De blauwe golven van den Atlantischen Oceaan, zich wiegend tusschen
Zuid-Amerika en Afrika, omspoelen de steile rots van het eiland Sint
Helena, waarop Napoleon zijne dagen in ballingschap sleet. De Corsicaan
was op zekeren dag, tot niet geringe verbazing der bewoners, die noch
van zijn ontvluchting van Elba, noch van zijn tweede nederlaag iets
gehoord hadden, op de "Northumberland" aangekomen. Natuurlijk was er
geen geschikte woning voor den keizer gereed en er werd besloten,
dat hij het huis van den heer Porteus te Jamestown zou betrekken,
tot Longwood voor zijn ontvangst zou zijn gereedgemaakt. De dag
na zijn aankomst maakte Napoleon een tochtje te paard en zag bij
die gelegenheid het buitenverblijf van den heer Balkombe, officier
magazijnmeester bij het leger, dat zeer in zijn smaak viel en waar
hem op zijn verzoek, werd toegestaan zich te vestigen. Deze villa
"Briars" geheeten, lag ongeveer vier Engelsche mijlen van Jamestown op
een der vriendelijkste plekjes van het eiland. Een groene vlakte met
weelderigen plantengroei en een groote vijver, waarin duizenden goud-
en zilvervischjes spartelden, strekten zich voor het huis uit. Het
geheel was omgeven door kale rotsen; van den hoogsten stroomde een
kristalhelder beekje, dat schuimend zich in den vijver stortte.
Ruim drie weken had Napoleon dit kleine paradijs bewoond en op
vriendschappelijken voet met de familie Balkombe omgegaan, toen hij
den wensch te kennen gaf het als zijn eigendom te mogen beschouwen. De
gouverneur echter weigerde aan zijn verlangen te voldoen en de keizer
werd naar Longwood gevoerd, waar hij nu reeds twee jaar woonde.
Op een namiddag zat onder de veranda van de "Briars" een klein
gezelschap rond de tafel geschaard. Mevrouw Balkombe rees op en ging
haar echtgenoot tegemoet, die vergezeld van een Engelsch zeeofficier
en twee heeren in buitenlandsch uniform met snellen pas naderde.
"Ik breng een vreemden gast mee," zeide de heer des huizes, den zeeman
aan zijn vrouw voorstellende. "Mijn vrouw--Lord...."
"Westfield! zoo waar, Westfield! Wel, vriend, ik herkende je dadelijk
al zie je er verd... excuseer mij, dames--al zie je er veel mannelijker
uit. Welkom op St. Helena!" zeide met een commandostem een kapitein
ter zee. Hij liep naar den vreemde toe en drukte hem hartelijk de hand.
"Mijneheeren," begon de heer des huizes, "mag ik u voorstellen Lord
Westfield uit Londen, die vanmorgen plotseling uit zee opdook en
gaarne als eerste luitenant op de "Eagle" zou worden aangesteld in
de plaats van mijnheer Cupples die het tijdelijke met het eeuwige
heeft verwisseld."
"En die men voor luitenant Tom Hunter heeft aangezien," voegde onze
vriend er bij.
"Ei zoo, is dat het geval," klonk weer de commando-stem.
"Dan krijgen wij zeker een interessante geschiedenis te hooren,"
merkte een andere officier op.
"Waar wij gaarne naar willen luisteren," zeide mevrouw Balkombe. De
gastheer stelde de andere gasten aan Ned voor en allen namen plaats
aan de tafel, die van allerlei verfrisschingen was voorzien.
"Weet je nog, Westfield," vroeg zijn oude kennis, kapitein Wallis,
"waar wij elkaar het laatst hebben gezien?"
"Zeker! Te Plymouth!"
"Ja, en daags daarna ging je onder zeil naar het Afrikaansche station."
"Op de goede, oude "Pandora!""
"En heb je verdui..... excuseer dames.... en heb je daar kranig
aangesteld. Ik hoorde het, toen ik eindelijk uit de handen der
Franschen kwam. Dat was een vervloek.... nogmaals excuus.... ik wou
zeggen een ingewikkelde geschiedenis, die mij naar Parijs bracht."
"Dat moet gij mij toch eens vertellen, kapitein," zeide een der
vreemden, die een donkergrijs uniform droeg, gebrekkig Engelsch sprak
en aan Ned was voorgesteld als een gedelegeerde van Rusland. Zijn
metgezel, gekleed in een witte rok, was een Oostenrijker. Beide heeren
waren door hun Keizers naar St. Helena gezonden om de gangen van den
nog altijd gevreesden Corsicaan te bespieden.
"Een ander maal," antwoordde de kapitein, "nu is Westfield aan het
woord. Hij moet ons zijn raadselachtige komst verklaren."
"Graag," riep een officier, kapitein Poppleton van het 53e
regiment, wiens plicht het was Napoleon geen seconde uit het oog te
verliezen. "Ja, lord Westfield mag vertellen. Dan hoor ik nog wat
nieuws en geniet dubbel van mijn vrijen dag. Ik kan u verzekeren,
dat het op Longwood zeer vervelend is."
"Mijn verhaal is kort en eenvoudig, nauwelijks de moeite van
luisteren waard," merkte Ned aan. "Ik was te Cowford, met stijgend
ongeduld mijn aanstelling bij de marine wachtend, toen mij een
paar kostbare diamanten werden ontstolen. De vervolging van den
inbreker bracht mij naar Portsmouth, waar ik Tom Hunter, eerste
luitenant op de "Orion" ontmoette, die in een duel zijn chef had
doodgeschoten. Natuurlijk redde ik mijn ouden vriend, die tot dat
duel gedwongen was geworden, en stak zijne papieren in mijn zak. Ik
stapte weer op den Oost-Indiëvaarder waar de dieven zich bevonden, doch
had nog geen bewijzen genoeg om hen gevangen te laten nemen, toen de
"Eagle" ons schip aanhield om naar Tom Hunter te zoeken. Het spreekt
vanzelf dat ik een naamkaartje van Tom verloor en als vluchteling werd
gepakt. Naar St. Helena gebracht, trof ik een aantal zeeofficieren,
die mij als Ned Westfield herkenden en als gevolg kreeg ik mijn
vrijheid terug. Dat is het heele verhaal."
"En op eens zijt gij weer luitenant bij de marine. Dat hebt gij aan
Cupples te danken."
"Hoe zal het nu met de gestolen diamanten afloopen?" vroeg mevrouw
Balkombe.
"Met de eerste gelegenheid ga ik naar Kaapstad om de dieven verder
te vervolgen."
"Dat kan nog wel eenige weken duren," meende kapitein Wallis,
"al is het ook waar, dat tegenwoordig hier meer schepen aanleggen
dan vroeger."
"Een paar dagen geleden meenden wij, dat uit het Noorden een schip
hierheen kwam," vertelde Poppleton, "maar het zette koers naar het
Westen."
"Uit Kaapstad is heden een brik binnengeloopen. Wat een prachtig
vaartuig!" zeide de Oostenrijker. "Het is bestemd voor Marseille. Wie
daarop mede kon!"
"Een prachtstuk," stemde kapitein Wallis toe. "Het schip heeft een
officier van den "Ouden Nap" [14] aan boord, die zijn leven wil wagen
om nog eenmaal zijn keizer te zien."
"Stond Sir Hudson Lowe hem toe Napoleon te bezoeken?" vroeg de dochter
van mijnheer Balkombe.
"Wij hebben noch Poppleton, noch Sir Hudson, den cerberus van den
"Ouden Nap" om verlof gevraagd. Ik zag den man te Jamestown rondsluipen
en liet hem aan boord van zijn brik terugbrengen met de boodschap,
dat hij als spion zou behandeld worden zoodra hij weer een voet aan
wal durfde zetten."
"Waarom zoo wreed?" vroeg mevrouw Balkombe.
"Omdat het mij niet verwonderen zou, indien de Franschen, die onzalige
kikkerknauwers, die zoo verd.... excuseer me.... zoo weinig tevreden
zijn met hun koning, pogingen zullen aanwenden om hun keizer terug
te krijgen. En wie weet welke onheilen die ellendeling stichten zou
als men hem zijn vrijheid weer gaf."
"Voorzichtigheid is geraden. Ondanks voorzorgen en waakzaamheid
wordt er nog gelegenheid gevonden generaal Bonaparte te naderen,"
merkte Poppleton aan, die het bevel volgend, Napoleon den titel gaf
dien Engeland hem toestond.
"Wel, wel, kapitein, gij volgt hem als zijn schaduw en kan dan tòch
nog een vreemde hem nabij komen?" spotte Ned.
"Ja toch," bevestigde Poppleton langzaam met het hoofd
knikkend. "Gisteren gebeurde er iets, waardoor ik niet weinig ontsteld
was. De generaal, vergezeld door Bertrand, Montholon, Gourgaud en mijn
persoon volgde het voetpad langs Halleys Mount. Plotseling sloeg hij
links af, gaf zijn paard de sporen en reed tot het hoogste punt van
den rots. Groote steenen vlogen naar alle kanten. Wel zijn wij goede
ruiters, maar geen onzer volgde hem. De generaals waagden het niet
en mijn paard weigerde verder te gaan."
"Bonaparte kon toch onmogelijk te paard naar Frankrijk vluchten,"
spotte nu ook de Rus.
"Natuurlijk niet. Maar hoe licht kan een mededeeling een complot
betreffend, hem op die wijze bereiken, zonder dat wij er iets van
gewaar worden! Tot mijn schrik zag ik hem aan de andere zijde van den
berg verdwijnen. Ventre à terre reed ik naar de hoofdstraat, vandaar
naar Lemon Balley.... geen spoor van hem te ontdekken. Wel zag ik op
Harvey Hill een onbekend individu, maar het ontbrak me aan tijd om mij
met hem te bemoeien. God weet of hij niet een tusschenpersoon was. In
vliegende vaart ging het verder, naar Longwood, waar ik tegelijk met
Bonaparte aankwam."
"Hoe zag die kerel er uit?" vroeg Wallis.
"Gewone lengte, zwart haar en donkeren knevel....,"
"Intelligent gezicht, gekleed als een landrat?" viel de ander hem in
de rede.
"Juist, juist!"
"Maar die men best voor een zeeman zou kunnen houden?"
"Ja, dat is de kerel! Kent gij hem?"
"Het is dezelfde die "oude Nap" wilde zien en die ik naar zijn schip
liet terugbrengen."
"Het zou wat moois zijn als de wreede tyran zijn vrijheid herkreeg
en Europa opnieuw zijn zonen moest offeren aan den bloeddorst van
dezen tijger!"
"Gaat gij niet een weinig te ver in uw haat tegen Napoleon?" vroeg
Mevrouw Balkombe.
"Hij heeft niets anders verdiend," beweerde Wallis, de schouders
ophalend. "Mijn haat tegen den ouden Nap is algemeen bekend, daarom
heeft men mij op de "Podargus" geplaatst en hierheen gezonden om hem
te bewaken."
"Haat is een streng bewaker," meende Poppleton, "maar vindt een
waardigen tegenpartij in..... list."
"Maar Poppleton, heeft die Franschman te Halleys Hill je zoo angstig
gemaakt?" plaagde Balkombe.
"Te voorzichtig is beter dan nalatig," luidde het antwoord.
"Zullen wij morgen tot geruststelling van den kapitein een razzia door
het eiland houden?" stelde Balkombe voor. "Ik moet toch te Longwood
zijn. De heeren gedelegeerden willen misschien gaarne medegaan?"
Beiden bogen toestemmend en Balkombe vervolgde:
"En gij, Mylord? Zijt gij vrij van dienst en hebt gij lust u bij ons
aan te sluiten?"
"Ik heb onbepaald verlof om de dieven te kunnen vervolgen," zeide
Ned. "Gaarne wil ik van de partij zijn, mijnheer Balkombe. Gij voorkomt
mijn wenschen, waarvoor ik u zeer dankbaar ben."
"Blijf vannacht hier logeeren, Mylord, dan vertrekken wij
morgenochtend, zoodra de kanonnen op de batterijen het aanbreken van
den dag hebben aangekondigd."
"Ook deze uitnoodiging neem ik gaarne aan. Maar ik heb mijn bagage
niet bij de hand."
"Tobias zal ze dadelijk uit Jamestown halen. Nog op de "Eagle"?"
"Neen. In het hotel "Roos en Kroon."
Balkombe verwijderde zich om de noodige bevelen te geven.
"Het spijt me, mevrouw, dat ik u zooveel moeite veroorzaak," vervolgde
Ned, zich tot de gastvrouw wendend.
"Volstrekt geen moeite. Tobias gaat elken avond naar stad. Hebt u
nog boodschappen, wees dan zoo goed ze op te geven."
"Vriendelijk dank, mevrouw."
"En zullen wij spoedig afscheid nemen?" stelde de Oostenrijker
voor. "Het zal morgen een vermoeiende reis zijn, een goede dosis
slaap zal ons best te pas komen."
De heeren betuigden hun bijval en in opgewekte stemming verlieten
zij de gastvrije woning.
"Stipt op tijd," zeide de Rus toen hij en zijn Oostenrijksche collega
gelijktijdig met Ned en Balkombe "Plantation House", het verblijf
van den gouverneur, bereikten.
Het gedonder der kanonnen kondigde den bewoners der dalen den nieuwen
dag aan. In het Oosten wierp de zon haar eerste schitterende stralen
over de blauwe golven en kleurde rozenrood den blanken nevel waarachter
de bergen zich verscholen.
"Geschrikt van de aardbeving vannacht?" vroeg Balkombe, de heeren de
hand schuddend.
"In den kortst mogelijken tijd stonden wij allen buiten de huizen,"
antwoordde de Oostenrijker. "Sir Hudson Lowe meende, dat de "Podargus"
in de lucht was gevlogen."
"Of er ook ongelukken gebeurd zijn?"
"Wij hebben er niets van gehoord," zeide de Rus.
"Zullen wij eerst het Noordelijk deel van het eiland afrijden?" Of
hebben de heeren een ander voorstel?" vroeg Balkombe.
Allen stemden met het plan in, alleen werd op Neds verzoek eerst het
prachtige park van "Plantation House" bezocht, toen ging de stoet
verder het Noorden in, over vlakten, heuvels en berghellingen. Tegen
den middag werd er halt gehouden, het medegebrachte maal genuttigd
en een glas Kaapsche wijn gedronken. Daarna kwamen de pijpen te
voorschijn; de rookwolkjes stegen kronkelend omhoog boven de hoofden
der mannen, die zich behagelijk hadden uitgestrekt aan den voet van
den Diana-piek.
"Nu kunt gij u een goede voorstelling maken van St. Helena,
Mylord," zeide de Oostenrijker. "Kale vlakten, steengroepen en
rotsen in overvloed, maar om het eiland, zooals de Franschen doen,
een onherbergzaam oord te noemen, is toch bezijden de waarheid."
"Dat is het zeker! "Briars" bijvoorbeeld is heerlijk gelegen en
"Plantation House!" Allermooist! De dalen en bergen zijn hier zoo
liefelijk, daar zoo romantisch, ginds zoo woest, dat ze in hooge mate
mijn bewondering wekken."
"En dan de aanblik van de onmetelijke zee," voegde de Rus erbij.
"Ik moet eerlijk bekennen, dat het zien van die eindelooze watermassa
me dikwijls wee maakt", zeide de Oostenrijker. "In Longwood krijgt
men er meer dan genoeg van."
"Voor Bonaparte moet het al bijzonder onaangenaam zijn, omdat de
zee hem elke poging tot ontsnappen belet. Hij heeft nu ruimschoots
gelegenheid er over na te denken waarheen grenzelooze eerzucht en
eigenbelang voeren."
"Gij zijt onverzoenlijk Mylord," merkte Balkombe aan. "Heeft kapitein
Wallis u met zijn haat aangestoken?"
"Volstrekt niet. Maar het lot, den Corsicaan getroffen, schijnt mij
een gerechte straf."
"'t Is inderdaad geen gekheid voor den man, gewoon de geheele wereld
sidderend aan zijn voeten te zien liggen, nu gedoemd te zijn dag aan
dag de meer of minder wilde vaart der wolken te beschouwen, het spel
der golven gade te slaan," beweerde de goedhartige Oostenrijker. "Of
zich den tijd te korten door met kleine pistolen, die niet eens een
haan het leven kunnen benemen, naar de schijf te schieten!"
"Hudson Lowe is een streng bewaker," mengde de Rus zich in het
gesprek. "Maar Napoleon en vooral zijne vrienden hebben dit aan
zichzelf te wijten."
"Dat moet ik volmondig toegeven," sprak Balkombe. "Buitendien heeft
de gouverneur strenge orders van de Britsche regeering. Meermalen
heb ik bijgewoond hoe Napoleon inbreuk maakte op de rechten van
Sir Hudson en hoe hij het hoogste woord verlangde zelfs in het
administratief beheer van het havenstadje. De heeren Franschen hebben
zich vaak gedragen als waren ze niet gevangen genomen, niet hierheen
verbannen. Na tallooze botsingen heeft Napoleon zich teruggetrokken en
bemoeit zich met niets meer. Daarbij komt nog dat hij ziekelijk is. De
generaals, die zijn ballingschap deelen, houden hem gezelschap. In de
eerste plaats Bertrand en zijn echtgenoote; ook mijn familie bezoekt
dikwijls Longwood. Onlangs bezocht hem een graaf Pintkowski, die als
officier den veldtocht naar Rusland heeft meegemaakt. Hij wilde bij
den ex-keizer blijven, maar Sir Hudson weigerde zijn verzoek."
"Op mijn raad," bekende de Rus. "Hij was geen Pool. Wie weet waar
kapitein Pintkowski gesneuveld was en hoe de ander in het bezit zijner
papieren is gekomen."
"Misschien was hij wel een handlanger van een handlanger, die een
poging om te ontvluchten wilde voorbereiden," spotte Ned.
"Wie onze fregatten, onze batterijen en de talrijke wachtposten ziet,
zal den lust tot zulk een poging wel vergaan," beweerde Balkombe.
"Gij moet weten, Mylord, dat dagelijks een heele compagnie de wacht
betrekt."
"Buitendien zijn op alle punten, die er zich toe leenen, stations
voor de optische telegraaf ingericht, waarmee men onmiddellijk dag
en nacht de noodige seinen kan geven. Het centraal bureau ligt op
een heuvel ten Noordoosten van "Plantation House."
"Wie bij zulke voorzorgsmaatregelen nog vluchten kan!" plaagde Ned.
"Te paard, heeren! Nu naar Longwood!" zeide Balkombe. "Wij hebben
niet ver te rijden."
De paarden, die genoeg voedsel gevonden hadden, werden bestegen en
toen ze de berghelling waren omgereden lag de hoogvlakte van Longwood
voor hen. Het is een naar het Noorden afhellende, kale vlakte, waarop
behalve een soort van ruw gras, dat door de paarden niet gegeten
wordt, weinig groeit. In het Zuiden gaat zij over in ruwe rotsen,
die met steile wanden afdalen. De inzinking, hierdoor gevormd,--het
stille of Nymphen-dal genoemd--wordt doorsneden door een van den
Diamant-piek afstroomend riviertje. Zoowel het dal als het water
komen uit in de Prosperious baai.
Op weg naar de gebouwen van Longwood kwamen de ruiters voorbij de
hoofdwacht en reden toen langs een klein dal, waarin eenige treurwilgen
een borrelende bron beschaduwden, die door een weelderige vegetatie
was omringd. Bij het koele water hadden zich drie personen neergezet;
het waren Bonaparte, Bertrand en Montholon.
"Dat is Napoleons lievelingsplekje," zeide Balkombe tot Westfield,
terwijl hij den hoed afnam. De anderen volgden zijn voorbeeld en de
Franschen groetten achteloos terug.
Op het hoogste punt van Longwood hadden de ruiters een prachtig
uitzicht.
De zee baadde in zonneglans, de golven vleidden hun geschuimde koppen
tegen de steile rotsen en het zachte grastapijt dat de gebouwen omgaf,
vormde een liefelijke tegenstelling met den somberen aanblik van het
overige deel van het eiland. In het Zuiden werd de blik begrensd door
groote rotsblokken, overhangende klippen en hooge bergen waarop geen
andere planten tierden dan bosjes zeevenkel en eenige aloës.
De woning van Napoleon, één verdieping hoog, stak uiterlijk weinig
af bij de overige gebouwen. Het front had vijf ramen en een deur,
vanwaar een kleine trap naar den tuin voerde; aan weerszijden sloten
zich de bijgebouwen aan, elk met vier vensters. De zeven vertrekken,
die hij ter zijner beschikking had, waren klein en laag; aan de wanden,
bekleed met gestreept linnen, hingen enkele familieportretten. De
keizer had buiten zijn slaapvertrek, waarin het kleine veldbed stond,
dat hij op al zijn krijgstochten medenam, een kleed-, bad-, eet- en
biljardkamer laten inrichten, De overige ruimte en eenige nabij gelegen
huizen werden door het personeel en het gevolg bewoond. "Hutsgate,"
ten noorden van Longwood, was door generaal Bertrand en zijn familie
betrokken. Het tuintje om Napoleons huis, door een eenvoudige houten
schutting afgesloten, diende den ex-keizer dikwijls tot afleiding.
De gedelegeerden van Rusland en Oostenrijk begaven zich naar hun
eigen woningen, die in de onmiddellijke nabijheid der overige gebouwen
gelegen waren en Ned liet zich door Balkombe de verschillende plekjes
wijzen waar Bonaparte gaarne vertoefde.
Bij hun terugkomst stonden op eenige passen afstand van zijn
huis Napoleon en Bertrand, die intusschen uit het dal waren
weergekeerd. Zonder eenigen aandacht te schenken aan de schuimende
branding, die den banneling een eeuwige, onverbreekbare keten moest
voorkomen, tuurden zij naar een schip, dat aan den horizont opdoemde.
"De "Conqueror"?" vroeg Ned.
"Ik geloof het wel," antwoordde Balkombe.
Napoleon en Bertrand kwamen naderbij.
Balkombe boog en Ned groette zooals hij een Britsch generaal zou
hebben gegroet.
"Sire, ik heb de eer u Lord Westfield, mijn gast, voor te stellen."
"Aangenaam," zeide Napoleon met een ernstig gezicht en zich niet
de minste moeite gevend, om zijn slechte luim te verbergen. "Zoo
juist verneem ik dat men een voormalig officier van de groote armee,
den Pool Pintkowsky, belet heeft mij te bezoeken," vervolgde hij in
slecht Engelsch. "De eigendunkelijke handelingen van den gouverneur
zijn nauwelijks meer te verdragen."
"Pardon, Sire. Ik weet uit de beste bron, dat de bewuste officier
noch een Pool, noch kapitein Pintkowsky was."
"De gouverneur kent natuurlijk kapitein Pintkowsky persoonlijk!" klonk
het vinnig van Bonaparte's lippen.
"Dat niet; maar de Russische gedelegeerde....."
"Kende hem vermoedelijk evenmin..... maar genoeg. Ik weet buitendien
wel hoe de Britsche hoffelijkheid zich uit. Pardon, heeren, voor
u maak ik een uitzondering. Gij zijt kort geleden tot hooger rang
bevorderd, mylord?"
"Dat niet," zeide Ned, "maar wel is mijn uniform nieuw."
"Gij zijt gelukkiger dan ik, monsieur. Ik moest mijn rok laten keeren,
omdat ik geen groen laken kan krijgen zooals ik voor mijn uniform
noodig heb. Kan ik u even over zaken spreken, mijnheer Balkombe?"
Napoleon groette Ned kortaf en ging, gevolgd door Balkombe zijn
woning binnen.
Onze vriend wandelde langs de verschillende gebouwen, genoot van het
prachtige uitzicht en slenterde ten slotte naar het stille dal waar
hij Napoleon het eerst had gezien. De frissche zeewind koelde hier
de temperatuur wat af, Ned koos een plaatsje en vleide zich neer in
de schaduw der wilgen.
Allerlei gedachten dwarrelden door zijn brein: Napoleons gevallen
grootheid, Albions trotsche macht, zijn liefelijk tehuis, zijn vrienden
op de "Magada" en de diefstal der diamanten. Kwam er toch maar een
schip waarmee hij naar Kaapstad kon vertrekken! Intusschen zou hij
zich zoo goed mogelijk amuseeren met wat het toeval hem bood..... De
vriendelijke, beminnelijke familie Balkombe, dat prachtstuk van een
Wallis, die in iederen vreemde een verrader zag! Was zelfs deze rit
niet op touw gezet om naar verdachte individuen te zoeken? En men
had geen sterveling gezien....
Een windvlaag, die de takken der wilgen schudde en de dorre blaadjes
heinde en ver strooide, brak Neds gedachtengang af. Hij keek op en
zag een smal strookje wit papier, dat dwarrelend, nu hoog dan laag,
op den adem van den wind tot hem kwam. Gewoon alles van beteekenis
te achten zoolang hem het tegendeel niet was gebleken, nam hij het
papiertje van den grond en streek het glad.
Hij las:
"Gereed! Op den dag van het inloopen van de C. Een
u. v. m. Prosperious!