naar Eldey of de "Meelzak"-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12
of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor 't meerendeel voor
verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in
het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van
deze werden levend medegenomen en een tijdlang in 't leven gehouden,
alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien,
in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide,
de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien
de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht.
Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden
uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken,
dat de Reuzenalken of "Pingoeïns" (zooals zij aan de westkust van
den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en
eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren
dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18
November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot
dreef, totdat het vaartuig vol was. "Wij kregen," schrijft hij,
"een eiland in 't zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar
een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn
kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen;
hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De
Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten
hem in." De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat
hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den
ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren,
uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van
perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven
en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij
nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar
1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze
rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het
opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen,
op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën
van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf
bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden
Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling
over het beenderenstelsel van den Reuzenalk.
Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de
Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van
den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in
Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en
in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk
exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In
't geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen
aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum
van "Artis" is zulk een ei aanwezig.
Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in
de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen
bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen
zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken
steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij
rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of
liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal
gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van
een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch
werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen
waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit
heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij
zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten.
Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende
grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong
overblijfselen van planten vond.
Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in
Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van
andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig
gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is
120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes
en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten
gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten,
weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte
een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht.
De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van
den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt,
eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van
den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel
is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar
beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken,
de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst,
de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en
afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den
romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen
overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer
en in den winter merkbaar verschillend.
Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig
zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld
voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den
winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34,
staartlengte 5 cM.
De Kleine Zeekoet behoort in 't hooge noorden thuis en broedt tusschen
80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men
haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk
aantreft. In 't begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of
minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter
zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen.
Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een
rotsblok ziet zitten, of hem bij 't zwemmen en duiken, of vliegen
bespiedt. Bij 't zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond
te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven
en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer
te bewegen. In 't zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne
verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein
deel van den romp ingedompeld is. Bij 't roeien worden de fraaie,
roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten
met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop,
breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk
met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer
boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite
te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als 't ware gonzend,
bewegen moet. Om van 't water op te vliegen, neemt hij een korten
aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel
sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt
hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots,
waar zijn nest zich bevindt. Naar 't water terugkeerend, breidt
hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De
Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam
karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in 't begin van Maart, op
een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige
zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd
te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch
de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand
van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De
broedende Vogel zit dikwijls zoo "vast", dat men hem met de hand kan
grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel
zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch
smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is;
in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend,
die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De
veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de
eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze
lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in
Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6
cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend
24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met
Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt
zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en
Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen,
maar niet duiken.
Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de
voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de
schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat;
de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche
strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de
achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig
grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte
6 cM.
De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm,
soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd,
heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een
witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens
stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen.
De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone
door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs
de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat;
ook is zij ongeveer 3 cM. langer.
Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden;
enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende
den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en
komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men
hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer),
het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust
's winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij
in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde
streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan
land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de
grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed
ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder
water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort
en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij
vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver
in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich
naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij 't water langs. Van
verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op
groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den
vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen
omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne
broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij
nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op-
en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg
door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit
op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken,
of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om
spoedig naar 't water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een
glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den
grond; soms echter loopen zij, als 't ware dansend, op de teenen, maar
moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren,
zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen
kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel,
dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als
"örr", soms als "err" schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel
eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten.
Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich
er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk
toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen,
vooral wanneer zij zich te land bevinden: in 't water laten zij
een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men,
zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden
naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven
bezig houden, zonder dat zij wegvliegen.
Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen
bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of
bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die
rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid
zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde
van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder
groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel
van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend
door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden
zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de
zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen,
kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden
vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven,
terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van
den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg,
de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die
echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit
strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje
en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de
eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen
gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen
naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen.
Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft
een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken
geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan,
dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal
kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje
legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te
bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te
krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij
deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs
treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan,
die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet
zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van
30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt
meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit
schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een
vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten
de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven,
"welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar,
zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en
weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van
deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één
sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het
water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden,
dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt
het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als
't ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen;
het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement
getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te
duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de
gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich
met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met
zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen
gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet
men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel
slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge
Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee
begeeft en valt zich op de steenen te pletter."
De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren,
al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een
meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde
worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en
voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een
afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en
den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er
ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af,
of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens,
hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt
te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij
zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een
Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In
Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer;
ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De
Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt
is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht
begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen,
om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door
plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er
niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is
storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op
het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd
door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door
roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt
hun aantal niet af.
De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den
24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend,
in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van
het eiland.
De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten,
van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger
van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar
eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten
en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de
eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren
zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed
is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de
overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de
armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is
donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het
winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale
lengte 25, staartlengte 3 cM.
De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men
gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer
zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de
bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat
zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de
steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid
in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie
buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel
en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de
zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de
schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij
welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig
verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder
merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan
aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet
bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine,
dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt
men overblijfselen van Visschen in haar maag.
De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd
ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen
hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands
van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de
berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als
"trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens
Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de
noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt
diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te
nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden
zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra
de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van
verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de
zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen
hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan
de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze
dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van
Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands
in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen
richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan
dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze
zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij
duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot.
De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten,
vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam
stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied
aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een
afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat
(Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel
als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten,
die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering,
vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden.