genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van
het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt
door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens
in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en
weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte
of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit
met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de
ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren
zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den
winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale
lengte 30, staartlengte 9 cM.
Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze
echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen
het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland,
Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van
hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna
de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste
landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer
bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral
in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale,
waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen.
De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd
(Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte
Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals,
den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en
topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden
van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep
vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den
staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met
goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de
vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit,
de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De
onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere
vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet
grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij
behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers
tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het
geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden
het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die
men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren,
kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het
eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels
tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond
onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen
zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij
slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland,
Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen
zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren,
die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder
jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het
einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven
sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich
echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de
kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van
Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar
het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis
wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk
gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer
hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige
rangorde, evenals de Kranen.
In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar
geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel,
die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt
of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch
even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af,
wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van
het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en
vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe"
klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons
eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot
een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare
zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont
zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost
en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de
hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna
uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek
Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt
zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om
te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen.
De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland
levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms
belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze
Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen,
dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde.
Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier
nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en
in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar
Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus)
is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en
de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich
voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere
dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs.
De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een
kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een
steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig,
door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze
kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel
van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het
midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede,
lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is
donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte
22, staartlengte 7 cM.
De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de
hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar
broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van
Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste
deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië
(op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De
Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek,
van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij
Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de
reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de
hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf
heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije
en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.
De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer
familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig,
bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien
dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een
zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door
de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is
lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken
bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat
meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen,
om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te
zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders
van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de
gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door
de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden
ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen
den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij
lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder
gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes
geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht
bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe
langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel
terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij
mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte
zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich
gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In
't zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij,
zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren
op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn
gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op
den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk,
toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door
het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de
kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en
bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening
verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging
van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een
groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor
hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te
handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover
anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in
de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte,
bijna uitgeroeid is.
Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren,
die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende
gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar
verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid
van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste
Snippen, de voorkeur.
De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd
(Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot
het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door
de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange,
spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan
de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten,
ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen
op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten
in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand-
en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan
de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar
aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van
den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het
voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende,
breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over
den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde
dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en
een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige
halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De
kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig
bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met
breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen)
met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin
met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden,
witten eindrand het donkerst.
De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in
Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee
en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche
en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige
oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt,
ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden
op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele
malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot
aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het
voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele
reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden
zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda).
Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier,
op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland
Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte
18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort,
een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een
zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het
voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste
pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde,
uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt
aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de
Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September
op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan
den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer
1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze,
waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of
4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast
in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes
[2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker
gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan
ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand.
De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks
grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op
iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste
deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar
achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit;
het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede,
witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt;
de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk
breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM.
Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook
in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna
uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in
hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur,
doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet
zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het
strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland
bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend
gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda).
Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook
in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.
De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een
middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten,
aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen
loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke
nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht,
glad vederenkleed.
De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af
en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in
't oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van
23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.
Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en
West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen
het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen,
die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren
kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die
eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels
daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en
eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid
ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer
15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang
de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten;
deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging
geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen
pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt
voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil,
om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen
gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet
eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen
ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten
afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te
houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden:
zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet
te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de
Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen,
dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te
maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling
ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even
snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts
de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor
dit doel geschikt.
Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een
groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt
in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van
verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is
vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt
hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt,
valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."--
"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt
Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen
en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt
dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog
verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal
kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt
zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor
den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door
geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat
men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond;
wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil
en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen.
De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den
overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader
verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep,
welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek,
een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug
zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en
aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel,
de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de
borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en
de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen
zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee
breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden
vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig
kleiner dan het mannetje.
De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen
dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank
u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af
stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van
den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats
uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom
hem verdrijft.
Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige
en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij
met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen,
maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart
gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen
dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels
zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich
in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den
anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water
langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem
hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als
"tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen
schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders
in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen
mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een
luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet
alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol,
die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een
merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig
geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en
hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in
vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen
is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de
boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van
de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert,
heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden
rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er
de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil
belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen
vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de
tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan
het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw
van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of
gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt
dezen zich naar de veilige diepte te begeven.
Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan
enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan
het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen,
Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de
bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere
Gewervelde Dieren.
Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze
met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig
komt men dus op het spoor van de broedplaats.