Pedro antwoordde zooals gewoonlijk: "hm, hm!"

"Wees toch dapper, maat! Bij den eersten storm den besten zinkt het

schip toch..... als het zich nog zóó lang boven water houdt..... wat

zeg je, Pedro? ..... Niet kwaad, he? De meeste kameraden zijn voor

het plan..... sluit je bij ons aan."

"Hm, hm. En denk je heelemaal niet om mijnheer Frog?"

"'t Mocht wat! Hem neem ik voor mijn rekening."

"En de tweede stuurman....."

"Is een lafaard. Zoodra hij lont ruikt, kruipt dat oude wijf in

zijn kooi."

"Ja, maar kapitein Harryson, die heeft zoo van die eigenaardige,

alles-in-de-war-sturende manieren....."

"Vervloekt! De oude man wordt eenvoudig in zijn kajuit opgesloten;

krijgt goed eten en drinken en kan er mijnentwege tot zijn dood

blijven."

"En de dokter, mijnheer Hyde, de adelborsten.....?"

"Loop naar den duivel, oud wijf! Al de passagiers hebben geld, goud en

sieraden. Die onderhandelt, blijft in 't leven, die weerstand biedt,

krijgt de visschen. Zoodra de zaak afgeloopen is, nemen wij de booten

en varen weg. Je ziet, alles is afgesproken, dus..... sla toe."

"Hm, Jim, ik ben roover noch moordenaar en wil er geen worden

ook!" zeide Pedro kalm.

"Kerel, weet je wel wat je zegt? Ik heb je in de kaart laten kijken,

meenend dat je een verstandige, flinke vent waart, met energie genoeg

om het fortuin te dwingen je gunstig te zijn. Nu bestaat er kans,

dat je mij aan allen verraadt. Maar het zou je dood zijn en....."

"Geen dolle streken, Jim! Je voorstel heeft me verrast; wat niet is,

kan worden. Denk eens even na. Welk voordeel zou het mij doen als ik

den verrader speelde? De opstand aan boord brak dan dadelijk uit,

de schoener werd gewaarschuwd en met mij zou het gedaan zijn. Ik

zou wel zoo dom als een stokvisch moeten wezen, indien ik het plan

verraadde. De eerste kogel kreeg ik..... dank je wel. Ben ik roover

noch moordenaar, evenmin ben ik een laffe verklikker..... Doe wat je

wilt, mij kan het niet schelen."

"Als ik je niet vertrouwde, Pedro, had ik je niet in onze plannen

ingewijd, maar..... denk niet te lang na."

"Laten wij er niet meer over praten. Als de storm losbreekt, sta ik

mijn man. Reken daarop," antwoordde Pedro dubbelzinnig. "Kom ga mee

naar de kooi, 't is tijd."

Pedro hield zijn woord, alleen raadde hij Ned zijn pistolen na te

zien. James, wien het evenmin was ontgaan, dat er iets broeide,

had hem ook al gewaarschuwd.

"De schoener is zoomin een zeeroover als wij," hield Ned vol. "Ik ben

geen nieuweling op zee en kan even goed een tijger van een olifant

onderscheiden als jij een walvisch van een haring. De schoener heeft

zeker een geheime zending en wil niet lastig worden gevallen. De bouw

bewijst, dat zij sneller loopt dan de "Magada" en ze blijft in onze

nabijheid om niet gepraaid te worden."

James haalde de schouders op, en moest erkennen, dat hij geen signalen

had zien wisselen.

"Oude brombeer!" plaagde Ned.

"We zullen..... wacht maar.....," en James verdween onder dek.

De "Magada" bevond zich al ten zuiden van de Kaap-Verdische eilanden;

weer en wind waren gunstig, men hoopte spoedig de baai van Biafra in

te loopen en te Fernando-Po zich van versch drinkwater te voorzien.

"Nog nooit heb ik de baai van Biafra gezien, ofschoon ik al vijf maal

langs de Westkust van Afrika gevaren ben," zeide Sir Robert Cook.

"De schepen leggen alleen dan aan wanneer de omstandigheden er hun toe

verplichten," antwoordde mijnheer Hyde. "De eigenlijke baai bezocht

ik, toen wij met een hevigen storm averij hadden beloopen. Het is

er prachtige. Gij kunt u geen voorstelling maken van de grootsche

tafereelen, van het oerwoud, het ongeloofelijk aantal visschen en

vogels. En mijlen in den omtrek geen levend menschenkind!"

"Wij moeten het zien," riep de Nabob.

"Dat zal niet gaan, Sir," merkte stuurman Frog op. "Kapitein Harryson

is ziek zooals gij weet en ik....."

"Gij kunt er met den kapitein over spreken, mijnheer Frog. De

verantwoording tegenover de Indische compagnie neem ik op me."

"Ik zal het den kapitein voorstellen. Wij zouden ook Fernando-Po

rechts kunnen laten liggen en aan den stroom water innemen."

"Gaarne stel ik een som gelds beschikbaar voor de matrozen, die er

ons heen zullen roeien. Wanneer kunnen wij er zijn?"

"Over zes dagen, Sir."

"Well! Zorg, dat de mannen hun extra loon kunnen verdienen."

De nabob verliet de kajuit en mijnheer Hyde fluisterde den missionaris

in:

"Ja, ja, met geld krijgt men alles gedaan, zoowel te land als te

water."

De passagiers trachtten zich het eentonige leven aan boord van de

"Magada" te veraangenamen door scherts en lach en kaartspel en door

het vertellen van avonturen onder het genot van een goed glas wijn.

Sir Robert Cook had zijn wil doorgedreven en zoo kwamen zij op een

goeden dag in de baai van Biafra en zetten koers naar de monding

der Cameroen. Toen zij de engte tusschen Fernando-Po en de kust van

Guinea invoeren, zagen de reizigers het gouden zonlicht glansen op de

toppen der bergen, waartusschen de oceaan zijn donkerblauwe golven

voortrolde. Aan hun rechterzijde verhief zich de Clarence-piek,

links schenen de machtige toppen van het Camaroen-gebergte als uit

de zee op te stijgen.

Het bergachtig eiland is, tengevolge van den overvloedigen neerslag,

geheel met bosschen bedekt, terwijl het continentale bergland in

de hoogere streken slechts uitgestrekte, boomlooze grasvlakten

vertoont. De verschillende frissche en toch zacht ineenvloeiende

tinten van het landschap, waren een lust voor de oogen. Als een troon

van saphier rezen de beide West-Afrikaansche bergreuzen op naar het

azuur van den hemel.

Terwijl het Cameroengebergte tot op twee derden van zijn hoogte met

opgaand geboomte is bedekt, waarboven kreupelbosch en grasvelden met

naakte rotsen en nog niet verweerde lavabeddingen afwisselen, zijn

de zijden van den Clarence-piek op Fernando-Po tot aan den grazigen

top als in een mantel van wouden gehuld en de loodrechte rotswanden

aan zijn voet, evenals de wallen van de havenplaats Santa Isabel

met een netwerk van klimmende gewassen behangen. Tusschen het in

vorm en tint afwisselende groen, schitteren de kleuren van bloeiende

boomen en slingerplanten; hier en daar rijzen de wijdgetakte kronen

der Afrikaansche reuzenboomen boven het looverdak omhoog en overal

wiegelen de vedervormige bladeren der oliepalmen.

Lang beschouwden de passagiers der "Magada" het prachtige

natuurtafereel tot het schip in den middag het aestuarium [13] van

Cameroen binnenliep en de ankers uitgeworpen werden.

Het was te laat in den namiddag om de rivier nog op te varen en dus

moest dit tochtje tot den volgenden morgen worden uitgesteld.

De matrozen lagen, loom van de warmte, op het achterdek in de schaduw

van een uitgespannen zeil. Een troepje had zich van de anderen

afgezonderd en voerde, half fluisterend, een druk gesprek met elkaar.

"Het is een uitgezochte gelegenheid," zeide Jim tot Pedro.

"Hm," zeide deze als gewoonlijk. "Nu?"

"Op dit oogenblik niet, lummel. Maar morgen als allen naar de Cameroen

vertrokken zijn. Wij, vrienden, hebben toevallig de wacht en kunnen

dus ongestoord ons werk doen. Komen de booten terug, dan zijn de

vogels gevlogen."

"Hm, niet slecht. De beide groote sloepen zullen den tocht meemaken,

wij moeten dus met de kleine vluchten. Maar waarheen? Is er hier

ergens een schuilplaats? Het kan maanden duren voor een voorbij

zeilend schip ons opneemt. Deze baai wordt zoo zelden bezocht."

"Geen zorgen, maat. Ik ken deze stroomen..... was meer hier. Goede

zaken te maken voor slavenhandelaars. En wat het vluchten betreft,

dat weet ik beter dan menigeen. Vertrouw gerust op mij."

"Hm, hm..... ik zal zien."

Den volgenden dag stapte het grootste deel der passagiers, onder

leiding van luitenant Frog, in de groote boot. Een der kleine booten

werd met leege watervaten bevracht en roeide den stroom op. Kapitein

Harryson lag ziek in zijn kajuit, Ned, Tom, James en Pedro bleven

aan boord, Jim had de wacht.

De kleine boot was intusschen met gevulde vaten teruggekeerd. De

matrozen laadden er weer leege in en roeiden weg. Aan den oever van een

vroolijk kabbelend beekje zouden zij aan land gaan en als de grootste

hitte voorbij was, terugkeeren. Deze mannen waren òf niet ingewijd

in Jims plannen òf wilden een geschikter gelegenheid afwachten. Jim

echter achtte zijn tijd gekomen.

Een schel fluitje riep de bondgenooten te zamen. Ned en Tom lagen op

het achterdek, Mijnheer Hyde en de Yankee waren mede stroomopwaarts,

James was in de scheepskeuken; Pedro..... volgde het signaal. Onze

vrienden luisterden scherp. Jim sprak zacht met zijn kameraden. Een

hunner scheen nog bedenkingen te opperen, maar eindelijk had Jim alle

tegenstand overwonnen.

"Vooruit jongens!..... Aan het werk!" riep hij.

De matrozen openden de luiken en daalden in het ruim door Pedro

gevolgd. Ned sloop dichterbij, zich opnieuw afvragend van waar de

eigenaardige brandlucht kon komen, die hij in het laatste kwartier

telkens sterker rook.

"Hel en duivel!" hoorde hij Jim vloeken. "Vanwaar komt die walm?"

"Uit de kruitkamer," zeide Pedro. "Vlug kameraden, naar boven, voor

het schip in de lucht vliegt."

Op hetzelfde oogenblik klonk een kanonschot, die de oude kast deed

trillen en niet weinig ontsteltenis wekte bij de muiters. Meenend,

dat het schip uit elkaar barstte, stormden zij naar het dek.

"Alle duivels," vloekte Jim, met een woedend gebaar naar de rookwolk

wijzend, die langs den boeg weg dreef. "Wie loste het schot? Wie

bracht vuur in de kruitkamer?"

De passagiers, die aan boord waren gebleven, schaarden zich, doodelijk

verschrikt om den tweeden stuurman, die niet minder ontsteld naar

het dek was gevlogen.

"Stilte!" commandeerde hij. "Wie heeft het schot gelost?"

Niemand antwoordde, tot dat Tom riep:

"Maar man, dat is bijzaak. Waar is je verstand gebleven? Wil je het

schip laten branden tot het vuur in de kruitkamer komt en wij allen

in de lucht vliegen?"

"Jim," gelastte de stuurman op nieuw, "je bent aangewezen tot opzichter

van de kruitkamer; doe je plicht en ga zien hoe het er mee staat."

"Dat mag de duivel doen! Ik bedank."

"Je weigert?"

"Ik ben niet gehuurd om in de lucht te vliegen. Kom, kameraden,

mee in de kleine boot."

De matrozen drongen naar voren; de reizigers, meestal vrouwen,

braken in luide jammerklachten los. Ned, James en Tom stonden met

het pistool op de muiters gericht voor de boot, de stuurman en nog

een paar heeren voegden zich dadelijk bij hen.

"Terug!" donderde Ned, die plotseling vergat een arme klerk te zijn,

"terug! De eerste, die de boot aanraakt, schiet ik dood. Jim, als je

een oud wijf bent....."

"Vervloekte klerk, pas op je tong," schreeuwde Jim.

"Als je een ellendig oud wijf bent," vervolgde Westfield onvervaard,

en een der heeren zijn pistool reikend, "dan zal ik naar de kruitkamer

gaan en naar de oorzaak van den brand zoeken."

Al pratende was hij het luik genaderd en verdween onder dek.

Onder onuitsprekelijken angst verliepen eenige minuten, minuten, die

de wachtenden uren geleken. Tot aller verlichting verscheen eindelijk

Neds hoofd; vlug sprong hij op het dek, snelde naar de achterzijde,

naar de hut door Sir Cook gehuurd en bonste met zijn vuisten op de

deur. Er volgde geen antwoord en snel besloten trapte hij de deur

in. Een dikke walm sloeg hem tegen; een oogenblik week hij aarzelend

terug, toen stormde hij naar binnen en kwam een oogwenk later terug,

miss Cook, de dochter van den rechter, in zijn armen dragend.

"Stilte! Orde!" beval onze vriend. "Het kruit loopt geen gevaar."

Allen slaakten een zucht van verademing.

"Mannen," voer hij voort, "je hebt nu gelegenheid goed te maken, wat je

zooeven hebt misdreven. Volg mij, dan zullen wij den brand blusschen."

Vlug en zonder tegenspraak gehoorzaamden de matrozen de bevelen van

Ned, behalve Jim, die brommend en vloekend tegen de fokkemast leunde.

De brand was reeds gebluscht; de passagiers en het scheepsvolk

waren op het dek verzameld, eenigen druk pratend en gesticuleerend,

anderen met bezorgden blik de matrozen beschouwend, toen de booten

terugkeerden. Nauwlijks aan boord overvielen allen Ned Westfield met

vragen; ieder wilde haarfijn weten wat er gebeurd was en wie het

kanonschot gelost had. Met enkele woorden gaf hij hun de noodige

inlichtingen, doch was zoo verstandig den voorgenomen aanval der

samenzweerders te verzwijgen.

Toen Ned zoo onverschrokken in het ruim afdaalde ontdekte hij dadelijk,

dat de rook niet van de zijde kwam waar het kruit en de patronen waren

geborgen, maar van den tegenovergestelden kant. Hij vloog er heen en

zag, dat er brand ontstaan was in de kajuit van den kapitein. Deze

zat aan tafel en stak aan een brandende kaars, die voor hem stond,

propjes papier aan, die hij naar alle zijden om zich heen wierp. Het

bed had vuur gevat, de vlammen om zich heen grijpend hadden de hut

van mijnheer Cook aangetast. Als een bliksemstraal ging het Ned

door het hoofd, dat Miss Cook haar vader niet vergezelde op zijn

tochtje naar de baai van Biafra en dat hij het jonge meisje ook niet

op het dek had gezien. Zou ze mogelijk slapen en gevaar loopen om

te stikken? Zonder zich te bezinnen was hij naar haar hut geijld,

en had haar, bedwelmd door den rook naar het dek gebracht, waar zij

spoedig haar bewustzijn herkreeg.

De kapitein, die met starren blik en open mond zijn vernielingswerk

was begonnen, zag met het glunderendste gezicht ter wereld naar het

water, dat zijn kajuit binnenstroomde en de vlammen doofde. Blijkbaar

was hij door een aanval van waanzin overvallen. Hij kreeg een andere

hut en werd dag en nacht bewaakt.

De scheepstimmerman had handen vol werk, maar na eenige dagen was de

schade hersteld en kon de "Magada" haar reis voortzetten.

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar · 第 7 / 17 题