Men schreef December 1816.
Na een dag van hevigen storm was Marseille in de rust van een somberen
avond verzonken. De golven der onstuimige zee klotsten met geweld tegen
het strand, de wind dreef de wolken in wilde vaart langs den donkeren
hemel, de klokken der kerken klepten met klagend geluid. In de huizen
en hutten, nabij de haven gelegen, werden de lichten ontstoken en de
voor anker liggende vaartuigen haalden hun scheepslantarens omhoog.
Om den draad van ons verhaal te kunnen vervolgen, moeten wij een der
aan de kust staande huizen binnentreden. Dit gebouwtje, eenigszins
zijwaarts gelegen, bevatte gelijkvloers twee vertrekken en een kleine
keuken, boven nog twee kamers. Achter het huis was een open ruimte
aan de zeezijde door een muur omgeven, waarin een hondenhok stond,
blijkbaar al lang buiten gebruik; voor het huis lag een volkomen
verwaarloosd tuintje.
In een der benedenkamers brandde de lamp; twee mannen zaten aan een
eenvoudige tafel bij elkaar, groote rookwolken uitblazend en verdiept
in een ernstig gesprek.
"Werkelijk, kapitein Ballière," zeide de een, een krachtige man
in den bloei van zijn jaren, met militaire houding en gebruind,
energiek gelaat waarbij de zachte bijna klagende toon van zijn stem
slecht paste, "werkelijk alles heeft zijn waarde verloren, alles is
gestorven. Ware mijn zuster nog hier.... dan, ziet gij dien dorren
tuin door het venster?... Het evenbeeld van mijn gemoed."
"Eén gevoel leeft nog in uw hart, één doel nog heeft uw leven,
Overste. Uwe oogen stralen zoodra er sprake is van.... den Keizer,"
beweerde de ander, een zeeman met intelligente gelaatstrekken en
heldere, verstandige oogen.
"Ja, mijn vriend. U verklaar ik het openhartig, den Keizer alleen wijd
ik mijn leven. De wereld moge oordeelen zooals ze wil, aan mij en de
mijnen heeft Napoleon de grootste weldaden bewezen. Hij overlaadde
ons, broeders, met zijn gunstbewijzen, hij schonk ons groote sommen
zoodat wij onze zuster alle zorgen konden besparen. En terwille van
mijne zuster behoor ik hem met hart en ziel, en...."
"En verbindt u met ons om hem te bevrijden," viel de zeeman hem in
de rede, hem de hand toestekend.
"Het zij zoo! Alea jacta est!" antwoordde de officier. "Met dezen
handslag wijd ik mij aan de onderneming, en niemand leeft die zeggen
kan, dat Miguel Carril ooit zijn woord heeft gebroken."
"Een verzoek, overste! Sta ons de scheepspapieren van dien ellendeling
José af. Zij zouden ons van veel nut kunnen zijn."
"Gij kunt over mij en over alles wat ik bezit beschikken. De papieren
zal ik u ter hand stellen. Welk plan is er gemaakt, kapitein?"
"Dat is met weinig woorden gezegd. Mijn schip met vertrouwde,
onverschrokken zeelui bemand, ligt gereed in de haven; de
legitimatiepapieren worden door u geleverd. Daar ze ten name zijn van
de schoener "Mariëtta," behoorende te Buenos Aïres, kunnen wij zonder
bezwaar op St. Helena landen, om met den keizer in verstandhouding te
komen. Aan u de taak om Hudson Lowe een rad voor de oogen te draaien."
"Best! Ik ben overtuigd dat het plan gelukken zal. Maar de wijnflesch
is leeg, kapitein. Wilt gij niet een flinken grog volgens uw recept
gereed maken? Kokend water is hier bij de hand, en in gindsche kast
vindt ge rum en suiker."
"Gaarne, overste Carril. Ik haat de Engelschen maar hunne uitvinding
schat ik op hooge waarde."
"De grog... een Britsche uitvinding? Zou dat waar zijn?"
"Men zegt het. In Engeland tenminste zou dit brouwsel genoemd
zijn naar admiraal Vernon, die in de helft der vorige eeuw aan
het hoofd van de Britsche marine stond. Voor hij het opperbevel
voerde, werd den matrozen zuiveren rum geschonken, Vernon echter
liet hem met water vermengd uitdeelen, wat natuurlijk niet in den
smaak der zeebonken viel. De admiraal droeg altijd een jas uit een
zekere stof--grogram--gemaakt, waardoor hij den bijnaam "ouden grog"
kreeg. Uit ergernis noemden de matrozen den gemengden rum eveneens
zoo en nu schijnt de drank dien naam behouden te hebben, lang nadat
Vernon vergeten is."
"Ja, ja, zulke namen worden onthouden. Noemde men Napoleon niet altijd:
"de kleine korporaal?"
"Ziezoo, de grog is klaar. En, beste vriend, vertel me nu verder
over uw merkwaardigen loopbaan. Wat ik gisteren hoorde, wekt mijn
nieuwsgierigheid."
"Gaarne wil ik aan uw verlangen voldoen. Als ik mij wel herinner
waren we gekomen tot aan den strijd bij den "Heiligen steen?"
"En hoe de komst van den dapperen Brit en van uw broeders uwe zuster
redde uit de handen van die roode duivels."
"Juist! De hond van Lord Westfield had Lupan op den grond gegooid. Wij
bonden den rooden schurk eerst handen en voeten, daarna stelde ik aan
de verbaasde broers onze zuster voor. De vreugde over het weerzien
kunt gij u zelf voorstellen, kapitein. De jongens juichten als kinderen
terwijl hun de tranen langs de wangen rolden. Door de Indianen vervolgd
en doodelijk gehaat, door onze medeburgers vogelvrij verklaard, waren
wij toch de gelukkigste menschen ter wereld sinds wij Amata in ons
midden hadden. Vrij, tot aan de tanden gewapend, van goede paarden
voorzien, vreesden we niets ter wereld. Op weg van den "Heiligen Steen"
naar onzen toldo, werden veel plannen gemaakt en verworpen. Amata's
wensch om het land, dat zooveel onheil over onze familie had gebracht,
te verlaten, was ook de onze. Ik wist dat José binnen twee maanden met
zijn schip te Montevideo zou binnenloopen, om van die haven naar Europa
onder zeil te gaan. Wij besloten mede te varen en daar voor Amata
in een vriendelijk rustig oord een tehuis te zoeken. Wij, broeders,
wilden aan den strijd der stamverwante Spanjaarden deelnemen en onze
verdiensten en onzen buit aan Amata's voeten leggen. Na veel moeite
gelukte het ons Lord Westfield te overtuigen, dat na het voorgevallene
een reis door Patagonië niet uitvoerbaar was. De edele man wilde ons
gaarne met raad en daad ondersteunen, ons helpen om over land naar
Buenos Aïres te gaan en ingeval wij José niet meer aantroffen, ons
een vrijen overtocht naar Europa verzekeren. Den volgenden morgen
vertrok hij naar Carmen de Patagones om toebereidselen voor onze
reis te maken. Antonio zou hem vergezellen om zich een muilezel voor
Amata aan te schaffen. Overeenkomstig het plan werd gehandeld. Wij
verlieten onzen toldo om op een zeker punt Antonio te ontmoeten,
en zagen daar tot onze verbazing vier mannen bij het vuur. Antonio
beantwoordde onze vragende blikken met een sluw lachje.
"Hemel en aarde komen niet te zamen," schertste hij, "maar heden bij
uitzondering een roode Wolf, een Puma, een hond, een duifje, de hooge
magistraatspersonen en.... allen kunnen het met elkaar vinden."
Hij gaf zijn paard de sporen en wenkte ons hem te volgen.
De groote hond van Lord Westfield kwam met dolle sprongen naar Amata
toe. Het schrandere dier scheen zich bijzonder over haar komst
te verheugen en week niet van haar zijde. Bij het vuur zaten de
Engelschman, Pedro en twee vreemden.
Zij verhieven zich bij onze komst en Antonio stelde hen voor als
leden van de bende "De Korte Hand." Wij hadden ons ontslag als bombero
genomen, vandaar dat mijn broeder hun gastvrijheid verleende.
"Ik ben "Vlaskop" en door mijn kameraden tijdelijk tot aanvoerder
aangesteld, ofschoon ik volstrekt niet de lieveling van den hoofdman
ben. Integendeel! Wij hebben besloten het verblijf van onzen chef uit
te vorschen en vernamen van dezen caballero, dat gij ons de noodige
inlichtingen kunt geven."
"Dat kan ik, maar laat ons eerst aan onze magen denken."
Aan tafel deelde Lord Westfield ons mede, dat hij zich bij ons wilde
aansluiten om gezamenlijk de reis naar de hoofdstad te maken, een
besluit dat met groote vreugde begroet werd.
"Ik vertelde aan "Vlaskop" op welke listige wijze "De Korte Hand"
mij uit den weg had willen ruimen en dat hij te Buenos Aïres het loon
voor zijn daden zou ontvangen. Gij kunt u niet voorstellen hoe woedend
"Vlaskop", die toch geen vriend van "De Korte Hand" was, opsprong."
"Hel en duivel! Op José," riep hij zijn kameraad toe. "Breng de heele
bende hier! Wij trekken naar Buenos Aïres! Mort de ma vie! Misschien
gelukt het ons nog den hoofdman te redden."
Zijn bondgenoot sprong in den zadel en vertrok onmiddellijk. Lord
Westfield vroeg aan den Duitscher waarom hij zooveel ijver aan den
dag legde om zijn vijand te redden?
"Rooverseer! Rooverseer!" luidde het antwoord.
"De reden der vijandschap was daarin gelegen dat "Vlaskop" steeds
weigerde, onder welke omstandigheden ook, een moord te begaan en enkel
in een eerlijk gevecht, man tegen man, zijn tegenpartij wilde dooden.
Hij was knecht in een zoutziederij geweest, daarna ingelijfd bij het
leger van Napoleon. Hij deserteerde omdat de dienst hem niet beviel,
was op zee gegaan, te Montevideo in slecht gezelschap geraakt en ten
slotte bij de bende van "De Korte Hand" terechtgekomen. Hij zwoer
met duren eed geen moord op zijn geweten te hebben en zou God danken
als hij den grond van Argentinië nooit onder de voeten had gehad. Wij
allen waren den armen kerel wel genegen, terwille van de goede kern,
die nog in hem zat.
Wij verzochten "Vlaskop" den gevangengenomen en gewonden Lupan in zijn
hoede te nemen en hem zijn vrijheid te hergeven zoodra de rooversbende
naar Buenos Aïres zou vertrekken. De Duitscher beloofde het, waarna
wij afscheid van hem namen.
Onze karavaan bestond uit Lord Westfield, Amata, wij, vier broeders,
en Pedro. Wij hadden goede paarden en uitstekende wapens, en dank zij
de voorzorgen van Lord Westfield bezat onze expeditie nog twee paarden;
de een was beladen met de instrumenten en naturaliën van den Brit, het
andere stond ter onzer beschikking. Den volgenden middag achterhaalde
ons reeds het corps roovers, forsche, krijgshaftige kerels, die ons
groetten met de gratie den Spaansch-Amerikanen eigen. De Duitscher
"Vlaskop" echter bleef even staan, dankte ons nogmaals en verzocht een
onderhoud te Buenos Aïres, waar hij in ieder geval wilde blijven. Op
den derden dag bereikten wij tegen den avond de Labaleofu of Rio
Colorado zooals de Spanjaarden haar noemen; vandaar trokken wij door
de Sierra Bentana, het Pays del Diablo en de vruchtbare pampa's naar
de hoofdstad aan de La Plata rivier.
Het is u bekend, dat in de Spaansche koloniën, die in alle deelen
der wereld verspreid liggen, het monopolie-systeem heerschte, welke
de koloniën verbood met elkaar handel te drijven. Ofschoon het verbod
opgeheven werd en Buenos Aïres vooral een snelle opkomst tegemoet ging,
bleef toch bij menigeen een stille wrok tegen Spanje voortwoekeren. Wel
werd in 1782 Spaansch Zuid-Amerika in acht provincies verdeeld en
een onderkoning aangesteld, maar de ambten werden bekleed door de
Europeesche Spanjaarden, die op de meest brutale wijze het land
exploiteerden. Toen tengevolge der Spaansch-Fransche alliantie een
Franschman tot onderkoning was benoemd, viel het de sluwe Engelschen
niet moeilijk de algemeene ontevredenheid te doen stijgen. Eenige
voorname inwoners van Buenos Aïres hadden reeds vroeger de hulp der
Britten ingeroepen, die dan ook den 27 Juni 1807 landden en Buenos
Aïres bezetten. Ondanks hun aanbod om de Argentiniërs te ondersteunen
in geval zij hun onafhankelijkheid wilden veroveren, waren ze verplicht
reeds den 12 Augustus van hetzelfde jaar de stad te ontruimen. In 1807,
terzelfder tijd dat wij de hoofdstad naderden, hadden de Engelschen
weer nieuwe betrekkingen aangeknoopt. Door de berichten van den
koerier, wien ik de dépêches moest ontnemen, was ik reeds eenigszins
voorbereid en nauwelijks hadden wij dan ook Buenos Aïres bereikt of
de bom sprong. Wij, broeders, die spoedig het land zouden verlaten,
konden ons gemakkelijk onzijdig houden, Lord Westfield echter wijdde
zich geheel aan de belangen van zijn landgenooten.
In de nabijheid der haven lag een klooster, door tuinen omringd, welke
rondom door hooge muren waren afgesloten. Dit was het hoofdkwartier
der Britten. In de stad hadden kleine schermutselingen plaats, was
een gedrang en rumoer, dat men liefst de straat niet betrad. Aan
verschillende omstandigheden had "De Korte Hand" het te danken dat
hij nog in leven was, en "Vlaskop" en zijn kameraden hadden werkelijk
hun hoofdman weten te bevrijden. Na zijn redding had een heftige
scène tusschen beide roovers plaats gehad, waarbij de een den ander
verweet, dat hij niet vroeger pogingen in 't werk had gesteld om hem
uit zijn kerker te verlossen. De twist was zeer hoog geloopen en in
een vechtpartij geëindigd. Dientengevolge kwam "Vlaskop" opgewonden
bij ons en verzocht te mogen blijven tot Lord Westfield een plaats op
een Engelsch schip voor hem genomen had. Dan wilde hij even als wij,
met de Spanjaarden ten strijde trekken.
Onze positie als neutralen was op den duur niet vol te houden,
voornamelijk door het wantrouwen waarmede wij van alle kanten werden
behandeld. Op Pedro's raad besloten wij ons terug te trekken op het
Tigre eiland, dicht bij Buenos Aïres, in de La Plata gelegen. Wij
bouwden eene mooie hut voor Amata en waren gelukkig met elkaar,
ons niet bekommerend over de geweldige hartstochten die heel Buenos
Aïres in beweging brachten. Lord Westfield was niet te bewegen
ons toevluchtsoord te deelen. Hij was een trouw aanhanger van zijn
volk, dat andermaal de wateren der politiek hoog opzweepte om in den
troebelen stroom te kunnen visschen. Pedro en de Duitscher verlieten
hem evenmin als zijn hond.
Den 28 Juni 1807--nooit zal ik den dag vergeten--voer ik naar "de
wal", zooals wij dat schertsend noemden. In de verte weerklonk een
gedempt gedruisch. Pedro wachtte me reeds aan den oever en vertelde
in vliegende vaart, dat de Spaanschgezinden, krachtig gesteund door
den onderkoning Liniers, de overhand hadden en de strijd een aanvang
nam. Lord Westfield had zich bij zijn landgenooten gevoegd; "Vlaskop"
of Carlos, zooals hij zich nu noemde, was hem gevolgd. Blijkbaar viel
het Pedro tegen, dat wij niet naar de wapens grepen en den Brit te
hulp snelden, maar ik bracht hem het volstrekt nuttelooze van een
dergelijke handelwijze aan het verstand. Ik droeg hem op te trachten
den Engelschman te bewegen naar ons eiland te komen en zich aan onze
bescherming toe te vertrouwen.
Het geweld in de stad werd sterker en sterker--weldra knalden eenige
schoten--later barstte het geschut los--de strijd scheen algemeen
te worden--nu bulderden de kanonnen der schepen. De middag was lang
voorbij, en nog; steeds strijdgewoel en doodslag. Van een gewonde, die
langzaam naderde, vernam ik dat de Engelschen uit de stad verdreven
waren en zich in het klooster teruggetrokken hadden, waar zij zich
hardnekkig verdedigden. Daar kwam Pedro aangerend. Lord Westfield was
zwaar gewond en begeerde mij te zien. Zonder mij te bedenken volgde ik
den trouwen dienaar. De strijd was gestaakt, de Britten waren in het
klooster--hun vesting--ingesloten. Lord Westfield was door Pedro en
Carlos naar een hut gebracht. Het vele bloedverlies had den krachtigen
man zeer verzwakt; hij voelde zelf dat zijn wond doodelijk was.
"Een enkel woordje..... vrienden.....," zeide hij. "Ik heb geen kracht
meer..... Carlos zal mij..... de oogen toedrukken..... en met mijn
pas..... op een schip gaan..... Mijn landgenooten..... zullen moeten
capituleeren..... Pedro..... gaat naar Londen ..... bericht mijn
familie..... mijn dood..... Gij..... Don Miguel helpt beiden wel op
een schip..... Mijn baar geld behoort Pedro..... mijn paard en wapens
aan Carlos..... deze pistolen u, Miguel..... mijn hond..... Amata."
Wij dankten, diep geroerd door het treurige lot van onzen vriend,
maar hij luisterde nauwelijks naar onze woorden.
"Weg, weg..... Miguel! red mijn bezittingen.... voor ze verloren gaan."
Ik wilde bij den stervende blijven om hem zoo lang mogelijk tot
steun te zijn, maar hij wenkte mij heen te gaan. Met een hartelijken
handdruk scheidde ik van hem, wiens oogenblikken geteld waren. Ik
vervulde zijn laatsten wensch zoo goed het mij mogelijk was. Pedro
vergezelde mij naar den bankier, bij wien hij het geld in ontvangst
nam, dat hij trouwens voor zijn reis moest gebruiken. Toen de tijd
van ons vertrek naderde, verkocht ik voor Carlos, wiens verdwijnen mij
onverklaarbaar was, paard en wapens en deponeerde het bedrag op zijn
naam bij den Engelschen bankier van Lord Westfield. Tallooze malen
heb ik gepoogd inlichtingen omtrent hem te verkrijgen, maar nooit is
het mij gelukt. Eenige dagen later vertrokken wij naar Montevideo om
op José's komst te wachten.
Het viel José niet moeilijk ons plaatsen aan boord te bezorgen,
daar de kapitein hem zeer genegen was. Deze, een hoogbejaarde man,
zonder familie, was rijk genoeg om van zijn renten te leven, maar
hij had de zee te lief en kon niet van haar scheiden. José, die al
lang in de gunst van den oude stond, had hem kort geleden tijdens een
storm met eigen levensgevaar van een zekeren dood gered. Kort daarna
was hij de aangenomen zoon en erfgenaam van den ouden man.
Na een lange reis kwamen we zonder ongevallen in Spanje aan. José
zeilde naar Toulon, waar zijn kapitein zich wilde vestigen en waar
voortaan ook José's tehuis zou wezen. Wij reisden naar Madrid en vonden
bij getrouwde menschen een vriendelijk verblijf voor onze zuster. Met
een bekommerd hart en treurig gestemd namen wij afscheid van Amata en
meldden ons aan bij den Spaanschen generaal Castagnos. Deze gereed
om met zijn leger op te breken om den Franschen generaal Dupont te
vervolgen, deelde ons in bij een dragonderregiment.
Tegen het einde van 1808 kwam Napoleon in eigen persoon met een groot
leger naar Spanje en rukte naar Madrid, waartoe hij den weg over de
koude Guadarrama koos. Een Spaansch leger van 12.000 man, waarbij
ook wij ons bevonden, moest de Somma Sierra, de nauwste bergpas,
afsluiten. Een twintigtal mannen werd onder mijn bevel den vijand,
die volgens het bericht der officieren nog mijlen ver verwijderd was,
tegemoet gezonden. Op hun uitdrukkelijk verlangen hadden mijn broeders
verlof gekregen zich bij ons troepje aan te sluiten.
Nauwelijks hadden wij een eindweegs afgelegd of een zwerm
lanciers, minstens vijftig, stoven op ons af. Mijn Spanjaarden
maakten rechtsomkeert en sloegen op de vlucht; wij, broeders,
toonden onze wapens goed te kunnen gebruiken. Maar wat baatte onze
wederstand? Juliano zonk, door een lans doorboord, dood ter aarde,
Antonio en Alonso waren zwaar gewond en ik had een lichten houw
gekregen. Het einde was, dat men ons gevangen nam. Bij het toenmalig
oorlogsgebruik in Spanje, dat uitmuntte in wreedheid, waren wij geen
oogenblik zeker niet opgehangen of doodgeschoten te worden. Weldra
zagen wij het Fransche leger in aaneengesloten kolonnen naderen,
een oogenblik later weergalmde het: "Vive l'empereur!" en Napoleon,
begeleid door zijn staf, kwam aangestormd. De Keizer richtte eenige
vragen tot ons en zeide toen kortaf: "Gij zult sterven als spionnen,
precies zooals de Spanjaarden de gevangen Franschen ter dood
brengen. Wij hebben geen tijd ons met gevangenen te bemoeien."
De overste van de lanciers, gaf bevel ons weg te voeren en te
fusileeren, toen de gedachte aan Amata, die haar vier broers tegelijk
zou moeten verliezen, mij smartelijk trof, en snel een besluit nemend,
zeide ik:
"De dood van een drietal soldaten zal den grooten Keizer wel
onverschillig zijn, maar drie moedige ruiters uit de pampa's van
Argentinië kunnen als soldaten nog goede diensten bewijzen."
"Wij hebben geen tijd om te onderhandelen," zeide Napoleon. "Maar,"
vervolgde hij ernstig, "zijt gij Argentiniërs? Wat hebt gij dan met
den oorlog in Europa te maken? Breng de gevangenen bij mijn rijtuig,
later zal ik hun straf opgeven."
Door verscheidene lansiers bewaakt, stonden wij terzijde van den
weg, wachtend op het voorbijtrekken van het geheele leger en was
het ons vergund mede aan te zien hoe de Franschen de Somma Sierra
bestormden. Napoleon verachtte de ongediciplineerde Spanjaarden zoo
diep, dat hij de batterijen door de Poolsche ruiterij deed bestormen
en deze onverwachte wijze van aanvallen wekte zooveel schrik en
ontsteltenis, dat de Spanjaarden onmiddellijk retireerden en zelfs
het geschut aan hun vijanden overlieten.
Kort na deze schitterende overwinning kwam Napoleon voorbij en werd
door een officier van zijn gevolg op ons gewezen. Goed geluimd, hield
hij zijn paard in en vroeg kortaf welke reden ons bewogen had om met
den dood in 't vooruitzicht hem onze diensten aan te bieden. Nadat
ik alles uitgelegd en hem verzocht had ons niet tegen onze vroegere
wapenbroeders te laten strijden, werden wij--ondoorgrondelijk
toeval--bij zijn lijfwacht ingedeeld. Later vernam ik dat Napoleon
ons genade had geschonken alleen daarom, dat wij de eerste Spanjaarden
waren, die moedig weerstand hadden geboden.
Te Madrid, waar we 2 December reeds binnen trokken, kreeg Antonio
verlof Amata naar Frankrijk te brengen. Na ontelbare vruchtelooze
pogingen vond hij in het huisje, waarin wij nu zitten, een
toevluchtsoord voor haar. Wij, broeders, werden bij den in Maart
1809 uitgebroken oorlog tegen Oostenrijk bij een kurassiersregiment
ingedeeld. Te Eckmühl gelukte het ons den keizer te redden, die bij een
verkenning zeker in handen van den vijand zou zijn gevallen. Antonio
kreeg bij dit gevecht een schot in de borst en stierf eenige dagen
later. Na den slag bij Wagram werd Alonso luitenant en ontving
ik mijn aanstelling als kapitein. Na het voorgevallene te Eckmühl
overlaadde Napoleon ons met allerlei gunstbewijzen, zoodat Amata
levenslang voor finantieele zorgen behoed was. Toen de veldtocht
tegen Oostenrijk geëindigd was, snelden wij beiden naar Marseille,
gelukkig in de verwachting eenigen tijd met onze geliefde zuster samen
te zullen zijn. Helaas..... Amata was verdwenen. Het huis was leeg
en verwaarloosd, in denzelfden toestand waarin gij het nu ziet; zelfs
haar trouwe hond, het geschenk van Lord Westfield, ontbrak. José, die
ellendeling, had onze zuster gewelddadig ontvoerd! Zijn scheepspapieren
had hij in gindsche kast achtergelaten en daarmee al onze hoop
ontnomen ooit zijn verblijf te kunnen uitvorschen. Toch zochten wij,
Alonso en ik, drie jaar lang,..... aldoor...... onvermoeid..... steeds
vruchteloos. Droef en somber sleepten wij ons leven voort, tot de
veldtocht naar Rusland de spoorslag was, welke ons uit onze lethargie
wekte. Bij Smolensk werd ik tot overste van mijn regiment benoemd,
maakte den onzaligen terugtocht uit Rusland mede, die het leven kostte
aan den laatste mijner broers, streed in 's keizers veldslagen toen de
geheele wereld tegen hem opstond en zocht na Napoleons val dit stille
toevluchtsoord weer op. In hoever ik betrokken was bij de vlucht des
keizers van Elba is u bekend, kapitein....."
"Dat weet ik, overste, en juist dat feit gaf me aanleiding uwe hulp te
vragen om den onttroonden Corsicaan uit de klauwen der wraakzuchtige
Engelschen te redden. En om de uitzichten op een gunstig gevolg nog
te vermeerderen, zijt gij toevallig in staat ons de hoog noodige
scheepspapieren te kunnen leveren en....."
"Den vasten wil om naar mijn beste krachten bij te dragen tot het
gelukken van ons voornemen," viel overste Carril hem in de rede. "Neem
alle maatregelen die gij voor de expeditie van gewicht acht en laat
me dan weten wanneer wij onder zeil gaan. Ik ben ieder uur van den
dag bereid aan boord te komen."
"Afgesproken, vriend," zeide Ballière, "over eenige dagen hoop
ik gereed te zijn en u af te halen. Mijn dank, overste, voor uw
mededeelingen, die in hooge mate mijn belangstelling hebben gewekt."
"Een vriend deelgenoot te kunnen maken van de ondervonden
wederwaardigheden, van het verdriet dat altijddurend aan het hart
knaagt, verlicht het gemoed. Aan u dus mijn dank voor uw geduld,
uw belangstellend luisteren."
Eenige minuten later was de zeeman op weg naar de haven en werd het
licht uitgedoofd in het eenzame huisje aan het strand.