Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede

samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den

poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek

geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen

van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts

gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter

op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het

zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel,

op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend

rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele

Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om

het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen

moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote

vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne,

maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan

glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk

voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het

duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij

hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt

niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het

oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich

op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die

voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar

eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig

en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote

zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren

bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer

bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast

de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene

koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan,

indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.

Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai

(Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote,

korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden

snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is

aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk

samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen

huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren

met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar

met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk

lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels

in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde,

korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het

vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op

de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld,

alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en

een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw,

de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is

donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood;

het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek

onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood,

aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte

31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere

hoogte en ontbreekt de halskraag.

De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den

Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan

de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten

voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een

verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze

kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge

voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden

eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger:

in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor;

bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den

zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht

uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar

't zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den

voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van

verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle

terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt

naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere

in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden,

eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver-

en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen",

waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland

als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd,

maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van

Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de

donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen

gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten

zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun

strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele

individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een

afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende

rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar

de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij

om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels

uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert

hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd

moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te

verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel

en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg

op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door

onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten

wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal

zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken

zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken

ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om

in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten

(Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun

kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet

begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige

Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood

werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te

voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw

te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar

aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval

van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde;

eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en

door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in

zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die,

welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust,

maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De

lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar

hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade

overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou

kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men

ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke

domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die

een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte

Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en

angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan

volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het

andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele

breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in

bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels;

de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig

hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken

en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de

witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan,

zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor

de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor

zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost

de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van

genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel,

beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van

deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt

er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen

borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij

heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen

eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen

de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden,

behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht

zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman

niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige

Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige

"orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr"

der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir

had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif

prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot

op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te

recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te

hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte

Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof;

waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze

oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten

en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te

voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en

lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor

't meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten

zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners

van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en

eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen

er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels,

laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of

beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den

rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden

om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door

lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.

De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters

dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en

verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.

Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer

merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven,

alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er

slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als

de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de

andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij

slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de

gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen,

en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast,

maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de

golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die

van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel

verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet

dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds

achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen

der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk

op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel

af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder

eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan,

naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat

hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten;

vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen

en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij

't zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart,

of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij

onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij

iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn

stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner

verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep

en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat

een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard

met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.

Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze

voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men

zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.

In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw

vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en

zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde,

weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de

Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet

alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij

voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in

het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De

nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort,

dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien

zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje

aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel

en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven

of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer

onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het

wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer

70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver

wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig,

later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer

5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige,

koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk

gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem,

maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het

uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij

soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich

zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid

van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het,

zoo noodig, door woedende beten met den snavel.

De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in

den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch

bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de

ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven,

voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten,

of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de

Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is

hun het noodige voedsel te verschaffen.

De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers

door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en

hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden

kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd,

de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is

haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De

vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits;

de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen.

Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt,

herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de

bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den

snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van

den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin,

de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet

eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.

Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den

Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen

geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit

nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel

van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle

fjorden van Noorwegen, waar men hem 's zomers niet ziet, verschijnt

(in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche

en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de

vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den

regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier

te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm,

welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat

onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal

zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk

dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en

hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen,

dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel

verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord

geheel af; na verloop van 2-3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder

aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook.

De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den

Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als "örr"

of "ar", soms ook miauwend als "arr err kwer kweör".

Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook

treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen

aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80

mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met

wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand,

na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk

gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee

of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in 't water aankomt;

de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en

zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen,

begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen.

Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge

noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den

mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien

het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog

leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na

zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners

van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met

wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud

opgewogen worden.

De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht

beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem

kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire

vleugels, die voor 't vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle

soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand,

aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de

snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht;

de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel

zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is

nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop

een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts

gericht; de zijden van 't voorste deel van den snavel zijn boven

met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in

maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde

eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk

heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer

90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren

van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de

onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de

pooten zwart.

Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste

deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley's onderzoekingen

blijkt het tegendeel; Steenstrup's ontdekkingen bewijzen, dat de

Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de

Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken

gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft,

evenmin werd hij in 't hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll

bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar

1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen

bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten

van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in

het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden

werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde,

schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over

zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar

buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann,

een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst

is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland

geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende,

bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en

kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en

tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar

toevluchtsoord vond.

Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige

eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin

van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een

beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt

van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen,

met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo

veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen

ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens

zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet

bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige

beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is

er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen,

welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die

in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren

tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld

jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede

voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber's tijd echter,

in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts

toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813

een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen

te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het

weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene

Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men

bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de

Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken,

zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat

in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van

1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen

groote troepen, hetzelfde lot ondergaan.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 10 / 13 段