan het geheele plantenrijk in twee groote groepen verdeelen,

n.l. de groene en de niet-groene planten. Dit verschil in kleur, dat

velen op 't eerste gezicht niet zóó belangrijk zal voorkomen, wijst

toch op een diep, een fundamenteel onderscheid. De groene planten

bevatten vooral in hunne bladeren het bladgroen of chlorophyll,

een hoogst belangrijke stof, die in de geheele natuur haar wedergade

slechts vindt in de roode kleurstof der bloedlichaampjes. Door het

bladgroen zijn de planten in staat uit eenvoudige, anorganische

grondstoffen hun levend plantenlichaam op te bouwen: Met hunne

bladeren nemen zij het koolzuur uit de lucht op; zij weten het te

ontleden, nemen er de koolstof uit en scheiden het andere bestanddeel,

de zuurstof, weer (voor een groot deel) af; met hunne wortels zuigen

zij de sappen op uit den bodem en de verschillende zouten, die daarin

zijn opgelost; voortdurend gaat een stroom van dit "mineraalwater"

door de plant, door de wortelspitsen opgenomen, door de wortels en

de stengels omhoog gevoerd en in de bladeren weer voor een groot

deel afgegeven. Men noemt dit den "transpiratie-stroom." De bladeren

"transpireeren"; zij geven waterdamp af aan de omgeving. Duidelijk is

dit te zien aan planten, die onder een glazen klok geplaatst zijn,

waar de damp, tot druppels verdicht, zich aan den binnenkant tegen

de klok afzet. De beteekenis van dezen transpiratie-stroom moet men

niet onderschatten; men heeft berekend, dat b.v. een flinke vruchtboom

dagelijks wel ± 100 L. water door de bladeren "transpireert". Grooter

nog is dan de hoeveelheid, die door de wortels uit den bodem wordt

opgenomen, want een deel van het water met al de daarin opgeloste

zouten wordt vastgehouden en in de bladeren verwerkt tot de stoffen,

waaruit de plant zijn lichaam opbouwt, zooals 't zetmeel, cellulose,

eiwitstoffen en dergelijke. Men noemt deze stoffen, die voor een deel

zeer samengesteld zijn "organische stoffen", omdat men langen tijd

meende, dat zij niet anders dan door de werking van levende organismen

konden gevormd worden, en dat zij zich hierdoor principieel van de

andere anorganische zouden onderscheiden. En al is het ook gelukt

een aantal dezer stoffen kunstmatig, buiten alle levensprocessen

om, samen te stellen, toch blijft het waar, dat een groot deel,

waaronder zeker wel de voor het leven allerbelangrijkste, in de natuur

niet anders ontstaan, dan door het geheimzinnige proces in de groene

bladeren. Hier vormt de plant uit de koolstof, die zij aan het koolzuur

van de lucht onttrekt, te zamen met het water, dat uit den bodem wordt

opgenomen, de suikers, die als meer eenvoudige organische stoffen,

het uitgangspunt zijn voor de vorming van de meer samengestelde.

Een eerste vereischte om dit te kunnen doen is licht; in het duister

staat dit vormingsproces onmiddellijk stil, het zonlicht is de

stille kracht, die dit werk drijft. Zoo hebben wij dus in de breede

bladerkruin van een boom in de eerste plaats eene inrichting te zien

om het licht zooveel mogelijk op te vangen en dienstbaar te maken

aan het leven.

Van deze vorming van organische stoffen in de groene bladeren toch

is het leven van alle andere wezens afhankelijk. Geen enkel dier

vermag zich te voeden met zoo'n slappen kost als de groene planten:

koolzuur en sterk verdunde oplossingen van zouten; de dieren eten

planten, d.i. dus, voeden zich met de stoffen, die de planten hebben

bereid of, zooals de roofdieren, zij vreten planteneters en zijn dus

ook indirect van de planten afhankelijk.

Saprophyten of afvalsplanten.

En ook de niet-groene planten, de talrijke schimmels, zwammen en

paddenstoelen, ook zij zijn afhankelijk van de bladgroen-planten. Ook

zij missen het vermogen uit eenvoudige, minerale grondstoffen

hun lichaam op te bouwen. Zij zijn òf aangewezen op in ontbinding

verkeerende overblijfselen der groene planten: dit zijn afvalsplanten

of saprophyten; òf wel, zij onttrekken de voedingsstoffen aan levende

organismen, hetzij planten of dieren--deze noemt men parasieten of

woekerplanten. Zoo vindt men ze dan ook in groote hoeveelheden op het

rottend loof in de bosschen, op mest van planteneters of op de weiden,

die doortrokken zijn met de sappen daaruit... Hiermede vervullen zij

ook weer hun rol in de natuur: bacteriën, schimmels en al dat "lagere"

zwammengoedje doet de afgestorven plantendeelen in vertering, rotting

overgaan, breekt de samengestelde stoffen, door de plant opgebouwd,

weer af en geeft ze weer terug aan den bodem. En het leidt wel geen

twijfel, dat ook de echte "paddenstoelen" hier sterk aan meedoen;

wanneer we dus zien, hoe een groote vleezige paddenstoel vaak spoedig

geheel doorvreten is van kleine larfjes en na korten tijd overgaat in

een vieze pappige massa, waarvan al spoedig niets meer te vinden is,

dan krijgen we een blik in den kringloop der stof en we begrijpen

dan, dat de bladgroen-planten en de kleurlooze schimmels elkaar

noodig hebben, dat de laatste leven van de producten van de eerste,

doch dat deze op hun beurt niet zouden kunnen tieren, als het groote

zwammenleger niet voortdurend weer de afgestorven planten hielp

opruimen, afbreken en verteren... En niet alleen in het rottend loof

der bosschen en op de met mest doortrokken weiden, neen, overal kunnen

we dit waarnemen. Overal waar doode organische stoffen aanwezig zijn,

zijn ook aanstonds deze bleeke gasten er bij. Doen wij slechts in

een glas wat water, en voegen daarbij een weinig plantenafval, doode

plantenstengels of dergelijke en laten we dit eenige maanden staan,

dan zullen deze tenslotte geheel worden ontbonden en verdwijnen door

de werking van "splijtzwammen" (bacteriën), die overal in de lucht

aanwezig zijn, en zich, als zij een geschikten voedingsbodem gevonden

hebben, verbazend snel vermenigvuldigen en alle rottende stoffen

verbruiken. Precies wat in dat glas gebeurde, vindt ge eenige mijlen

van de afvoerbuizen en riolen in de wateren en rivieren bij de groote

steden. Den pot met stijfsel, dien ge een paar dagen vergeten hadt

laten staan, vindt ge terug, overdekt met een weelderige vegetatie van

schimmels, bonte, roode en groene vlekken wijzen op bacteriekolonies;

ook hier is het verteringsproces in vollen gang.

Onnoodig hier nog meer voorbeelden van aan te voeren, ze liggen overal

voor het grijpen en ieder is er mee vertrouwd.

Parasieten of woekerplanten.

Minder sterk dringen zich de gevallen van parasitisme aan ons op;

toch zijn ook deze uiterst talrijk.

Een ieder heeft wel eens in den nazomer tegen een vensterruit een

doode vlieg zien kleven, omgeven door een witte melige massa. Men is

geneigd het er voor te houden hier eenvoudig met een vlieg te doen te

hebben, die na zijn dood door schimmel is aangetast. Doch inderdaad is

't heel anders: Deze vlieg is levend en wel door een kwaadaardige

schimmel, Empusa muscae, aangetast; een spore is tusschen haar

haren terecht gekomen, daar gekiemd en de kiemdraad is naar binnen

gedrongen. Hier heeft deze zich verder ontwikkeld en heeft de geheele

vlieg doorwoekerd, ten koste van haar sappen. De vlieg gaat dood en

is spoedig geheel met de schimmel opgevuld. Nu gaat deze weer draden

vormen, die door de chitinehuid naar buiten dringen en aan hun vrije

uiteinden de tallooze sporen vormen, die wij als het witte poeder op de

ruit waarnemen. Hierin hebben we dus een voorbeeld van een woekerplant,

van een, althans voor de vlieg, uiterst kwaadaardige parasiet.

Gaan we dit geval nauwlettend na, dan zien we, dat we feitelijk twee

tijdperken kunnen onderscheiden; eerst is de schimmel parasietisch; zij

voedt zich ten koste van de levende vlieg. Doch eerst als deze dood is,

gaat de schimmel zich voortplanten, "fructificeeren"; nu leeft zij van

de doode stoffen en is dus saprophytisch. Bij vele schimmels kunnen

we deze beide stadiën waarnemen. Niet altijd zijn ook parasieten

en saprophyten scherp te onderscheiden en vaak is het moeilijk met

zekerheid uit te maken, met welke van beide gevallen we te doen hebben.

Er zijn meer van die insektendooders onder de schimmels: Niet zelden

vindt men in den herfst tusschen mos of dorre bladeren kleine oranje

of roode knotsjes, 5 à 6 cM. lang. Naar onderen toe loopen deze in

een wat dunner steekje uit. (Zie fig. 45.) Ik herinner mij nog goed

mijne verbazing, toen ik voor het eerst waarnam, dat dit steeltje

uit een oogenschijnlijk gave pop voor den dag kwam. De pop is echter

hard en stijf en geheel gevuld met een vast zwamweefsel en natuurlijk

nog veel dooier dan een pier. In andere gevallen vindt men een min of

meer misvormde rups aan het steeltje. Ook hier wordt de levende rups

door de sporen van een schimmel overvallen, die zich binnen in haar

lijf sterk vermenigvuldigt en het ten slotte met een hard zwamweefsel

vult. Hieruit ontwikkelen zich dan de knotsvormige paddenstoeltjes,

die weer de venijnige sporen voortbrengen.

Schadelijk zal wel niemand deze insectendooders noemen, of hij moest

zich wel geheel op een vliegenstandpunt plaatsen. Er zijn er zelfs

onder, die zich soms zeer nuttig maken. Wanneer geheele rupsenlegers

van dennenrups, Trachea piniperda, de bosschen dreigen te vernielen en

niets meer het gevaar schijnt te kunnen afwenden, zijn het soms deze

schimmels (Empusa Aulicae), die snel daaronder voortwoekerend, hevige

epidemieën veroorzaken en zoo het onheil stuiten. Ook hebben listige

koppen er wel eens over gedacht of het niet mogelijk zou zijn de

vliegenplaag, die sommige jaren vooral op 't land zoo verschrikkelijk

kan zijn, te bestrijden door bovengenoemde kamervliegschimmel.

Er zijn echter andere schimmels, die een "dierlijken gastheer" hebben,

en die wel degelijk zeer schadelijk kunnen worden.

Zoo zijn er b.v. die in de huid van visschen leven, op de vinnen, op

het hoornvlies van de oogen enz. Ook dringen zij meer naar binnen,

tusschen het spierweefsel en in de kieuwen en veroorzaken zoo den

dood. Deze schimmels richten soms groote verwoestingen aan in karper-

en goudvischvijvers en kunnen vooral zeer schadelijk worden in de

broedplaatsen der visschen.

Ook de mensch moet zich de rol van schimmel-gastheer wel eens laten

welgevallen. Zoo is een goede kennis van mij al jaren lang op een

bepaalde plek van zijn huid behebt met een schimmel (Trichophýton

tónsurans), die daar ondanks jodium en kwik taai stand houdt. Gelukkig

heeft hij er weinig last van en behoeft hij in 't minst niet te

vreezen gemummificeerd te worden, zooals de rups door de cordiceps,

want deze schimmel blijft beperkt tot de buitenste huidlaag. Toch

zou hij er wel graag af wezen, want het is een onpleizierig idee,

zoo bij levende lijve min of meer beschimmeld te zijn.--Ook het

hoofdzeer wordt door een schimmel veroorzaakt.

Alles samengenomen is echter de beteekenis van deze parasietische

schimmels en het gevaar, wat zij voor het leven van mensch en

dier opleveren gering, oneindig geringer dan van de bacteriën. Deze

uiterst kleine eencellige organismen werden vroeger onder den naam van

"splijtzwammen" met de andere schimmels en zwammen in een groote groep

vereenigd. Zij komen er mede overeen door het gemis aan bladgroen

en dus ook van koolstofassimilatie, doch wijken er overigens zeer

van af. Daarom en ook om hunne buitengewone beteekenis op allerlei

gebied van kennis en techniek, zijn zij tot een onderwerp van een

afzonderlijke wetenschap geworden: de bacteriologie. Wij geven hier een

afbeelding van enkele van de meest geduchte onder deze microörganismen,

doch gaan ze verder met stilzwijgen voorbij.

DE SCHIMMELS ALS VEROORZAKERS VAN PLANTENZIEKTEN.

Veel meer dan mensch en dier hebben de groene planten van de

parasietische schimmels te lijden; haar wordt het leven er vaak al

heel zuur door gemaakt. Dit is zoo sterk, dat er bijna geen plant is,

die niet haar schimmel of schimmels heeft. Het zijn vooral ook de

cultuurplanten, die er vaak hevig door aangetast worden. Overbekend

is het, hoe soms de geheele oogst door een dergelijke epidemisch

optredende ziekte vernietigd kan worden. Zoo werd op Ceylon de

koffie-cultuur bijkans ten gronde gericht door het optreden van

een schimmel (Hemiléía vastátrix), die de "koffie-bladziekte"

veroorzaakt. Ook op Java heeft deze cultuur er een knak door

gekregen. De zoo gevreesde aardappelziekte heeft vaak groote

schaarschte, ja somtijds hongersnood ten gevolge. Zoo is dan ook

de studie van deze pathogene of ziekteverwekkende schimmels en van

hare bestrijding van groot practisch belang en het hoofdbestanddeel

geworden van de phytopathologie of leer der plantenziekten.

Dit is nu reeds een omvangrijke wetenschap geworden en het valt

buiten het bestek van dit boekje er diep op in te gaan. Om het groote

belang dezer schimmels zullen we er echter toch enkele voorbeelden

van behandelen. We kunnen dan meteen een en ander van den bouw en de

levenswijze dezer lagere schimmels leeren kennen.

De aanwezigheid van parasietische schimmels kan zich op heel

verschillende wijze verraden: zwarte of bruine vlekken in

bladeren of witte schimmelachtige bekleeding, zooals men die zoo

vaak bij 't eikenhakhout ziet; sterke onregelmatige vertakkingen,

z.g. "heksenbezems", abnormale groei, vorming van dikke opzwellingen

en bulten, en zoo al meer. De laatste noemt men ook wel "gallen",

evenals de aanzwellingen, die door den steek van insekten

ontstaan. In beide gevallen is het tengevolge van den prikkel door

de parasiet uitgeoefend, dat zoo'n weefselwoekering ontstaat. Aan

het herderstaschje vindt men b.v. niet zelden glanzend witte dikke

opzwellingen; de stengel kronkelt zich en het plantje is deerlijk

misvormd. Hier is een schimmel (Albúgo cándida) de schuldige; door

het weefsel van het plantje heengroeiend, prikkelt het dit tot dien

abnormalen groei. Ten slotte barst de opperhuid open en dan kunnen

de sporen ontsnappen. Bepaalde de schimmel zich nu maar tot het

herderstaschje, dan zou het er nog mee door kunnen, doch ook andere

kruisbloemige planten als radijs en kool worden er door aangetast en

dat is leelijker. Een veel geduchter schimmel is echter de Phytóphthora

inféstans, die de aardappelziekte veroorzaakt, (Pl. 1 fig. IX). Het

is een familielid van de vorige. Verscheidene van die noodlottige

schimmels zijn uit Amerika afkomstig; zoo ook deze. Omstreeks 1830

heeft zij haar intrede in Europa gedaan.

De ziekte openbaart zich 't eerst, doordat op de bladeren

zwarte vlekken optreden; deze breiden zich uit, ook op de

stengels. Onderzoeken we nu zulke vlekken met het microscoop, dan

ziet men dat het bladmoes hier doorwoekerd is door uiterst fijne

celdraden. Deze draden zijn niet "geleed", d. w. z. er zijn geen

dwarstusschenschotten in; ze zijn dus niet in cellen verdeeld, maar

vormen een samenhangend systeem van uiterst fijne, sterk vertakte

buizen. Dit type van myceliumweefsel vindt men alleen bij lagere

schimmels, b.v. ook bij de gewone Mucor mucédo (kopjesschimmel)

die b.v. oud brood en dergelijke "beschimmelt"; bij de hoogere

paddenstoelen vindt men steeds een geleed, uit cellen bestaand

mycelium. Deze celdraden nu verbreiden zich tusschen de cellen

van het bladmoes en dringen met zuigorgaantjes er in door om er 't

voedsel aan te onttrekken. Ook in de knollen dringt dit mycelium

binnen, waardoor ook deze ziek worden en dan van binnen bruine

vlekken vertoonen. Gedurende den zomer kan de schimmel zich sterk

vermenigvuldigen en zich over den akker uitbreiden. De draden gaan

n.l. door de huidmondjes naar buiten groeien; vooral aan de onderzijde

van het blad is dan een witte schimmel te zien. Bij fig. IX b ziet men

een dergelijken draad afgebeeld; hij vertakt zich en snoert een aantal

sporen af, die door den wind verspreid worden. Gelukkig hebben zij om

zich te kunnen ontwikkelen, water noodig; vandaar dat alleen in natte

zomers hevige epidemieën optreden. Komen ze met vocht in aanraking, dan

blijkt het dat deze sporen eigenlijk sporendragers (sporangiën) zijn;

er worden dan n.l. een groot aantal uiterst kleine sporen in gevormd

(fig. IX c). Deze kunnen nu als zij op een aardappelblad belanden,

daar kiemen, en uitgroeien tot draden; en zoo wordt ook deze plant

ziek. Geen wonder, dat, wanneer de omstandigheden gunstig zijn,

de ziekte zich buitengewoon snel kan verbreiden.

In deze aardappelziekte-parasiet hebben we een voorbeeld van een

laaggeorganiseerde schimmel: een ongeleed mycelium en hoogst eenvoudige

voortplanting, door afsnoering van sporen aan vertakte draadjes.

Verreweg de meeste plantenparasieten zijn echter "hoogere", meer

samengestelde vormen, waarbij de draden uit cellen bestaan en

waarbij ook bepaalde voortplantingsorganen optreden. Zoo vindt men

bij zéér vele z.g. asci of sporenblaasjes: een ascus is een min of

meer buisvormig zakje, waar binnenin (meestal) 8 sporen gevormd worden

(zie fig. 2 en Pl. 1, fig. XI), die als ze rijp zijn door eene opening

aan den top ontsnappen. Zulke asci vindt men ook bij de morieljes

(Pl. 1, fig. III) en Helvella's (Pl. 1, fig. IV), en bij talrijke

beker- en schotelvormige zwammetjes, die men onder den naam "Peziza's"

samenvat. Bij deze laatsten is het geheele bovenvlak met millioenen van

dg. buisjes bedekt, en daarom kan men den paddenstoel in zijn geheel

een ascus- of sporenvruchtlichaam noemen. Bij de laagst-georganiseerde

parasieten ontbreken echter dergelijke vruchtlichamen.

Hiertoe behooren b.v. vele schimmels, die de z.g. "heksenbezems" in

kersen, haagbeuk, berken, enz. veroorzaken. Ieder heeft wel eens in

een boom zoo'n dichte kluit van takjes zien zitten (Pl. 1, fig. X),

die op een afstand wel wat aan een eksternest doet denken.

Doch 't is in werkelijkheid een "schimmelnest"; er zit een parasiet

(Exoascus) in 't hout en door den prikkel, dien deze uitoefent,

ontstaat die sterke en abnormale takvorming. Ook hier woekeren de

schimmeldraden hoofdzakelijk tusschen de cellen van den waard voort,

ze zuigen die door korte zijtakjes (fig. X a) uit.

Van uit het hout dringt de schimmel in de bladeren, hier brengt

ze asci en sporen voort. De bladeren sterven en vallen spoedig af,

doch in 't hout blijft de schimmel leven.

Het is een neefje van dien heksenbezemfabrikant, die weer geheel andere

niet minder opvallende vervormingen van de elzenproppen veroorzaakt:

Exoáscus alnitórquus, "de roode elzenvlag", (Pl. 1 fig. VIII). Ge

ziet, niets is er veilig voor deze schurken. Doch deze maakt het

nogal niet zoo bont; of eigenlijk wel bont, want hij doet hier uit

de groene proppen een helderroode vlag uitgroeien; het is een van

de propschubben, die hier door de schimmel zoo raar gaat doen. Het

mycelium zit daarin en brengt draden naar buiten voort, waarop zich

de asci met de sporen vormen, zooals dit bij b is afgebeeld. Omdat die

asci daar zoo maar buiten op zitten, dus zonder in een vruchtlichaampje

te zijn vereenigd, heeft men d.g. schimmels Exo-ascus genoemd.

Anders is dit al bij de schimmel, die de zwarte vlekziekte

van de eschdoornbladeren veroorzaakt, Rhytísma acerínum (Pl. 1

fig. II). Dit schijnt op 't eerste gezicht wel iets d.g. te zijn als

die aardappelziekte van zoo even, maar feitelijk is dit een heel

andere, veel "hoogere" schimmel. Die zwarte vlekken heeft ieder

wel eens gezien of anders er toch wel van gelezen in "De Kleine

Johannes": hoe de dwergjes 's nachts hunne inktpotten over de bladeren

uitgooien. Doch zoo bovennatuurlijk eenvoudig gaat 't niet in z'n

werk. Er zit weer een schimmel achter of liever gezegd in. Ongeveer in

Juli treden de vlekken op, eerst meer geelachtig; langzamerhand worden

ze zwart. De aangetaste bladeren vallen wat vroeger af dan gezonde:

het mycelium zit er in, maar het is nog niet rijp. Eerst in den loop

van den winter en 't voorjaar ontwikkelen zich de apotheciën.

Indien ge dit woord erg schrikwekkend vindt, moogt ge het onmiddellijk

weer vergeten. Er is eenvoudig mee gezegd, dat hier nu de asci niet

zóó maar op 't mycelium gevormd worden, maar op een bepaalde wijze

vereenigd zijn. Hier zijn 't nog maar kleine wormachtige verdikkingen,

waarbinnenin de asci zitten. Daar rijpen ze en het wormpje gaat dan

met een spleetje open. Zoo'n ascus ziet men bij a; er zitten 8 dunne,

draadvormige sporen in. Ook hier dus een schimmel, die nu niet zoo

bar veel kwaad doet en die wel een aardig effect weet te weeg te

brengen. De schade is niet zoo groot, dat het de moeite zou loonen,

om overal het afgevallen loof op te ruimen; want het is duidelijk, dat,

waar de asci pas na 't afvallen der bladeren rijp worden, hierdoor 't

kwaad te keeren is. Waar men dit om "aesthetische" reden doet, zooals

b.v. in het "Engelsche park" te München, treedt nergens Rhytisma op,

terwijl ze overal in de omgeving te vinden is.

Bij de vorige schimmels woekert het mycelium in het bladweefsel. Anders

is dit bij den echten meeldauw. Hier groeit de zwamvlok buiten

op de bladeren en dringt alleen met zuigcellen in de opperhuid,

om daar het voedsel uit op te nemen. Daardoor zien die bladeren er

wit-beschimmeld uit, vooral ook doordat er tallooze sporen door de

draden afgesnoerd worden; vandaar 't "melige". De schadelijkste onder

deze is wel de druivenmeeldauw (Oïdium Túckeri) die in de wijnbergen

zulke verwoestingen aanricht. Meer bekend is bij ons de eikenmeeldauw

(Oïdium Quercínum), die ieder op zijne wandelingen wel eens moet

opgevallen zijn. Vooral het hakhout heeft er veel van te lijden;

geheele boschjes zijn soms wit van de schimmel.

Zij is in 1878 in Portugal plotseling opgetreden, en daarna overal,

niet zooals vele andere plantenziekten van land tot land gaande,

maar in verschillende landen bijna gelijktijdig voor den dag

gekomen. Eigenaardig is, dat ook de eikenmeeldauw soms weer haar

parasiet heeft, een schimmeltje, dat het mycelium waarmede de meeldauw

overwintert, geheel verwoest. De aangetaste plekken vertoonen dan

niet meer de witte, maar een grijs-roodachtige kleur.

Heel wat kwaadaardiger zijn een aantal andere schimmels,

die de belangrijkste voedingsplanten van den mensch, de granen,

aantasten. Overbekend is onder deze vooral het moederkoorn (Cláviceps

purpúrea) (Pl. 1 fig. I), dat de rogge niet alleen oneetbaar

maakt, maar zelfs de voedzame korrel in een zwart en giftig ding

verandert. Vooral in vroeger tijd, toen men nog niet zoo scherp op al

die dingen lette, heeft die veel kwaad gedaan. In groote hoeveelheid

met het rogge vermengd en er mede gemalen, veroorzaakte het de

"kriebelziekte", die den dood ten gevolge kan hebben.

Gelukkig heeft men van de nood eene deugd gemaakt en er een

medicijn uit bereid. Die is trouwens tegenwoordig vrij duur, want

het moederkoorn wordt natuurlijk zooveel mogelijk uitgeroeid. Toch

kan men die dikke, zwarte korrels, (van oudsher onder den naam "secale

cornutum" bekend), die wat gekromd buiten de aar uitsteken, nog vaak in

roggevelden vinden. Hoe ontstaan nu die dingen? De levensgeschiedenis

van 't moederkoorn is al minder eenvoudig, doch ik wil 't in 't kort

vertellen. Straks wordt 't nog veel ingewikkelder:

Wanneer de rogge bloeit, dus in den voorzomer, wordt reeds het jonge

vruchtbeginsel geïnfecteerd door een spore. Die ontwikkelt zich daarin

spoedig tot een mycelium, dat nu talrijke kleine sporen gaat vormen en

tegelijkertijd een zoete, geurige vloeistof afscheidt, (Honingdauw),

waardoor insekten aangelokt worden. Een prachtig middel dus om snel

den schimmel over den akker te verspreiden. Later, tegen dat het koren

gaat rijpen, gaan de schimmeldraden onder in 't vruchtbeginsel een hard

dicht weefsel vormen. Zulk een hard schimmelweefsel, dat gewoonlijk

ook opgevuld is met reservevoedsel, heet een sklerotium; het komt bij

een aantal verschillende schimmels, ook wel bij echte paddenstoelen,

voor. (zie blz. 199). Dit sklerotium, met voedsel gevuld, valt af en in

het volgend voorjaar ontwikkelen zich daar kleine paddenstoeltjes uit,

zooals dit bij c op de helft van de ware grootte is afgebeeld. Bij

d zien we zoo'n dingetje dwars doorgesneden; die kringetjes aan den

rand zijn nu nog niet de asci, doch het zijn de kamertjes, waarvan

de wanden met asci bekleed zijn. Die zijn nog oneindig veel kleiner.

In die asci worden weer 8 draadvormige sporen gevormd, die op hun

beurt weer de roggebloempjes kunnen infecteeren. Hier zien we dus

voor 't eerst kleine paddenstoeltjes optreden en hier kunnen we ook

aanstonds goed zien wat een paddenstoel eigenlijk is: een orgaan,

dat dient ter vorming en verspreiding van sporen. Hier groeien nu die

paddenstoeltjes uit een sklerotium, uit een harde weefselklomp gevuld

met reservevoedsel. Bij de meeste paddenstoelen is dit niet zoo,

maar toch zijn zij in wezen niets anders dan "sporenvruchten".

We zullen dit in een volgend hoofdstuk nog wel verder duidelijk

maken. Eerst moeten we echter nog een paar andere groepen van

beruchte schimmels bespreken, die aan tallooze gewassen, vooral ook

aan de granen, heel wat schade berokkenen. Het zijn de brandzwammen

(Ustilagineeën) en de roestzwammen (Uredineeën).

De brandzwammen tasten vooral de bloempjes van het koren aan (op

Pl. 1 fig. VI ziet men bij a de roggebrand (Ustilágo secális), bij b

de haverbrand, Ustilágo Avénae). Zij verwoesten er het weefsel en in

plaats van een graankorrel ontwikkelt zich een bruinzwarte sporenmassa,

een droog verstuivend poeder; vandaar de naam "stuifbrand".

Die sporen kunnen zich zeer ver verspreiden; zij vallen ten slotte

weer op den grond en behouden jaren lang haar kiemkracht. Zij tasten

weer jonge graanplantjes aan en groeien daarin naar boven zonder

oogenschijnlijk veel schade te doen. Doch gaat het graan bloeien,

dan openbaart zich het kwaad. Zoo ten minste gaat het bij den

haverbrand. Bij andere, b.v. den tarwebrand vindt directe infectie

van de bloempjes plaats.

Het zijn niet alleen granen, die van brandzwammen te lijden hebben,

de meest verschillende planten kunnen in stengels, bladeren, bloemen

of vruchten er door aangetast worden.

Zoo vindt men niet zelden de helmknoppen van witte of roode

koekoeksbloemen sterk gezwollen en, in plaats van met stuifmeel,

opgevuld met een donker violette sporenmassa. Hier is Ustilágo violácea

aan 't werk.

Allermerkwaardigst is hier de uitwerking, die deze schimmel op haar

gastheer kan uitoefenen. Eigenlijk bedoel ik hier de gastvrouw. De

koekoeksbloemen zijn n.l. eenslachtig, er zijn dus mannelijke bloemen

waarin alléén meeldraden, en vrouwelijke waarin alleen stampers

voorkomen. Wordt nu zoo'n vrouwelijke bloem door de schimmel aangetast,

dan veroorzaakt deze daarin eerst het ontstaan van meeldraden: er

zijn n.l. rudimenten daarvan in de bloem aanwezig, die nu door den

abnormalen prikkel tot ontwikkeling komen. In de zoo door haar zelf

te voorschijn geroepen meeldraden kan dan de schimmel evengoed haar

gang gaan als in "echte".

Met de Roestzwammen of Uredineën komen we tot een groep van schimmels,

die voor haar ontwikkeling niet aan één gastheer genoeg hebben, maar

er hier voor twee noodig hebben, afwisselend dus op twee, vaak zeer

verschillende planten parasiteeren. Om dus een voorbeeld te noemen:

de ééne generatie leeft op erwtenplanten, de volgende op wolfsmelk;

de generatie, die daaruit voortkomt moet beslist weer erwten hebben,

daaruit weer een die de wolfsmelk bewoont enz. En dan moeten we er

dadelijk bij zeggen, dat die beide generaties eigenlijk niets op

elkaar gelijken, zoo min met 't bloote oog als met 't microscoop

bezien. Het behoeft ons dan ook niets te verwonderen, dat men die

beide generaties langen tijd als geheel verschillende schimmels heeft

beschouwd en ze ieder een naam gegeven heeft. De ééne generatie,

die zich meest voordoet als gele of bruine vlekken of strepen, de

eigenlijke roest dus, heette Urédo, de andere, meestal zeer kleine,

geelachtige napjes of bekertjes Aecídium. Bij bovengenoemd voorbeeld

leeft de Aecidium-vorm op wolfsmelk, de Uredo-vorm op de erwt, daarom

is het erwtenroest.

We hebben hier dus hetzelfde verschijnsel wat ook van een

aantal dierlijke parasieten bekend is. Ieder weet nu wel, dat de

malariaparasiet door muggenmaag en menschenbloed zijn levensbaan

heeft, de trichine ratten, zwijnen en menschen noodig heeft, de in

Midden-Afrika zoo geduchte slaapziekte-parasiet, de Tsé-tsévlieg en

den neger. Spelen de krokodillen er ook nog geen rol bij? Zoo zijn er

een aantal van die lagere organismen, die op de meest geheimzinnige

sluipwegen als 't ware het leven van hoogere wezens kruisen en hun

gewoonlijk niet veel goed doen.

Zulke organismen zijn nu de roestzwammen ook; zijn zij al niet

zoo griezelig als de zooeven genoemde, de schade, die zij aan de

cultuurgewassen, vooral de granen, berokkenen is onberekenbaar

groot en hare wegen zijn soms even onnaspeurlijk. Wie zal b.v. de

aecidium-generatie van Melamspora repentis, die op kruipwilg leeft,

op de gevlekte Orchis (Orchis maculata) zoeken en van een andere

wilg-schimmel op 't sneeuwklokje; wie zou denken, dat de roest op het

boschmuur (Stellaria nemorum) en de heksenbezems op de Zilverspar

(Abies pectinata) het gevolg van éénzelfde schimmel in zijn beide

generaties zijn? En toch is het eigenaardig om op te merken hoe de

mensch soms half-instinktief dingen schijnt te kunnen beseffen, als

het inzicht er nog lang niet aan toe is. Het is bekend, dat reeds in

1720 een Engelsche boer heet water op de wortels van een berberis van

zijn buurman goot, omdat hij die plant bij zijn koren niet duldde. En

reeds in 1755 werd er in Massachusetts een wet uitgevaardigd voor de

uitroeiïng van de berberis in de nabijheid van korenvelden.

De eerste proefnemingen, die het verband tusschen de aecidiën op

de berberis en de roest in het graan direct duidelijk maakten,

deed Schöler, een Deensch schoolmeester, doch een staatscommissie

(grootendeels uit geestelijken bestaande!) maakte uit, dat het

malligheid was. Ook in wetenschappelijke kringen bleef men lang

skeptisch, totdat in 1865 de groote botanicus De Bary voor het eerst

den volledigen ontwikkelingsgang van Puccinia graminis naging en

tot in bijzonderheden naploos. Dat daar een genie als De Bary voor

noodig was, zal men begrijpen, als men 't onderstaande schema beziet,

waarin ik die ontwikkeling, zoo eenvoudig mogelijk heb voorgesteld:

SCHEMA ONTWIKKELINGSGANG VAN PUCCINIA GRAMINIS.

Zomer ----------------> Winter ------------> Zomer.

de wintersporen geven (Sporen in

voorjaarsporen, deze rusttoestand)

infecteeren de

bladeren der Berberis:

hier op aecidiën

|

|

aecidiosporen --> koren

wintersporen

hierop roest (uredo) --------------------> ontwikkelen sporidiën

(of voorjaarssporen)

| \ die de Berberis

| \ infecteeren.

\ overwinterende

zomersporen \ zomersporen

-----------------> infecteeren koren

/ | | \

/ | | \

koren koren koren koren

Mochten er onder de lezers van dit hoofdstuk zijn, die gaarne meer van

deze interessante studie der plantenziekten te weten zouden willen

komen, dan raden wij hen daarvoor aan de volgende werken ter hand

te nemen:

Dr. K. v. Tubeuf, Pflanzenkrankheiten durch kryptogame Parasiten

verursacht.

Duggar, Fungous Diseases of Plants, Country life Education Series.

Prillieux, Les maladies des plantes agricoles et des arbres fruitiers

et forestiers causées par des parasites végétaux.

Prof. J. Ritzema Bos, Ziekten en beschadigingen der Landbouwgewassen

(Geïll. Land- en Tuinbouwkundige Bibliotheek).

ECHTE PADDENSTOELEN ALS VEROORZAKERS VAN PLANTENZIEKTEN.

Dit zijn v.n.l. de boomzwammen, die allen min of meer als

planten-(boom)parasieten zijn te beschouwen.

Als wij, na een stormachtigen nacht, in de stad of buiten, omgewaaide

boomen vinden liggen, waaronder dikwijls forsche exemplaren, dan

moeten wij niet denken, dat diezelfde boomen daar gisteren nog

gezond en krachtig stonden en dat alleen de storm daar een einde

aan heeft gemaakt. Die storm heeft slechts voltooid, wat de draden,

het mycelium van de echte paddenstoelen, jaren, misschien wel eeuwen

lang hebben voorbereid.

Bekijkt men zoo'n omgevallen boom eens wat nauwkeuriger, zoo zult ge

zien, dat hij bijna geheel vermolmd is, terwijl de nog in den grond

zittende wortels, waarvan de boom is afgeknapt, er eveneens vergaan

en verrot uitzien.

Het mycelium der boomzwammen scheidt n.l. een chemische stof af,

die de houtstof of cellulose van den boom geheel doet verkruimelen

of vermolmen.

En nu zult ge misschien schrikken als ik u vertel, dat er wellicht

geen enkele boom bestaat die geheel vrij is van dit mycelium der echte

paddenstoelen. Op een gewonde plek van stam en tak, door mensch of

dier veroorzaakt, is een spoor van een boomzwam neergevallen, en daar

ontkiemd, trachten die draden nu overal tusschen bast en hout door te

dringen. Is nu de boom kerngezond, vooral fungeert zijn wortelstelsel

goed, zoodat de vocht en voedselstrooming in de vaatbundels goed

werken, dan kan hij den strijd tegen de zwam gerust aanbinden

en steeds overwinnaar blijven. Mankeert het hem echter hieraan,

en werken deze functiën door de een of andere reden, minder goed,

zoodat door de vaten minder water en meer lucht kan toetreden, dan

begint het "zwamvlok" veld te winnen, want meer lucht dan vocht heeft

dit voor zijn groei in die duisternis noodig en langzaam maar zeker

gaat het zijn vernielingswerk voortzetten en hoe slechter 't er nu met

den boom gaat uitzien, hoe beter krijgt de zwam het. Haar inwendige

uitzuigerij is haar nu niet langer voldoende; meer slachtoffers wil

zij maken en uit tak of stam gaat zij nu fraai gevormde en gekleurde

vruchtlichamen uitzenden, wier sporen weer honderd andere boomen

kunnen aanvallen en vernietigen.

Dat gebrek aan watertoevoer in de boomen den groei van de zwam

bevordert, daarvoor leveren ons de berkenboschjes van onze,

tegenwoordig zoo droog liggende duinpannetjes, wel het bewijs. Deze,

vroeger een lust der oogen, vertoonen nu slechts een ruïne van

omgevallen doode stammen en dor loof, waar, als frisch jong leven,

alleen nog maar de mooie "berkenzwam" Polýporus betúlinus (fig. 69

No. 14) fungeert. Hoogst zelden vindt men deze zwam op een nog

levenden berk.

De tijd, waarin de diverse boomzwammen haar vernielingswerk verrichten,

is zeer verschillend. Zien wij aan een eik of populier de zoo fraaie,

goud-gele Polýporus sulfúreus No. 150, of de, op verschillende

loofboomen, vooral op iep en wilg voorkomende, Polýporus squamósus

(fig. 67 en 68 No. 147) zitten, dan kunnen wij er vast van overtuigd

zijn, dat die boomen hun langsten tijd geleefd hebben. Evenzoo

kan de kweeker, als zijn boomgaard door de boomgaardzwam: Fómes

pomáceus (fúlvus) No. 164, of door: Stéreum purpúreum No. 186,

bezocht zijn, gerust zijn pruimen- en kersenboomen uit den grond

halen en vernietigen.

Prijkt echter de groote, donkere "vuurzwam" Fómes igniárius (Pl. 2,

fig. Xb No. 162) aan beukenstammen, dan behoeft men zich over deze

volstrekt niet ongerust te maken, want haar vernielingswerk gaat zeer

langzaam en terwijl zij telkens weer een nieuwen band om haar hoed zet,

leeft de boom nog jaren lang ongestoord verder.

Het paddenstoelenboekje · 第 1 / 17 段