De "Magada" schommelde op de golven van den Atlantischen Oceaan en
Tom Hunter, gerustgesteld, haalde verruimd adem.
Met evenveel opmerkzaamheid als Ned Westfield luisterde hij naar elk
woord door de matrozen gesproken en met evenveel ijver sloeg hij hun
doen en laten gade, maar noch de beide vrienden, noch James of Pedro
hadden iets vernomen, dat hun tot aanknoopingspunt kon dienen. Een
ding stond vast; de dieven waren aan boord, en de namen "Grobian" en
"Gentleman" bekend.
Wie ze droegen, dat bleef de vraag. Ned en James hadden verdenking op
een en denzelfden persoon, een krachtigen kerel, Jim genaamd, met een
terugstootend uiterlijk. Deze, op zijn beurt, scheen te bemerken, dat
zijn gangen werden nagegaan. Onze vrienden hoopten dat de matrozen hun
voorzichtigheid zouden laten varen, zoodra de volle zee was bereikt,
waar zij zich uit den aard der zaak veel veiliger zouden gevoelen.
Met goeden wind stevende de "Magada" het Zuiden in. De kust was sinds
vele dagen niet meer zichtbaar en de uren gingen voor de opvarenden
eentonig voorbij. Tom was een waardige missionaris en Ned speelde
met veel aanleg zijn rol van "landrat". De dames en haar kinderen
bleven meestal in de groote kajuit; de heeren luisterden gaarne naar
den Oost-Indischen planter, die uit zijn schat van ervaringen menig
interessant avontuur ten beste gaf. Sir Robert Cook voegde zich
dikwijls bij het gezelschap, zijn dochter echter, een jong meisje
aan wier opvoeding in Engeland de laatste hand was gelegd, verwijlde
meestal in haar hut en betrad zelden het gemeenschappelijke salon.
De gevreesde golf van Biscaye had men achter den rug, de Azoren waren
reeds in 't gezicht, en nog had het spioneeren onzer vrienden geen
resultaat opgeleverd. Wel lachte James geheimzinnig, maar hij liet
zich niet uit.
"Weet het nu..... afwachten!" Met die luttele woorden moest Ned
zich tevreden stellen. Tom zou er een eed op willen doen, dat Jim
werkelijk de "Grobian" was. Op de nachtwacht had een der matrozen hem
met dien naam toegesproken, en Jim had den andere ronduit "Gentleman"
genoemd. Tom, hen nasluipende, had Jim herkend, maar het gelaat van
Gentleman niet kunnen onderscheiden.
Pedro haalde de schouders op.
"Ik zwijg tot ik weet op welke wijze wij de diamanten kunnen terug
nemen," luidde onveranderlijk zijn antwoord op alle vragen.
Op een goeden nacht ging Ned, wetend dat Jim wacht had, naar het
dek. Deze was juist aan het einde van een verhaal.
"Ja, het was een komieke zwetser, die mij dat stukje vertelde. Ik
zag hem maar een korten tijd..... een week ongeveer..... toen was
het gedaan met hem."
"Wie sneedt hem den levensdraad af? Jij toch niet, Jimmy?" vroeg Pedro,
die mede de wacht had.
"Dat deed een ander! Maar een schurk was hij toch, die...... José,
die hem om 't leven bracht. De duivel moge er hem voor aan het spit
braden. Een gemeene streek, natuurlijk."
"Vertellen!..... Een nieuw verhaal! riepen de matrozen.
Ned deed alsof hij pas op het dek kwam en zette zich bij de wacht.
"Ja, een verhaal, heel gaarne. Ik zou mijn leven geven om zoo iets
te hooren. Hier zijn een paar handen vol tabak, meer kan een arme
klerk als ik niet geven."
"Een verhaal is het niet; de zaak liep vervloekt snel af," zeide Jim,
Ned een wantrouwenden blik toewerpend. "De Spanjaard lachte over
de geschiedenissen, die de Duitscher vertelde en noemde hem en al
zijn landgenooten droomers en dwazen. De andere liet zich dat niet
zeggen; de woorden floten als kogels en eer ik mijn glas grog had
uitgedronken, had de Duitscher een mes in zijn borst en was José,
de Spanjaard, verdwenen. Het werd een rechtszaak. Ik moest getuige
zijn en de arme duivel werd onder den grond gestopt. Hij was nogal
uit Zuid-Amerika overgekomen om iemand een bericht te brengen! Nu,
dat werkje werd hem bespaard."
"Hoe heette de Duitscher?" vroeg Pedro.
"Hij heeft nooit zijn naam genoemd. En de politie te Portsmouth vond
evenmin zijn naam in zijn papieren."
"Vloekte hij dikwijls?" vervolgde Pedro in spanning.
"Dat weet Neptunus. Hij vloekte meer dan hij sprak," beweerde Jim,
wiens verhalen zelden van overdrijving waren vrij te pleiten.
"Dan ken ik hem mogelijk wel," zeide Pedro zuchtend.
"Was het familie van je, maat, dat je zucht als een vrouw?"
"Neen, maar ik ontmoette hem juist op een tijd, waarin een ommekeer
in mijn leven plaats greep."
"Vertellen! vertellen!" riepen ze in koor.
Pedro schudde ontkennend het hoofd en verzocht het tot een volgenden
keer te mogen uitstellen.
"Als het je genoegen doet, kameraad, kan ik je nog wel het een en
ander omtrent dien armen duivel meedeelen."
"Vooruit, Jim!" riepen de matrozen.
"De Duitscher was afkomstig uit een der landen waar ze Duitsch
spreken; een Pruis of een Sakser, dat weet ik niet. Zijn familie
woonde niet ver van de streek, waar Napoleon smeer uit de pan gekregen
heeft. Thüringen noemde hij dat land. De lucht zit vol met sagen,
en geesten, en spoken....."
"Stil, stil, noem den boozen geest niet!" klonk het waarschuwend.
"Alle duivels! Hij zal je niet bijten, hazepoot!"
"Spoken en kobolden loopen daar rond, als de visschen hier in het
water zwemmen," vervolgde Jim, zijn pruim tabak van den eenen kant van
zijn mond naar den anderen schuivend. En hij begon een dier sagen te
vertellen zooals er heden ten dage nog honderden in de groene dalen
van Thüringen van mond tot mond gaan.
Hoe aandachtiger Ned en Pedro den zeeman gadesloegen, hoe duidelijker
het hun werd, dat zij hem meer gezien hadden. Ned begreep hoe noodig
het was zijn incognito te bewaren, Pedro behoefde het er zich niet
lastig mee te maken. Nooit sprak hij over zijn verleden en met
zijn glad geschoren gelaat en matrozenpakje zou niemand in hem den
majordomus van de familie Westfield herkennen.
Toen Jim zijn verhaal geëindigd had, vroeg Ned, of hij werkelijk
geloofde dat alles gebeurd was?
"Mijnheer..... Ieder kan gelooven wat hij wil. Ik geloof het niet. Maar
deze verhalen zijn me liever dan de hocus-pocus, die ik zelf maak."
"Nog een verhaal!" werd er weer geroepen.
"De beurt is aan een ander. Mijn mond is droog van het vele praten,
zoo droog als destijds aan boord bij de Portugeezen, die later weer
door de Engelschen werden ingeslokt. Damn'! vandaag uit de klauwen
der schurken als vrije neger aan land gezet, morgen door een Yankee
bereidwillig aan boord genomen en door dezen, als slaaf naar Brazilië
verkocht. Wie uwer, jongens, heeft ooit zoo iets meegemaakt? Dood
en duivel!"
Ned en Pedro wierpen elkaar snel een blik toe. Jim scheen een
avontuurlijk verleden achter den rug te hebben en zijn laatste woorden
herinnerden onze vrienden aan de gebeurtenissen in de baai van Biafra.
James had den volgenden dag gewichtige mededeelingen te doen. Volgens
zijn meening had Jim vroeger op een slavenhaler gediend en was nu
roover ter zee en dief te land. Voorts had hij een schoener, die
telkens opdoemde en verdween, scherp in het oog gehouden en gezien dat
er den vorigen nacht twee maal licht was ontstoken. Zeker een signaal.
"Alles bij elkaar," fluisterde hij, "houd ik het er voor dat Jim de
"Grobe" is en de "Gentleman"...... nu, dat is mijn geheim..... de
schoener is een zeeroover..... een stille..... heb zoo mijn
vermoedens..... en kenteekenen....."
"James, oude zeebonk, je meent toch niet....."
"Dat Jim een verstandhouding heeft met dat schip?..... Ja,
wel..... Had moeten zien hoe hij het schip waarnam...... Het is niet in
orde..... God behoede den ouden kapitein..... dat zeg ik..... punctum!"
"Mensch, wat weet je? Spreek op," drong Ned aan.
"Niets..... ik vermoed maar..... tegenwoordigheid van geest,
landrat..... daar komt de stuurman..... vraag het hemzelf," zeide
James hardop.
Mijnheer Frog zag uit de hoogte neer op den armen klerk, die met een
onderdanige houding zich tot hem wendde en zachtjes vroeg:
"Is het waar, dat wij te Madeira ophouden, en dat daar nog
zeemeerminnen zijn?"
"Dat moet je aan den scheepsjongen vragen," zeide mijnheer Frog,
Ned een blik vol verachting toewerpend.
Met een verlegen gezicht en blijkbaar teleurgesteld sloop Ned weg,
in zijn hart lachend om den stuurman, die hem voor zoo'n domkop
hield. Hij begaf zich naar de groote kajuit waar het gezelschap
reeds voor het ontbijt bijeen was. Er heerschte een opgewekte
stemming, want Tom had niet kunnen laten, om Neds vraag, die hij in
het voorbijgaan had opgevangen nog "warm" ter tafel te brengen. Hij
wilde zoo lang mogelijk van de klucht genieten en hield een speech
over de schromelijke onwetendheid in zekere kringen en over het dwaze
en verderfelijke van bijgeloof. Ned luisterde met een onnoozel gezicht
en zeide ten slotte, dat zijn grootmoeder het hem verteld had en het
dus wel waar moest zijn. Een uitbundig gelach volgde op deze woorden.
"Waarom zou het zoo wonderlijk zijn?" vroeg Ned, met virtuositeit
den verlegene spelend, "Hebben wij gisteren niet een paar maal in het
Westen het geestenschip gezien, 's avonds zijn lichten zien branden
en is het nu niet op eens in de zee verdwenen? Of we met dit schip
verongelukken--want dàt moeten wij toch nu de "Vliegende Hollander"
ons pad kruiste--of dat de zeemeerminnen ons opeten, is ten slotte
hetzelfde."
"Hei hei, dat geestenschip is eenvoudig een schoener, die door de
hooggaande golven aan onzen blik wordt onttrokken," zeide een der
adelborsten. "Het schip zeilt evenals wij, maar stevende gedurende
den nacht in een andere richting. Een half uur geleden zag ik het
nog aan den uitersten rand van den horizon. Het schijnt denzelfden
koers te houden als wij en zeer zeker zal het ons nog dikwijls in
't gezicht komen."
"Goddank!" zeide Ned, met een zucht van verlichting.
"En wat uw vraag aan den eersten stuurman betreft, neen, wij leggen
niet aan te Madeira en de zeemeerminnen behooren tot het verleden."
"Alle duivels," dacht Ned, "dan moeten wij de reis naar Kaapstad
meemaken. In ieder geval zal daar de zaak haar beslag krijgen, al
zie ik dan ook geen enkelen diamant terug."
De buien waren afgedreven en een gunstige wind deed de zeilen
zwellen. De beruchte schoener kwam meermalen in 't gezicht en wekte
den argwaan van verscheidene passagiers.
Jim wenkte op zekeren nacht Pedro en op de schoener wijzend, zeide hij:
"Piraten! Sluwe kerels, die het juiste tijdstip afwachten. Zeg, wij
konden ook wel eens slim zijn..... hoe denk je er over, kameraad? De
kapitein is meer in de kajuit dan op het dek, en buitendien oud genoeg
om plaats voor anderen te maken. Dan rechter Cook, die veel geld bij
zich heeft, zware zakken geld, ik weet het..... en dan nog de andere
reisgenooten. Genoeg voor ons allen..... indien wij het maar hadden."