De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer

verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw

in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend

evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang,

zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht,

van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge

voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen;

de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de

middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan

den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte,

maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen

van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over 't algemeen

overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij

jongen en bij volwassenen meestal verschillen.

Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle

deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige

soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren

altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels

aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden

van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet

meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in

het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen,

of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten

geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot

verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele

soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk

gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich

in 't najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder

geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste

samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild

voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers;

juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige

op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook 's winters

nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste

voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee

bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten

aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en

zoeken het op 't strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de

Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger

en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar 't schijnt, door

een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen.

Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen,

ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den

vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt;

zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in 't zwemmen

overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen

schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere

kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk,

dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij

vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging

dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit

zonder merkbare inspanning, als 't ware spelenderwijs, en herinneren

dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige

Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om,

boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit

de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem,

welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met

meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen

eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van

het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld.

Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden

goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen;

alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen

zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde

voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten

gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels;

zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken,

wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen

zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens

weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de

kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en

wagen zich zoo ver, als in 't gegeven geval raadzaam schijnt, omdat

zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding

van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig

herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze,

maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom

op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt,

een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden

die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met

groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze

benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan

al zijne metgezellen. Over 't algemeen heerscht onder hen de beste

verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen

een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven

of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd

aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen.

Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen

alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden

van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare

zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt

men "meeuwenbergen", die door verscheidene honderden paren bewoond

worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het

aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier

blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de

kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in

den letterlijken zin van 't woord geheele rotswanden of bergen, maken

gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest

dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen

zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de

plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen,

wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en

strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen

ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als

't broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke,

grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen

of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het

mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken,

bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen

een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt,

vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een

dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks

mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en

houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood

tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun

toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het

eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat

hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen

half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden

zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na

het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten

de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen.

In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de

schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige

grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de

opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal

heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen

bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door

de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het

vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste

volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland

enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook

werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld

op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige

streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit

moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren;

in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog

geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als

men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen,

daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden

in 't water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst

te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel

van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats:

men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als

lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en

bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen

Vogels kan men gemakkelijk in 't leven houden; zij zijn echter dure

kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om

hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich

spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger,

weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten

hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden,

wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf;

ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een

groote kooi tot woonplaats geeft.

Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der

Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid

en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in

't midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de

staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen;

de achterteen is aanwezig.--Verreweg de meeste en tevens de grootste

en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren

tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het

zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel 's zomers

als 's winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur,

de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij

houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met

de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het

land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen.

Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in

't hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam

is aan onze kust (voor 't meerendeel zijn dit Vogels in 't eerste

levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote

slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De

vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel,

de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode,

overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75,

staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig

gevlekt.

De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die 's winters zeer zelden

op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere

grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend),

voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale

lengte 65, staartlengte 19 cM.

Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen

ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder

gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de

vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter

aan 't einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel

zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende

grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits

zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale

lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals

grijsbruin gevlekt.

Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee

en in 't noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld,

het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot

de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van

de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen,

nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel

het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het

eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten,

ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in

't binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op

boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen,

met grijze en bruine vlekken.

De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus)

broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot

April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs

de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote

steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep

landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij

volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als

doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk

in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen,

zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie

op Texel, doch thans niet meer (Albarda).

Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt

er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste

handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45,

staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine

vlekken.

Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen

Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De

kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de

staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig

blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs,

de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan

de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73,

staartlengte 20 cM.

Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van

deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij

geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook

naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is

zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds

gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in

noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier

echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met

haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar

zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel

zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en

heesch als "ach-ach-ach", in opgewonden toestand als "kjau", welk

geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen

van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken

van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij

Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere

zeevogels en zoekt aan 't strand allerlei Wormen en andere kleine

dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt

zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen

te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan

't eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij.

De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de

vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij

haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits

van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60,

staartlengte 15 cM.

Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië,

maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds

in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook

in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen.

Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het

zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd

hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren

op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten.

De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is

de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus

(Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn

roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot

dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen

van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood,

de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de

kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM.

Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt

zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën

op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de

binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd,

in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten

getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw

talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda).

De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien

slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner

en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu

en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over;

des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland.

Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus)

minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker

roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde

wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze

slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap

slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin,

de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28,

staartlengte 9 cM.

Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië

aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië,

Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van

deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren,

vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te

vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek

van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het

waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk

later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog

of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat

ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels

behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa,

dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda).

De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld

kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen,

wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen

aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans:

de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit

vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In

Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen;

ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug

te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter

doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt

het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust

broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers

omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die

in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat

de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen

zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd,

de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één

ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda).

De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de

binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats,

die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door

open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen,

rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het

moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke

plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje

gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze

met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden

4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met

bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin

van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts

zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de

zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop

komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het

nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen

niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten,

maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een

week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede

week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich

tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd

voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere

Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger

brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw

vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met

de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om

hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer;

in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware

vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst

geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 8 / 13 段