Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen

zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die

welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen,

kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de

meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar

minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige

roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen,

azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen,

de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch

treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die

zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd,

omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf

slechts gedurende korten tijd in de kooi in 't leven houden kan.

Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen

(Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en

rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten

bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt

een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit.

De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij

onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang

als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart

en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver

uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en

wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den

hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen

van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur

dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel

koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van

den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM.

De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in 't zuiden van Europa

thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de

Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land

is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk,

zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond

en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen.

Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den

waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren,

glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam

de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om

een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch;

zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van

tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit,

vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan

de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan

kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren

van de aan 't strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen

en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk

geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten

te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd.

Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het

noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig

slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in

een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd,

op een niet grooten afstand van 't water. Op plaatsen waar vele

nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander

verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze

komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij

zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en

stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den

Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje

wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen

verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en

worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht.

Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij

begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen

is en omdat zij niet graag doode visch eet.

De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star,

in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op

Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken,

merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine

voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker

spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep

gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig

zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen

zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker

aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In

het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont

dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is

donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale

lengte 40, staartlengte 17 cM.

De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust

nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer

zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over

Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot

aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten

verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in

Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts,

om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het

zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij

broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze

duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog

en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren,

die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met

bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken

van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie

weken; de jongen verlaten schielijk het nest.

Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden

der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd,

er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal

Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak

bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken

bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling

op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug

heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen

wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen

de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen;

tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd

door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam

en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij

elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der

eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht

bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne

vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo

dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij

met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven

elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen

die van de andere stuiten.

Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en

levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen

op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet

uitplundert.

Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in

Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans,

op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd

(Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse

richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop,

zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart,

waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn

zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van

den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag-

en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De

oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug

en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40,

staartlengte 17 cM.

Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel

met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken

zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze

rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld

20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen,

lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal

langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden.

In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere

Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende "krieè";

een zacht "kek" of "krek" geeft angst te kennen; deze klank wordt

dikwijls herhaald bij toenemend, en in "kreiïk" veranderd, bij afnemend

gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig "krek", dat men de

afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij

zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als "snirrit snirrit".

Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling

van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig

grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des

nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door

het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen

blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop,

loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen

de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden;

alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun

aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds

fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst

later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels.

Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten,

die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna

paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen

bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats

van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan

de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot

Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen

naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs

onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt.

Dougall's Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper

gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft

gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood

aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk

en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn

eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust

in staltnetten gevangen (Albarda).

Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of

Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan

de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de

nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin,

de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen

steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de

kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte

8 cM.

Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië,

Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot

ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland,

bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten

de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord

wordt, klinkt haar geschreeuw als "retsj"; hare gewone geluiden komen

veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na

den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral

groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar

vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als

die van het Vischdiefje.

De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een

gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten

een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar

gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met

sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de

staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn

donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw,

de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben

witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker

aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste

tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs,

aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur;

de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin,

de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en

nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM.

De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in

't noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden

en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen;

in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee

en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig

echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de

Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar

onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië,

Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw

is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als

heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en

ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen

en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal

(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort

gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen

in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die

der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest

zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen

en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl

zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de

hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet

naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt,

zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote

Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar

jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren

op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus

ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de

vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft

opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken

heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels,

zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft

aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men

eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem,

een lachend geschreeuw, dat als "hè, hè, hè" of "ef, ef, ef" klinkt,

herinnert aan die der Meeuwen.

De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar

fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen,

welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels,

een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht,

zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet

onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker

fluweelachtig zwart de overhand heeft.

De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern,

Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar,

in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte

Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra),

heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik

fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel

aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het

winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en

de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren

van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte

26, staartlengte 8 cM.

De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is

bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig

zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen

der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel

en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart,

de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM.

De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste

soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De

donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige

teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de

borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit.

Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten

van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde

broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in

Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen

bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar 't zuiden; zij

vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen,

maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij

stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000

stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen

tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en

het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor 't overige

vermijdt zij de zee en de rivieren.

Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet

alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij

zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en

even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij,

vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser,

daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam

schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna

onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten

buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten

schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten

en Spinnen.

De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen

dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij

bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen,

worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op

het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren;

deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs,

rood en zwartbruin gevlekt.

In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt.

Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze

onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding,

de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd,

haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart,

de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw,

aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM.

Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de

tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan,

maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter

overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten

van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in

grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en

aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn

levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur

dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig

steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij

behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van

een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op

een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is

om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong

blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen,

voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar

beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht

met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de

boomkroon gezocht zijn.

In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de

Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun

snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds

bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide

bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange,

vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan.

Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort,

die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij

dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen

benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de

achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de

snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM.

[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops

albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten

snavel: Rhynchops nigra) Amerika.]

De Schaarbek vliegt over dag even goed als 's nachts, maar doet dit

alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos

op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine,

zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook

reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt

zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen

en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om

voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea

hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij,

zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel,

van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in

't water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt

hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans

in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 7 / 13 段