De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en

zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen,

volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en

akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar

niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel

voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne

in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek

naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle

buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen

zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd

oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad

zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend

als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig

verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek,"

of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd.

Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het

voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en

ook van een kreng wordt partij getrokken.

In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen

de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog

tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze

nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als

een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid

van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te

verontschuldigen.

Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke

jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch

gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon,

zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel

met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger

als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en

volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar

buiten in 't veld.

"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien

heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van

het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk

een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige

duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg

Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer

of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit

tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte

puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich

uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale,

dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten,

de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven

en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide

rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar

Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen,

een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op

den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het

voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst,

nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot,

die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen

op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond

als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei,

onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal

van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden

levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten

achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt,

zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen,

die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige

minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van

de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd

bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger.

De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een

gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen

is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet

genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop,

de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit,

de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig

grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin,

de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek

bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.

Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat

echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of

kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de

onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op

den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend,

soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en

in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard

en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien

alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust.

Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen

rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte

aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de

Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien

heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke

IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de

Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen,

de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later

wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel

te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering

over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk

rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch

voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald,

het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls

dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt

deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de

zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.

Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen

terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen

en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet

van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken;

ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na

hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje

en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als

Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men

hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels,

die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest

zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der

jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende,

dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De

jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen

volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen

nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf

spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende

geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is.

Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den

Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw

(Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika

de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude

Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts

te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het

eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de

Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë)

af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep)

gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug

en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met

witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren

in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten

halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM.

De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae)

geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie

te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op

de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel

betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings

samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid

bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden

gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig

hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen

aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels

gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang,

smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange

staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel

voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht,

op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur

vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls

lichtere plekken.

De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel;

meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den

voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij

loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de

Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale

richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan

of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels,

maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke

zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen

met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is

een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn

niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben

ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren

aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze

groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven

buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan

zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er

van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen

vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar

roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet

slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren

en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen

jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel

open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor

hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien

loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent

en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft,

schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot

hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten

zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel

bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij

ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in

hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen

zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden,

of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig

op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen

haar aan, de meer beschroomde vluchten.

Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het

zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren,

die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening

bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen

vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met

halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen.

De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar

weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te

recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste

staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de

Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden

en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.

De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische

soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze

soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede

vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan

't einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met

inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de

onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche

streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte

vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig

grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte

57, staartlengte 17 cM.

Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel

tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den

zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer,

de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in

kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche,

Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige

stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar

van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de

Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland

heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven

echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken

hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft.

De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een

Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de

overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en

zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer

dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte

en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn

donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit,

de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige

dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op

de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en

zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den

wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet

zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM.

Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen,

maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde,

zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de

kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de

zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland

af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.

Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens

levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de

menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt

snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene

en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn

stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa";

bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon

"hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner

klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle

Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken

indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het

best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels,

die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig

ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken

honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere

vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om

hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen,

schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid,

moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld

wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven

verworven buit uitspuwt.

Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba

zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte;

anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde,

verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee

drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot,

door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen

plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels,

neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit

duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw,

wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch

durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen

zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt

er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die,

luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind

omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra

hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den

waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar

zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit."

Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius

parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden

aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten

en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam

zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn

totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen

(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige

uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek

op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin,

of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op

de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met

dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart,

de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.

Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst

verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke

streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn

broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland,

de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op

Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij

veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste

kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland

af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet

altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar

het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd.

De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die,

volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen

Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die

van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht

roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en

af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren

valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk

hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij

zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen,

langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een

kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen,

nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar

boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en

verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu

eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend,

alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende

bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen,

maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de

Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen

echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in

elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald

gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets

anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij

niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen,

om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer

dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op

deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig

niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even

vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de

toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook

Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar

zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden.

De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige

soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel

en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15

cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55,

staartlengte 30 cM.

Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als

van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker

zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen

zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië

voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen.

Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën

verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken

door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een

middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig

hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn,

korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels,

een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 9 / 13 段