Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort

vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus

rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart

met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel

roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel

en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai

roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften,

aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met

witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen

zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste

aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig

geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn

de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte

strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken;

de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften,

de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs.

Deze Vogel werd 's winters eenige malen aan onze kust en ook enkele

malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen.

De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge

pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de

buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een

langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren,

rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse

vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de

middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen

ontbreekt.

De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om

de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot

zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië,

bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt

hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In

Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij

standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij

in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist

hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden

(Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant

(bij Middelbeers) geschoten.

In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den

achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen

glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige

deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het

oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn-

of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM.

De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren,

zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel

komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten

en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of

plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water

zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van

aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders

dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar

steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en 's winters in talrijke zwermen.

Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend

houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den

waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de

lucht ophappen.

Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een

plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een

forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks

breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk

dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor

het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad

en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver

boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden

door "halve" zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit,

maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant

en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en

ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil.

De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra

avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De

bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste

gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels

en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig

bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43,

staartlengte 7 cM.

Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld

verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel

als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa

en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en

Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale

voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in

het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland

werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan

den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang

en in Zeeland broedend gevonden.

De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer

hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een

zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort

hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders

aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals

zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt

hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak

en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn

fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt

niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als "kwie" of

"duut", zijn paringswijsje is een klagend "klioe", dat zoo dikwijls

en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan "jodelen"

doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken.

Gewoonlijk ziet men den Kluit in 't water staan of langzaam rondstappen

en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop

voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van 't water onderzoeken,

waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij

gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan

de overige moerasvogels; hij "sabelt", gelijk Naumann zegt, "maakt

tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en

naar rechts en grijpt intusschen het in 't water zwevende voedsel,

dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt

teruggehouden." Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van

deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men,

dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend

of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven,

of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn.

Korten tijd na hun terugkomst in 't vaderland splitsen de zwermen zich

in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort

gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond

en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den

regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze

hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen

of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal

grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje

en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel,

vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid

van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden

zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later

naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te

gebruiken, naar de open zee.

De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel

moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen

dan jaren lang in de kooi in 't leven gehouden worden.

De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige,

grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal

kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven;

aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde

huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het

einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft)

van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is,

doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet

"kolfvormig" gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in

't spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De

vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de

eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een

zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange,

uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het

dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen

en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het

winterkleed bestaat.

De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De

meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den

morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in

de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten

duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere 's nachts

het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en

snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij

zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor

geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem

en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort,

die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is

eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen

bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont

gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt

zijn, dat de spitsen elkander in 't midden aanraken. De beide ouders

broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest,

onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn;

in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels

van de moeder.

Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine

waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel

vervolging te verduren.

De Kievit, in Overijsel Kiefte, in 't Friesch Ljiep genoemd (Vanellus

cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is

aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten,

aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde

handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop,

de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart

zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met

blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst,

de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en

alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat

uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is

bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34,

staartlengte 10 cM.

Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den

Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij

is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in

Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen

Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de

Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche

landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor

ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien,

de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen

en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam.

De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de

Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in 't vaderland, als de winter

er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van

andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger

voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter

teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat

zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op

een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen

van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer

en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd

van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari

en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of

voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December

(gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in 't oog worden gehouden,

dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren

zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken;

dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd,

dat Kieviten hier den winter overbleven.

Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne

gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De

Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel

mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage,

moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats

moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam

geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er

te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone

nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op

deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd

van den dag [1]. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk

is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder

ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen,

voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur

van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als

van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen

duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst

beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne

jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te

ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als

"kiewiet" klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van

hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht

verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls

zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door 't

snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij

vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als 't ware op door

velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over

den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen;

zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten

te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging

uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt,

maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht

bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog,

slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op

den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de

lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels

vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle

denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek

voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper,

dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan

Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht

van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en

behendig; de snelheid van 't loopen kan aanmerkelijk vermeerderd

worden. Bovendien speelt deze in 't oogloopende Vogel zoowel onder

't vliegen als onder 't gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in 't

eene oogenblik horizontaal neerlegt, in 't andere hoog opricht. Van

zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik;

de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te

verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde "kiewiet", is nu eens meer,

dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een

bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door "chrèiët", de

paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken,

die men door de lettergrepen "chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet

kioeïeht" ongeveer kan aanduiden.

Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men

overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager

vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename

ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het

oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met

den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij

grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer

op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den

verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den

aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet

altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden

een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de

oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen

uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den

verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers

en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen

dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen,

gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn

gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn

voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken

den zeer eigenaardigen naam van "Goede Moeder."

Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van

den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van

zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken

enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat

hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte.

Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte

grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van

het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe

holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes

sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons

omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen

van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk

groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde

schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met

donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer

verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat

hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje

altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren

in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij

zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend

gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van

den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien.

Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat

zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is

men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even

ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande

ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral

uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In

het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht,

zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland,

de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan

15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer

hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland

het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de

Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel

niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar

tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen

van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en

April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot

den 5en Mei plaats hebben.

De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer

jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde

levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger,

eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs

vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan

over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk

stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het

voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan

men ze jaren lang in 't leven houden; zij moeten echter tegen koude

beschut worden, zoodra de winter aanvangt.

In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens

zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt

zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een

scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse

vleugels en een stompe kuif op den achterkop.

Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt

hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk

maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van

het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden

met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de

zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren,

die deels brak, deels zout water bevatten.

In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen,

hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren

leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren

komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit

van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij

en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld

kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er

kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is.

Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van

zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting

omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in

het midden van April, vele nog in Mei.

De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen,

kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk

hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het

spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen

de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de

meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen

het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt

de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten,

soms als geslachten worden beschouwd.

Het Leven der Dieren: Hoofdstuk 7: De Pluviervogels · 第 4 / 13 段