De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke

vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve

door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze

verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid

gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan

die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel

als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in

China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste

beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst

aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in

zeer kleinen getale, bij binnenwateren.

De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke

en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop

betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo

lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een

weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug

afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan

den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste

handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is

uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de

achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed

voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige

kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd.

Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de

andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria

interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het

voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de

keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep,

die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals

naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het

voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel

zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs

gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken;

over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn

zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór

de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de

snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.

De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa

niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira

en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen,

dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het

binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië,

op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in

het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken

zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust

verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de

Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven

meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden

langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt

evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige

minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend

in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs

's nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk

langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote

afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit

den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere

verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te

schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten.

Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem

bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere

Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te

boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn

naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk

ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de

kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen

behooren.

Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis

maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men

wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal

zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw,

op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of

Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster

genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog

en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op

haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote

kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk

samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge,

krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste

en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige

lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden,

tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den

voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend,

op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst

en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit,

overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel

een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig,

een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de

jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker

vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM.

Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men

de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig

vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men

haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee,

opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië,

volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van

den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet

in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten

eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van

de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de

zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar

waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende

het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest,

is hij tot trekken gedwongen.

Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij

broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de

weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een

groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij

hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in

steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij

zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk

is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien

van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of

trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen;

hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste

slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet

toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht;

meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en

zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op

hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij

bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als

inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als

"kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers,

die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol

afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster

onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig,

moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd.

Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij

dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien

en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven

kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist,

daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar

Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als

't ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten.

"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge

Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen,

gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere

op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar

hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit

Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren,

of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd

gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te

openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van

haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en

andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd

te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid

van het vee, dat aan de kust graast.

De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen

omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te

bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in

de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de

wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest

is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd;

het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote,

spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal

op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening

vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte

vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden

duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en

worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger

en stoutmoediger zijn dan ooit te voren.

Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op

te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar

zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke

voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer

flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht.

De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken

van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden

tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke,

boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange,

smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste

en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De

overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige

in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven

tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of

gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is

dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes

en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk

veel verschil aan bij ouden en bij jongen.

In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven,

voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in

de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier

(Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart

komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders

en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de

onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door

een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart,

aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin.

De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij

loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar

wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich

door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen,

kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan.

Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke

Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten,

Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij

zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk

snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een

buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek

het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun

geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle

vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht

gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt

voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de

Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel

genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen

of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij

dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een

eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten.

Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar

noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't

meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892)

één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda).

In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier

veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den

volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den

herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen.

Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de

Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt

Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine

familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen

(Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae).

De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort

(Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar

heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid

van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten

herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde

neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed)

aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op

het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin,

in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat

als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van

Afrika zuidwaarts tot Madagaskar.

De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die

rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond

bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide

zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam

van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland

voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte

van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland),

de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht

wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels,

een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een

tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein,

de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun

snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar

de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande,

van boven gegroefde hoornplaat.

De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot

de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten,

welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een

Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met

hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel

en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide

vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust,

maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig,

bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar

levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een

langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op

en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden

zich met Insecten en plantaardige stoffen.

Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van

de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten

beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen,

dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun

snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de

zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste

gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de

eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie

voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits;

de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij

uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht

en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor

't meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in

de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven

tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij

dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op

banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij

toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in

koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs

vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels,

zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van

Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een

merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje

Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den

voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland

aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de

noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen

als 't ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in

de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend,

merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en

Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van

't strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt,

ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden,

opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel

niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren

hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote

Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts

drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen

het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten

kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen

enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje

daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is

vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat

het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig

zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur,

gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken;

van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij

de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal

hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot

een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die

op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen,

is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier

een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen

ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren,

die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs

de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen

en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote

Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke

nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen

schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op

rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel

ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de

meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de

geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote

Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van

't vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum).

Door een buitengewone bekwaamheid in 't vliegen en duiken onderscheiden

zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en

middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als

de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten

hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend

zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal

kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal

en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart

is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen

samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en

grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt

weinig of niet bij 't mannetje en bij 't wijfje; duidelijk merkbaar

is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed,

niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels.

De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee

of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop

der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand,

andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij

voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden

van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van

beweging en zijn van 't opgaan tot aan 't ondergaan van de zon bijna

voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend,

den dag bijna uitsluitend vliegend door.

Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten

verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren

en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei

kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op

geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare

scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer

ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven

zweven, om het goed in 't oog te vatten, storten zich dan schielijk

naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 6 / 13 段