In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch

volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt,

laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst

op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen

en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze

Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk

een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen,

hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige

meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen

anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger;

dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin

zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich

onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen,

zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door

het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of

in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen,

van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een

vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet

slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een

waarschuwing tegen gevaar.

Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met

de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien

ook met allerlei kleine dieren.

Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en

hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte

door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar

de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot

vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot,

drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang,

smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld;

bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden

gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het

vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den

regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste

soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra

cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd

tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe

"doorn", waarmede het handgewricht gewapend is.

Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in

Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt

genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst

en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de

slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen

donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de

spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan

den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig

grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is

(met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop;

de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen.

Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand

water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt

is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar

rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid

van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich

bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden,

in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden

van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van

de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw

worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide,

groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar

voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit

zaden bestaat.

Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van

waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen

hun moeder schielijk na.

De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der

Trapvogels (Otides).

De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige

Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten

kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten,

overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig

gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig

lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede

slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht

uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat

uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den

kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige

kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en

gewoonlijk ook fraaier gekleurd.

Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen,

vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele

opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de

Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven

zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun

voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij

(baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond

zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige

plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als

bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf,

laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool

met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden;

later beschouwen zij het als een lekkernij.

Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de

lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in

monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt

de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt

er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt

zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins

plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor

de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.

De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd,

omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen

van zijn meerderheid.

De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen

genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar

lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan

tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den

bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met

zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde

vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin,

aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften

geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai

roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de

buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange,

teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is

donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.

Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel

Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel

en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij

reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in

eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije,

in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel

Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig

aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven

dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke,

maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en

Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal

dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst

in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf"

bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter

strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs

tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van

eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge

koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December

1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in

genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks;

10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in

denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in

Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem

geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250

à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid

van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal

Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat

men op niet minder dan 800 stuks (Albarda).

In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden

bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote

Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier

standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt;

zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en

Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in

het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere

gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan

ook in beperkte mate.

De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in

iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland

bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op

in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in

akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij,

zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het

hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts

rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend

of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar

het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het

geheele gezelschap moeten waken.

De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar

voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij

echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan

inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen

bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel,

maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen

in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij

zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen

een geoefend oog en een vaste hand moet hebben.

Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht

gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel

duidelijk kan waarnemen.

De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van

de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De

reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen

scherp hooren.

De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met

groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd

bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar

gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet

zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van

kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in

geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter

voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den

zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige

Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij

ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door,

tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de

dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen.

Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid;

zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven

staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige

zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo

dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats,

tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten

voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven.

Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote

voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger

dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat

het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep

kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels,

stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie,

niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke,

grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen

of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij

nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen,

laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt,

den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den

bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden,

door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt

zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt

dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige,

bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn

met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer

het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder

langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen;

wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die

zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in

de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een

voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers,

Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit

den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden,

maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen;

hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun

voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten.

Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene

het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren

vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn

en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn

niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en

's winters in de vrije natuur gelaten worden.

De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig

vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht

de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit

vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar

zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren

jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en

dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als

een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen

een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij

berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild

verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met

Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde

Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend

weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in

dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt

en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken,

die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst.

In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort,

de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende

kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren

van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij

het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar

den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden,

witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht

geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond

in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven-

en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn

wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin,

de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij

de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel,

de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale

lengte 50, staartlengte 13 cM.

Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint,

waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte

verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk;

van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en

Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral

Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde

over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische

steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied

beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn,

terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt,

maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt

vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare

zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa,

o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot

Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870

verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente

als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich

vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa

te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale,

heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de

steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen

is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort

de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de

groote zeldzaamheden.

In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap,

zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral

met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het

plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden,

maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar

als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den

naam "Fazant" opgedischt.

De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar

grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten,

is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist

geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde

exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar

kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan

den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan

weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen

op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels.

De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward

werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte

kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder,

meer bruinachtig zijn.

De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende

gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van

Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige

vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische

landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië.

De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche

Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in

Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs

veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het

Nijlgebied.

Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige,

schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst

de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke

liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad

oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde

Valken.

Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige

woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn

niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels

naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin

begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun

vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp

na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag

ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen

in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten

zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij

gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte

inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot

had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een

Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap,

gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om

den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een

zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle

landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht.

De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk

aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke

kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de

spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel,

hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten,

middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is,

een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen

samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks

kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen,

bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg

gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot

het oostelijk halfrond.

Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus

crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger

van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart

dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van

een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het

midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog,

benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een

streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig

wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de

spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart,

de voet stroogeel.

Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de

landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte

woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle

landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië

enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en

Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in

Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij

ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd

broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op

de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op

de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne

heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 12 / 13 段