Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras;
hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook
dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen
buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden
met de insectenjacht bezig.
De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen
onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen
bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant,
zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen
ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige
aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den
Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek
bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder
dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine
stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het
wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop
en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te
vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar
leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone
wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen
door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid,
maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het
oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen
in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te
redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders
spoedig losser.
De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die
van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht
en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt,
hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap
wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op
dezelfde wijze.
Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter
[Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2
cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen,
overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt
hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart
vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge
noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons
vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij
op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den
winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden
aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen,
Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop
onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts
wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen.
Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus
(Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin
met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken,
den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder,
overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen,
den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin
en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart,
de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens
zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of
vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de
snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig
loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de
zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM.
De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland
ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd,
is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5
cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de
lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste
groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart,
die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds
aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur
van den voet.
Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten
de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun
verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op
IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle
overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip
broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van
Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan
meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken
begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw
door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus
en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten,
die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten
waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele
overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche
Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot
aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een
verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van
kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de
Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere
woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering
op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge
boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel
werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte
terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen.
Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol,
dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus
hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers
van den Boschruiter.
De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen
in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en
Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen,
in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het
water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer
boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde;
voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten
op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den
grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine
vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van
de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken,
vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker
groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de
jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en,
als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich
te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe,
zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en
worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht.
De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel
het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken
en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze
onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten
en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij
minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en
dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer
verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is
langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde
spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels
zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De
buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden
(bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen
is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort.
De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond,
maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en
Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten,
vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier,
bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine
dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven,
evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken",
gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog
ver af is.
De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in
Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd
(Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche
soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en
9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4
cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is
vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits
zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit;
de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter
zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik,
de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den
zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders,
den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug
en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden.
De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen
van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in
Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in
Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar
is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den
zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en
in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt
hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen
behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen
tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra
(in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn
zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend,
dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den
paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in
het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur,
met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij
grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij,
evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht.
De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse
Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa
lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met
bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met
roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den
hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van
de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte,
overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd,
de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog
is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet
zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM.
Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek
bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en
Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten
getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters
blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier
slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van
Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op
hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee,
zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden,
keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als
de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte
tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant
en volgen de terugwijkende golven.
Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren,
kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een
grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk,
zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik
te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten
wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig
is bij hen niet aanwezig.
In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere
Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de
veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger
onderscheiden en blijven jaren lang gezond.
De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak
benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand
dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige
spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de
onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en
hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen
zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote,
spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange,
uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het
harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan
dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling
en in de verschillende jaargetijden overeen.
De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant
Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en
Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't
Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste
der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte
bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De
veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de
benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de
slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan
de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken,
de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is
donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel
olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs.
Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd,
want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl
hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van
Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even
geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft
er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame
verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en
broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage
moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief,
wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht
hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren,
vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij
soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier
weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen
verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard,
zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere
Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens
zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere
strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis
niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle,
klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied
tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu",
"keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten
van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en
van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied
beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond
tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van
planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen
en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote
lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland
en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de
monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in
grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde
"stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten
hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de
fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam.
Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden,
Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën,
voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel
van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in
het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de
gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel
en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen
van goede geestvermogens.
De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is
daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de
broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het
watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel
belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt
deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen.
De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp
en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten
(Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale
lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere
snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk,
is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met
een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn
wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren
witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere,
aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin,
de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.
Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in
de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van
Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië
tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als
hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze
bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden
aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en
meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart
tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van
hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk
trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort.
De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de
Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië,
broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika
uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver
werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland,
Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den
Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn
aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed.
De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine,
Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden
hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor
het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan
den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten
ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft
zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig
benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels,
welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12
pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een
buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden
van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij
op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar
zuidelijker landen, maar naar de open zee.
Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende
Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als
in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het
zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon
bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine
vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf
houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele
mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats;
aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen
groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele
opzichten duister en raadselachtig voor.
De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland,
broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders
(Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs,
die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de
zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel
en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In
den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte
van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM.
In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland,
Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische
toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft
hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer
en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja
zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte,
door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag
van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op
Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk
met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt.