om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens
af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan
toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert,
veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte
effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij
zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn
aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt,
wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk
fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich
spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke
hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die
men van hem niet verwacht zou hebben.
Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en
andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild,
waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest
nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem
begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend
zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw
buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan,
stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken
en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook
de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van
de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels.
In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4
eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin
groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en
schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het
nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den
volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun
moeder voedsel zoeken.
AANTEEKENINGEN
[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de
Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt,
komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz.
[2] "In de levende Natuur", II: 43.