Ongeveer een half jaar na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk
medegedeeld, betrad een zeeman in zijn beste plunje de vorstelijke
woning van Lord Westfield te Londen. Het was een oud matroos, dienende
op het "Witte Kasteel", die namens zijn kapitein den zoon des huizes
kwam halen, om op dien bodem zijn loopbaan als zeeman te beginnen.
Kort geleden had een Argentiniër het bericht gebracht van den dood
van Lord Westfield en hoe gaarne mevrouw hem in haar dienst had
gehouden, de afgezant--het was Pedro--weigerde en liet zich liever
als matroos aanmonsteren. Overeenkomstig den wensch van zijn vader zou
Eduard--door zijn moeder Ned genaamd--op zee gaan en het was Mevrouw
gelukt voor den zestienjarigen knaap een plaats op het "Witte Kasteel",
en in den kapitein Smiles een knappen leermeester te vinden. Ned,
wiens wenschen samenvielen met die zijner ouders, was overgelukkig en
eenige dagen later verliet het "Witte Kasteel" de haven van Greenwich,
den jongen Westfield aan boord. Wel is waar eischte de traditie der
adellijke Engelsche geslachten een indiensttreding bij de Marine,
maar Lady Westfield was niet te bewegen geweest haar lieveling te
wagen aan de oorlogskansen, daar toen ter tijde den strijd tusschen
Engeland en Frankrijk nog niet beslecht was.
Ned doorliep op den koopvaarder een harde school. De matroos,
die hem uit het ouderlijke huis had afgehaald, een echte pekbroek
met ruwe manieren maar een hart van goud, was een leermeester,
die geen aarzelen kende, en den jongen geen enkele uitspanning
schonk, integendeel, zijn kweekeling moest alles leeren. Maar Ned
bezat geestkracht, zelfbeheersching en karakter. Aan niemand liet
hij blijken wat er in hem omging, en veel te trotsch om zich, door
terugkeeren op den ingeslagen weg, aan aller spot bloot te stellen,
deed hij gewillig elken arbeid die hem werd opgedragen. Toen het
"Witte Kasteel" op zijn reis naar Indië de kaap de Goede Hoop bereikt
had, was Ned een bruikbare maat, die zich op de blauwe golven thuis
gevoelde. Tusschen hem en den braven James Walker was een hechte
vriendschapsband gesloten.
Na de eerste reis volbracht te hebben, nam Ned ontroerd afscheid
van kapitein Smiles. James, wiens vrouw te Greenwich woonde, moest
dikwijls de familie Westfield bezoeken en Ned had het aan hem te
danken, dat zijn moeder zich eindelijk gewonnen gaf en hij bij de
Marine in dienst mocht treden. James hield het niet lang aan de wal
uit en liet zich aanmonsteren op een schip, dat naar Noorwegen bestemd
was. Toen Ned als adelborst op het fregat "Pandora" geplaatst werd,
zwalkte zijn oude leermeester al lang op het ruime sop.
Acht jaar later was Ned tweede luitenant aan boord van zijn fregat. Na
met gunstig gevolg het officiers-examen te hebben afgelegd, had hij
als bevelhebber van een veroverde brik, een aantal vijandelijke schepen
buit gemaakt. Later door zijn kapitein, die aan de golf van Guinea was
gestationeerd, met een schoener de "Iris" naar de Cameroenmonding
gezonden om het uitloopen der slavenhalers te verhinderen, had
hij veel eer ingeoogst. Het gelukte hem kort na elkaar vier groote
schepen, deels door overrompeling, deels door kracht van wapenen te
bemachtigen. Onder zijn manschappen, die voor hun jongen bevelhebber
door het vuur zouden gegaan zijn, bevonden zich twee bekenden: James
Walker die--trots den toenmaligen tegenzin der matrozen voor den dienst
op de oorlogsschepen--zich uit genegenheid voor Ned op de "Pandora"
had laten aanwerven, en Pedro die als gevangene op een slavenschip
was gevonden. Bij een schipbreuk was Pedro door een slavenhaler gered,
maar zou naar Brazilië gevoerd en daar als slaaf verkocht worden. Op
de "Iris" werd het spoedig ruchtbaar dat hij Neds vader had gekend
en toen gaarne onder de manschappen opgenomen.
Na eenige maanden vol strijd en avonturen op het Afrikaansche station
te hebben doorgebracht, zeilde de jonge Lord, zijn veroverde schepen
medevoerend, weer naar de Pandora, waar intusschen bevel was ontvangen
om naar Engeland terug te keeren. Na de gevangenneming van Napoleon
was de oorlog met Frankrijk geëindigd en de Britsche vloot moest een
geheele vernieuwing ondergaan. Op den terugtocht ontmoette de kleine
vloot het Britsche eskader, dat den gevallen keizer der Franschen,
Napoleon I, naar het eiland St. Helena bracht.
Na een veelbewogen leven in de zonnige baai van Biafra volgde voor
Ned een eentonig bestaan onder den neveligen hemel van Engeland. Want
trots zijn moed en beleid was hij nog niet in actieven dienst hersteld.
Mevrouw Westfield had zich met haar dochter Jane te Cowford, een
stadje dicht bij Londen aan den oever van de Theems, gevestigd, waar
zij treurend over het verlies van haar echtgenoot, zeer teruggetrokken
leefde. Op dit stille plaatsje vinden wij den voormaligen luitenant
van de "Pandora" weder.
Met hoeveel hartelijke zorg en liefde zijn moeder en zuster ook
trachtten hem het verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken gevoelde de
jonge zeeman zich thuis niet op zijn gemak. Hij verveelde zich overal,
in gezelschappen, op bals en concerten, zelfs de jacht kon hem niet
bekoren. Hij smachtte naar de blauwe golven, de frissche zeelucht en
den helderen hemel; hij zou het uur zegenen dat hem weer aan boord van
een schip riep. Een gebeurtenis, op zichzelf van geringe beteekenis,
zou hem een stap nader brengen tot de vervulling van zijn hartewensch.
In gezelschap van zijn moeder en zuster bezocht Ned op zekeren avond
een bal, waarmede de feestelijkheden ter eere van een goed geslaagden
wedren besloten zouden worden.
Viel een bal opzichzelf al niet bijzonder in den smaak van onzen
vriend, het beetje genoegen dat hij smaakte, werd vergald door
de tegenwoordigheid van een aantal officieren van de landmacht,
die na den roemrijken slag bij Waterloo evenzeer werden gevierd als
de zeeofficieren over den schouder aangekeken. Ned trok zich terug
en alleen uit beleefdheid voor zijn zuster, danste hij mede in een
quadrille.
Op dit bal raakte hij in kennis met een heer in burgerkleeding, een
hupschen jongen man met frissche, eenigzins gebruinde gelaatskleur,
een donkeren knevel en zwart haar. Het uiterlijk van deze elegante
heer trok niet zoozeer de aandacht van Ned als wel zijn ietwat
schommelenden, wiegenden gang, die hij dikwijls had gezien, maar
zelden bij zulk een naar de mode gekleede gentleman. Beide heeren
sloten spoedig vriendschap en reeds den volgenden dag was de nieuwe
bekende van Ned, die zich Lord Falton noemde en wiens goederen volgens
zijn zeggen in Schotland lagen, de gast van den huize Westfield. Een
schoolkameraad van onzen Ned, Tom Hunter, eveneens zeeofficier,
verwijlde ook te Cowford, omdat hij zijn kort verlof in de nabijheid
van zijn besten vriend wilde doorbrengen.
Op zekeren morgen was Ned reeds vroeg naar een tamelijk ver verwijderd
jachtterrein vertrokken. In den loop van den dag ontving Tom bevel
zich onmiddellijk naar zijn fregat te begeven, en ook Lord Falton was
verplicht te vertrekken, beiden ontbrak dus de gelegenheid afscheid te
nemen van hun vriend Ned. Pedro die,--zooals wij weten, den laatsten
groet van den ouden lord aan de familie had overgebracht, later
door Ned in de Baai van Biafra uit de handen van een slavenhandelaar
verlost en bij den terugkeer van den luitenant als factotum in den
huize Westfield gebleven was, kreeg een boodschap dat zijn jonge
meester hem nog voor den avond met de beide jachthonden op het terrein
verwachtte. Bij zijn komst vernam hij tot zijn groote verbazing,
dat Ned niet om hem had gezonden. Het geval besprekend, kwamen onze
vrienden tot het besluit, dat men om bijzondere reden den wakkeren
Pedro en de honden uit het huis had gelokt en zonder meer woorden te
verspillen reden ze naar Cowford terug. Ze kwamen echter te laat om
den goed beraamden schurkenstreek te beletten.
Op de bovenverdieping van de villa bevond zich een rijke verzameling
wapens en andere schatten door den ouden Lord Westfield op zijn vele
reizen verzameld. Deze kostbaarheden hadden de begeerte der dieven
gewekt. Uit een kunstvolle schaal, uit Hindostan afkomstig, misten zes
diamanten van groote waarde; twee prachtige pistolen waren uit het
foedraal genomen en ook ontbrak een kostbare met juweelen versierde
dolk uit Golconda, door een Indisch vorst aan Lord Westfield ten
geschenke gegeven.
Ned wekte zijne moeder en zuster en deelde haar het voorgevallene
mee; daarna maakte hij zich reisvaardig om met Pedro de inbrekers te
vervolgen. De honden vonden spoedig het spoor, maar het gelukte niet
de dieven in te halen. In Londen, die reusachtige wereldstad, waren
ze spoedig het spoor bijster, maar Ned ontzag geen moeite om zijn
doel te bereiken. Hij gaf nauwkeurige inlichtingen aan de politie,
kwam door een toeval te weten, dat de inbrekers zeelieden waren en
riep toen de hulp in van James Walker, zijn voormalige leermeester,
later zijn krijgsmakker. James herkende nauwelijks zijn luitenant
noch Pedro, zoo uitstekend was hun vermomming. Bij den ouden pekbroek
waren ze aan het goede kantoor. In de nabijheid van de haven had hij
een winkel van scheepsbenoodigdheden, waar veel zeelieden zich kwamen
voorzien; mogelijk gaf een onberaden gezegde van een zijner klanten
een kleine vingerwijzing. En deze hoop was al verwezenlijkt; een der
dieven had hem de wapens te koop aangeboden. James kon zich diens
gezicht niet meer herinneren, èn omdat hij hem te weinig aandacht
had geschonken, èn omdat de dief den kraag van zijn jas tot over de
ooren opgetrokken had. Na dagen lang in alle zeemanskroegen te hebben
gespionneerd, ontdekte James dat de dieven zich op de "Magada", een
Oost-Indiëvaarder, bevonden. Het schip had reeds moeten uitzeilen, maar
door het wegloopen van eenige matrozen was het vertrek vertraagd. Tijd
tot lang nadenken ontbrak; snel besloten lieten Pedro en James zich als
matroos aanmonsteren en Ned nam een plaats als passagier. Zij hoopten
nog voor dat het schip te Portsmouth zou binnenloopen alles ontdekt
te hebben. Onze luitenant, die zich uitgaf voor een armen klerk,
moest zijn hut deelen met een Amerikaan uit Baltimore, David Nut,
een ouden gierigaard, die afgodsbeelden van porcelijn en leem aan de
Indische heidenen wilde verkoopen.
's Middags werd het anker gelicht. Pedro had in Londen nog vernomen,
dat de inbrekers lid van een dievenbende waren, en de bijnamen voerden
van "Gentleman" en "Grobian." Dit was het eenige aanknoopingspunt.
Toen onze jonge vriend, die zijn rol als "landrot" vrij goed speelde,
's avonds in de kajuit kwam om te soupeeren, ontmoette hij er
een aantal passagiers. Een Indische rechter, de rijke Sir Cook,
was tot Neds teleurstelling niet aanwezig. Het gezelschap bestond
grootendeels uit vrouwen en kinderen, de heeren hadden in een hoek een
kring gevormd, waarin luide vroolijkheid heerschte. Er waren eenige
adelborsten, een Indische planter, die met de jongelui schertste,
de scheepsdokter en de magere Yankee die met een bleek gelaat en
minachtenden blik op het lachende clubje neerzag.
De planter, mijnheer Hyde, een joviale oude heer, wien het blijkbaar
niet aan een scherp waarnemingsvermogen ontbrak, vertelde allerlei
grappen, maar Ned, te veel zeeman in zijn hart, ging weer naar dek
en zag dat de "Magada" de reede van Portsmouth naderde. Kapitein
Harryson wandelde op het verdek heen en weer en had het bevel
overgegeven aan zijn eersten stuurman, een eenigszins potsierlijk
gekleed jongmensch. Ned meende beide heeren te kennen, ook hun stem
kwam hem bekend voor, doch hij spande te vergeefs zijne hersens in
om zich te herinneren waar hij hen had ontmoet.
Weldra zag men de masten der oorlogsschepen, die bij Spithead
gestationeerd waren, en kort daarna wierp de "Magada" haar anker in
de haven van Portsmouth.
Het schip wachtte hier de brievenpost, zou nog eenige passagiers aan
boord nemen, den volgenden middag weer vertrekken en niet eer voor
aan Kaapstad aanleggen.
Goede raad was duur. Noch van den "Grobian" noch van den "Gentleman"
was een spoor ontdekt, Pedro had een gesprek tusschen twee matrozen
afgeluisterd, waarin de naam "Grobian" genoemd werd, maar de duisternis
had hem belet beider gelaat te zien.
"Wat moet er gebeuren als heden avond nog niets ontdekt is?" vroeg
Ned zichzelf af. Het eenvoudigste was om openhartig met den kapitein
te spreken, maar dan moest hij zijn incognito prijsgeven. De dieven
zouden dan op hun hoede zijn en zeker bij de eerste aanleiding de
diamanten "onzichtbaar" maken.
Toen James weer de wacht had, kwam hij tot de overtuiging dat ook de
"Gentleman" zich aan boord bevond.
"Heb genoeg gehoord van "Grobian" en van "Gentleman", fluisterde
hij Ned in. "Weet precies, dat de schelmen aan boord zijn. En Pedro
heeft hen over de steenen hooren spreken. Weet ook.... de "Gentleman"
heeft uwe pistolen. Wat zullen we doen?"
"Ik ga morgen vroeg aan wal en zal met de politie spreken. Wel te
rusten, James."
Allerlei plannen en gedachten dwarrelden Ned door het brein, toen
hij 's ochtends vroeg op het dek kwam. Hij besloot aan wal te gaan,
op een eenzame wandeling de zaak nog eens kalm te overdenken en dan
overeenkomstig zijn besluit de noodige maatregelen te nemen. Hij
stapte in een der jollen, die in grooten getale om de "Magada" lagen
en genoot van den heerlijken morgen. De golven schitterend als zilver
spatten hoog schuimend op tegen het lichtgroen gekleurd koperbeslag
der fregatten; het wachtschip in het dok loste een kanonschot,
beantwoord door een oorlogsbodem die zee koos. De eigenaar van de jol,
een spraakzame man, vertelde aan Ned, dat gisteren aan boord van de
"Duke of York" een krijgsraad was gehouden over den eersten luitenant
van de "Orion", die dan ook onmiddellijk uit 's lands dienst was
ontslagen. Deze had geweigerd om aan een der matrozen, dien hij
volkomen onschuldig achtte, een zware straf te laten voltrekken en
bij het verdedigen van zijn standpunt zijn kapitein beleedigd.
Ned wist dat de kapitein van de "Orion" bij de marine bekend stond
als een tyran en dat zijn fregat nooit anders werd genoemd dan de
"zwemmende hel." Ned wist ook, dat Tom Hunter op de "Orion" diende
en de vrees bekroop hem of deze ontslagen luitenant zijn vriend zou
kunnen zijn. Zoodra hij aan wal stapte wendde hij zijn schreden naar
de stad om zich zekerheid te verschaffen. Nauwelijks had hij een
eindweegs afgelegd of hij zag op een afgelegen plaats drie personen,
wier plannen geen uitleg behoefden. Snel wilde hij voorbijloopen,
maar een der drie heeren, een kapitein van een oorlogsschip, riep hem
terug. De beide andere heeren keerden zich ook tot Ned en hij herkende
in den kapitein in groot uniform, den tyran van de "Orion." De ander
die een groot étui onder den arm droeg, was blijkbaar de dokter.
"Hola, mijnheer, wij moeten u verzoeken, daar u eenmaal hier zijt,
nog eenigen tijd te blijven. Het is op uw gezicht te lezen dat gij ons
plan hebt geraden en om te voorkomen dat gij ons voornemen in eenig
opzicht tracht te verijdelen, zijn wij verplicht u te verzoeken te
blijven tot alles is afgeloopen."
"En als ik toch ga?" vroeg Ned onvervaard.
"Dan schiet ik u dood," zeide de kapitein van de "Orion" een pistool
te voorschijn halend.
"Een fatsoenlijk man staat altijd weerloos tegenover het ruwe, brutale
geweld," sprak Ned kalm. "Ik zal wachten, maar voor uwe aanmatiging
zult gij mij genoegdoening geven."
"Als ik lust heb!" schreeuwde de kapitein.
"Ik zal er u toe weten te dwingen! Een Britsch officier is geen
lafaard."
Er volgde geen antwoord op Neds woorden want op dat oogenblik landde
een zeilboot, waaruit twee heeren in burgerkleeding stegen. Onze
vriend, zich in zijn lot schikkend, zette zich op een steen en
beschouwde met onverschillig gelaat de toebereidselen voor het
duel. Toen echter bleek dat de tweede duelist werkelijk zijn vriend
Hunter was, ontwaakte zijn volle belangstelling.
De secondanten beproefden nog eenmaal het verschil in der minne te
schikken, maar hunne pogingen stuitten af op de halsstarrigheid van
den kapitein, wiens uiterlijk getuigde van zijn onwrikbaar besluit
om zijn tegenpartij, zijn vroegeren ondergeschikte, die het gewaagd
had hem tegen te spreken, doodelijk te treffen. De secondanten traden
terug en gaven het sein om te vuren.
De schoten knalden haast gelijktijdig--de kapitein had iets te
lang gemikt, zeker met het doel om zijn gehaten vijand morsdood te
schieten--en een seconde later wankelde de tyran van de "Orion". Zijn
secondant en vriend snelde op hem toe en hem met zijne armen
ondersteunend, liet hij hem behoedzaam op den grond glijden. De
dokter opende behendig de uniform. Een enkele blik overtuigde hem,
dat er niets meer te hopen viel. Met groote starre oogen, het pistool
in de verstijfde hand lag hij zieltogend neer.
"Dood--door het hart geschoten," zeide de dokter op luiden toon.
Hunter, die niet gewond was, stond sprakeloos, doodsbleek, met vast
opeengesloten lippen.
De andere heer trad op hem toe en zijn hand op Toms schouder leggend,
klonk het ernstig van zijn lippen:
"Gij zijt de moordenaar van mijn vriend, die zijn pistool in de lucht
afschoot. Ik moet u opnieuw aan den krijgsraad overleveren. Want,
op bevel van den admiraal gisterenavond ontvangen is uw vonnis
nietig verklaard op grond der beweegredenen, die tot insubordinatie
leidden, en in aanmerking genomen de door u betoonde dapperheid in den
laatsten oorlog. Gij zijt in uw rang van eersten luitenant hersteld,
en als zoodanig hebt gij uw meerdere tot een tweegevecht uitgedaagd
en gedood."
"Ik zal me dadelijk ter beschikking stellen van de militaire
autoriteit, ofschoon ik tot heden onbekend was met de vernietiging
van het vonnis," verklaarde Hunter, ten prooi aan de tegenstrijdigste
aandoeningen.
"Gij zult moeten toestaan, dat wij u de boeien aanleggen, want
niets staat ons borg, dat gij uw woord gestand zult doen," luidde
het antwoord.
Die beleediging wekte Neds toorn; bliksemsnel greep hij een der
geladen pistolen, die gereed lagen en trad op beide heeren toe.
"Kapitein, als gij, zelf zeeofficier, meent niet te kunnen vertrouwen
op het woord van een kameraad, den eersten luitenant Hunter, dan
meen ik te mogen twijfelen aan uw eer. Gij weet zeer goed, dat in
den vroegen morgen niemand in staat is geweest dezen heer het bevel
van den admiraal mede te deelen. Blijkbaar is het uw bedoeling wraak
te nemen over den dood van uw gevallen vriend. Maar eerst wil ik een
woordje met u spreken! Wegens de behandeling die ik ondervond, kon
ik u onmiddellijk tot een duel noodzaken, maar met een zeeofficier,
die zonder grondige reden de eer van zijn kameraad verdenkt, kruis
ik den degen niet......"
"Mijnheer!......"
"Zwijg! Een half uur geleden was ik verplicht mij naar uw wil te
voegen, thans eisch ik onvoorwaardelijk gehoorzaamheid, of..... ik
gebruik dit wapen. Hunter," vervolgde hij, zich tot dezen wendend,
"ondanks mijn verkleeding hebt gij zeker uw ouden vriend Ned Westfield
wel herkend. Gij zelf, zoowel als je secondant moet mijn bevelen
volgen. Zonder tegenstribbelen, kapitein, moet gij u de handen
en voeten laten binden, even als uw vriend, de dokter. Het spijt
me, dat ik u zoo behandelen moet, maar gij hebt het aan uzelf te
wijten. Overigens zal ik zorgen, dat gij niet al te lang gebonden
blijft liggen."
Neds woorden, kracht bijgezet door het dreigend opgeheven pistool,
duldden geen tegenspraak. Weinige minuten later waren de kapitein
en de dokter gekneveld en het lijk van den gevallene met een mantel
bedekt. De drie vrienden stapten in de zeilboot, die Hunter en
zijn secondant hierheen hadden gevoerd en verlieten het tooneel van
den strijd.
Van de eenzame wandeling, die Ned zich had voorgenomen, kwam niets,
toch was hij innig verheugd, dat hij zijn besten vriend uit een
moeielijken en gevaarvollen toestand had kunnen redden. Tom moest
zich eenigen tijd verborgen houden tot dit ongelukkige geval
in het vergeetboek zou geraakt zijn, en de "Magada" was in deze
omstandigheden de beste schuilplaats. In ieder geval was het toch
zijn meerdere dien hij tot een duel had uitgedaagd. De drie jonge
mannen zeilden naar Gosport, een voorhaven van Portsmouth, waar Toms
secondant afscheid van hen nam. Om niet herkend te worden schoor Tom
zijn baard af, en Ned bezorgde hem een lange zwarte jas, een witte
das en een zwarte hoed met breeden rand. Daarna begaven ze zich naar
een hôtel, waar Ned het haastig opgedragen maal de meeste eer bewees;
zijn vriend echter was niet in staat iets te gebruiken. De gedachte
aan het voorgevallene overweldigde hem telkens weer.
Ned moest ter wille van zijn vriend het plan opgeven om de politie met
den diefstal in kennis te stellen, en was dus verplicht de reis nog
verder mee te maken. Alweer ontbrak het hem aan tijd om zich lang te
beraden; gelukkig behoorde hij tot de naturen, die snel een besluit
nemen en even snel het volvoeren. Hij begaf zich naar zijn vroegeren
bankier te Portsmouth, die hem dadelijk herkende en verkreeg zonder
eenige moeite een kredietbrief op Lissabon en Kaapstad. Hij schreef een
langen brief aan zijn moeder, waarin hij haar mededeelde, dat hij de
vervolging der dieven nog niet opgaf; vertelde haar zijn ontmoeting
met Tom en den moeilijken toestand waarin deze zich bevond. Ook
aan Toms oom zond hij bericht en vergat evenmin James vrouw met het
voorgevallene in kennis te stellen. Intusschen was het tijd geworden
om aan boord terug te keeren; hij liet zich, vergezeld door Hunter,
naar de "Magada" brengen en gaf den schipper bevel tegen zes uur op
zeker punt aan het strand te zijn om twee heeren af te halen.
De gierige Yankee was bereid, tegen betaling van een groote
som, Tom een plaatsje in zijn hut af te staan en hoopte dat de
jonge missionaris--als zoodanig had Ned zijn vriend aan boord
voorgesteld--hem op aangename wijze de lange zeereis zou helpen korten.
In groote spanning, vervolgd door de vrees, dat de kapitein en de
dokter ontkomen waren en een vervolging tegen hen in 't werk gesteld
hadden, verbeidden Ned en Tom het oogenblik waarop de "Magada" de haven
van Portsmouth zou verlaten. Eindelijk trad de eb in, eindelijk kwam
het vurig gewenschte bevel om het anker te lichten. Lustig zwollen
de zeilen, het oude schip zette zich langzaam in beweging en voort
ging het naar den Atlantischen Oceaan.
Met een gevoel van verademing zagen de vrienden Portsmouth verdwijnen,
meenend nu aan alle gevaren ontsnapt te zijn. Den volgenden morgen
echter lag bij Portland een fregat in hun weg en wel dezelfde "Orion,"
wiens kapitein een dag te voren door Tom in het duel was gedood.
"Welk schip?" riep een luitenant door den scheepsroeper.
"De "Magada," van de Oost-Indische Compagnie, kapitein Harryson,"
luidde het antwoord.
"Bijdraaien! Wij zullen een boot zenden."
Bliksemsnel waren onze vrienden uit het gezicht verdwenen. Tom snelde
naar beneden en Ned verschool zich achter den breeden rug van James
Walker. Eenige minuten later kwam een adelborst van de "Orion" aan
dek, begroette den kapitein beleefd en hem een pakket overreikende,
zeide hij:
"De admiraal verzoekt u vriendelijk deze dépêche aan Sir Robert Cook
ter hand te willen stellen, die naar wij meenen, hier aan boord is."
"Ja, mijnheer. De dépêches zullen onmiddellijk overhandigd worden,"
antwoordde kapitein Harryson.
"Dan heb ik mij van mijn opdracht gekweten. Voorspoedige reis! Onder
weg zullen wij elkaar nog weerzien."
"Weerzien?"
"Ja, de "Orion" vertrekt over een paar dagen naar St. Helena."
"Dan zeker..... tot weerziens!"
Ned waagde het den vriendelijken adelborst te vragen of kapitein
Richardson zich aan boord van de "Orion" bevond, maar kreeg het
geruststellend antwoord, dat hij reeds twee dagen aan wal was en niet
eer dan kort voor het uitloopen van het fregat aan boord zou komen.
Verheugd snelde Ned naar de kajuit om den angstig wachtenden vriend
gerust te stellen en mede te deelen dat men tot heden niet wist wat
er met den kapitein van de "Orion" was voorgevallen.