enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren
van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet
slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika;
men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den
Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de
Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook
Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in
ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel
minder algemeen dan de Kieviten, Grutto's en Tureluurs; in de lage
hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland
bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij
veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken
van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee
ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van 't woord.
In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne
broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer
te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij 's nachts; altijd
vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige
orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de
winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse.
Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die
een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en
vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige
wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die
van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls
op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de
grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond
meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel
rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als 't ware
een overgang tusschen deze beide geslachten.
Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te
danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed
met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw
bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van
den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht,
bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen
of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens
en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel,
dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die
op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders
wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten
dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te
vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd
ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in
't kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes
in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om 't
even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden,
of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren
lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag,
kortom in alle omstandigheden. In 't open veld komen zij bijeen op
bepaalde kampplaatsen (in Friesland "rid" of "haantjerid" genoemd), die
in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van
elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt;
waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander
opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is
een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide
plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal
mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar
iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden,
verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich
ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er
geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek.
"Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is," zegt Naumann,
"kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig
geen lust in 't vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden
enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist
gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en
gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den
rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen
voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen
zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar
keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit
op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen
verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor,
dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen
elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen
elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op,
dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en
bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men
hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan;
daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van
het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander,
zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag
bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo
uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den
snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als
helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt;
alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo
opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in
de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende
aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de
beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen;
deze wordt door een langere pauze gevolgd.
"Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde
kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig,
waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed
vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige
veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan,
is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij
heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms
te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn,
dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige
opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die
de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen."
Als de tijd van 't eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in
gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door
verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid
van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden
ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het
moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een
gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat
gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte,
die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine
of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer
dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang,
houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op
de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt
hetzelfde op te merken.
Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt
spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite
maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken
te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten
getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.--Zij
schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk,
wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs
wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in
een hok geplaatst worden, nog eerder aan 't vechten gaan dan aan 't
eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en
verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang
de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt,
brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven
zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat
verleiden tot het aannemen van een dreigende houding.
De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten,
ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed.
De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker
dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel
en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of
iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits
hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun,
soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de
buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden;
de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen
gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond,
trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het
lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal 's
jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering
verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend
voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits.
Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers
hoofdzakelijk in 't noorden thuis; alle soorten trekken echter
geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich
op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen
en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren
vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer
verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote
zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang
sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en
zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge,
fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de
eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust
meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de
vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren,
die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en
door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds
op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten,
bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren
spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen.
Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten
nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven,
het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst
biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan 't leven
in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke
verzorging jaren lang als gevangenen in 't leven gehouden worden.
Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de
Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel,
die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de
vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa
en ook ons vaderland bewoont--de Oeverlooper of Steenvink (Actitis
of Tringoides hypoleucos)--is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met
groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche
en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van
de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte
plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder
schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de
armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte
vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden
vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft
en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met
smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart,
aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21,
staartlengte 6 cM.
Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten,
van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt
deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij
voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende
den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van
rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door
een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven
en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze
worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook
van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften
en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals
onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door 't plotseling strekken van
den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij
loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend
en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat
uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer
als "iediedied" klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en
eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen
onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer
dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige,
met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed
gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een
plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren,
welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber
roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw,
paars en roodbruin gevlekt en gestippeld.
Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den
staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd.
De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die
soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der
Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus
heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den
snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van
het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart
met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn
zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst,
die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de
handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van
de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met
witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche
wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en
de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren
donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige
kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en
overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart,
de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM.
Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk
vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland
bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen
in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet
waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren
en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men
hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts
gedurende korten tijd; zoo vindt men hem "in den nazomer bij Ameland
en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms
in groote vluchten" (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op
verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika;
zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij
bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten
van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika
en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij
strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur
echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel
bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers,
Steltkluiten, Grutto's en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar
het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op;
zij volgen hem althans blindelings.
De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters
eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs
fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over
den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een
vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend
in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt
met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op
het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken
in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door
doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is
een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als "tsjiea"
klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht
"diek diek", toont angst door een krijschend "kruu kruu", en laat in
den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel
gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken
"dahudl dahudl dahudl" een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne
verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid,
is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al
zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken
beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen
ten richtsnoer.
Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere
Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren,
waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften
en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen,
Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee
bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit
jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met
de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten,
en ook ver in het water naliepen.
Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en
Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker
landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in
de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door
mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt
kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid,
meestal onder een struik.
De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst
moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te
vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat
hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren
lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels
in 't leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een
door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen.
De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland
Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen
Tuutling, in Friesland Tjerk (in 't Friesch Tjirk), in Zeeland
Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter
genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht;
de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine
langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken
geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte
dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig
grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde
vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin,
de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de
binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die,
met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben,
zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt
gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode
dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende
dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood,
aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27,
staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met
zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan 's zomers.
Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage
landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de
meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij
op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het
binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door
waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en
September en komen in April terug. Zij reizen 's nachts; in den herfst
volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust,
dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel
te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun
reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland,
waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter
komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden
van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa
(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-,
Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap
de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de
Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen.
Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer
voorstellen kan door "dzjaü" of "dzjnü"; zijn waarschuwend geschreeuw
gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen
geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken
"duuk duuk"; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de
paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een
echt jubelgezang, dat men door de teekens "dliedl, dliedl, dliedl"
ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt
toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood
verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij
treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als
de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel
onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een
kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats
vermetel het leven in de waagschaal stellen.