METIPAN.

Antonio vooruit, door Miguel en Alonso op eenigen afstand gevolgd en

Lord Westfield den trein besluitend, reden de mannen, die wij in het

vorige hoofdstuk leerden kennen, over de pampa.

De aanblik dezer streek maakte een treurigen indruk op den Brit. Het

geheele land, vlak en kaal, onvruchtbaar, met zand bedekt, werd

doorsneden door meer of minder diepe kloven en stroombeddingen. Langs

de wanden van sommige ravijnen groeiden bruine, eetbare kruiden

en leidden enkele dorre heesters een armzalig bestaan. Eenige

groepen berberissen, wier bessen zich achter donkere, lederkleurige

bladen verscholen, boden een geringe afwisseling in het eentonige

landschap. Rotsblokken en steenhoopen ontbraken hier bijna geheel,

evenals op de meeste pampa's van Argentinië, toch deed zich het

merkwaardig verschijnsel voor dat op deze vlakte hier en daar basalt

uit den bodem te voorschijn kwam.

"Kijk, Antonio houdt zijn paard in," zeide Alonso, "en ginds zie ik

ook de oorzaak..... vlak voor ons..... in het zuiden..... diep aan

den horizont..... eenige donkere punten."

"Struisvogels?" vroeg Lord Westfield.

"Neen," antwoordde Miguel beslist, "op zulk een grooten afstand zijn

deze dieren niet zichtbaar. Het zijn ruiters. Laten wij naast elkaar

rijden en wel zóó, dat Antonio met zijn paard ons beiden dekt en gij

Mylord, achter ons verborgen zijt, dan lijkt het van gindsche punten

gezien alsof er maar een ruiter voorbij trekt. Mochten ze ons naderen,

dan zal het niet zonder een kleine schermutseling afloopen."

De jonge mannen vervolgden in snellen draf hun weg op de wijze als

Miguel had voorgesteld. De punten aan den horizont werden niet grooter,

toch kon men duidelijk waarnemen, dat de ruiters naar het Westen

trokken. Eindelijk bereikten onze vrienden een grootere aardinzinking

of ravijn, een zoogenaamde Barranco.

Na eenige mijlen langs den rand te hebben gereden, hield Antonio bij

een lichte helling op. De ruiters sprongen uit het zadel; Alonso en

de Brit leidden hun paarden bij den toom naar beneden, Miguel besteeg

het ros van Antonio en reed spoorslags weg, terwijl deze eveneens in

het ravijn afdaalde.

Op den bodem van het ravijn bevonden zich tallooze sporen, die

bewezen dat van tijd tot tijd bij aanhoudende zware regens het water

er nog door stroomde. Eenige honderde voeten zuidwestelijk liep

het ravijn plotseling met een scherpen hoek noordwaarts en op dit

punt had de hoog bruisende, krachtige stroom den wand uitgehold; de

aardinzinking was er buitengewoon diep en door de nauwe opening der

overhangende rotsblokken kon van den rand van het ravijn geen blik

in deze schuilplaats worden geworpen. Hier werd halt gehouden. Lord

Westfield spreidde zijn wollen deken op den grond en de drie mannen

vleiden er zich gemakkelijk op neer, gevrijwaard zoo ze meenden voor

elken onverhoedschen aanval, omdat ze van dat punt den weg naar beide

richtingen konden overzien. De Carrils staken hun maissigaren aan en

de Engelschman haalde een kort aarden pijpje te voorschijn.

Lord Westfield maakte van deze gelegenheid gebruik om zijn kennis van

land en volk te vermeerderen en onder een opgewekt gesprek verliepen

de uren. Natuurlijk bleef de Brit niet in gebreke nog eens terug te

komen op zijn geliefkoosd plan, zijn reis door Patagonië.

"Het is werkelijk geen geschikt tijdstip om uw voornemen ten uitvoer

te brengen," zeide Alonso. "Mochten de Indianen een aanval wagen,

dan zullen ze ditmaal behoorlijk getuchtigd worden; dientengevolge

neemt hun vijandschap toe en maakt een tocht door hun gebied haast

ondoenlijk."

"Neen, er is voorloopig geen denken aan een reis door Patagonië,"

voegde Antonio er bij. "Dat we zelfs hier, in dit verborgen hoekje

niet buiten gevaar zijn, wordt bewezen door..... het zand, dat daar

ginds naar beneden rolt."

"Bah! Een vogel, die omhoog vliegt en dadelijk ziet gij spoken,"

spotte de Brit.

"Zaagt gij ergens een vogel, Mylord?"

"No! Maar wat anders zou de oorzaak geweest zijn?"

Opnieuw gleed er wat zand naar omlaag, nu meer oostelijk.

De broeders sprongen op en zagen elkaar veelbeteekenend aan; ze

maakten de paarden los, en Antonio wende zich tot den Engelschman,

die rustig op zijn deken bleef liggen.

"Gij zijt niet bang, Señor, blijf gerust in deze zorgelooze houding

liggen. Binnen een kwartier zult gij bezoek krijgen. Wij trekken ons

met mijn paard achter gindschen hoek terug, maar komen u bij mogelijk

gevaar terstond te hulp."

"Well..... Ik heb onafgebroken opgelet en niemand gezien."

"Volkomen waar," fluisterde Alonso. "En toch is iemand hier langs

gereden. Door een lichte trilling van den grond rolde het zand af,

dat ons op zijn komst voorbereidt. Hij heeft ons spoor ontdekt en

zal spoedig hier zijn, 't zij dan vriend of vijand."

De Carrils slopen weg; de Engelschman stopte opnieuw zijn pijpje,

overtuigde zich dat zijn pistolen geladen waren en strekte zich zoo

behagelijk op zijn wollen deken uit, als lag hij op een chaise longue

in zijn woning te Londen.

Tien minuten ongeveer konden verloopen zijn, toen hij, scherp

luisterend naar de minste ritseling, dicht bij zich een zacht knarsen

meende te hooren. Verrast wendde hij het hoofd naar de zijde vanwaar

het gevaar dreigde, zonder echter iets te kunnen ontdekken. Overtuigd

dat zijn gehoor hem niet had misleid, hief hij het hoofd op om beter

te kunnen zien en..... op hetzelfde oogenblik werd hem een lasso om

den hals geworpen. Een donkere gestalte kwam als uit den rotswand op

hem af en zette hem het mes op de keel.

De Lord moest het zich laten welgevallen, dat hem handen en voeten

gebonden werden. Toen ging de aanvaller, een deftige Indiaan, verder

het ravijn in, waar Alonso hem tegemoet trad, den loop van het geweer

gericht op de bloote borst van den Roodhuid. Met een kreet van woede

bleef de Wilde staan.

"Leg je wapens neer, roode schelm," donderde Alonso hem toe, de taal

der Tsonecas gebruikend, "of ik schiet je neer."

Langzaam trad de Indiaan eenige schreden achteruit en zag naar alle

kanten om zich heen, als zocht hij een geschikte plaats om zijn wapens

neer te leggen; plotseling wierp hij zich snel als het weerlicht op

den Brit en zette hem andermaal het mes op de keel.

"Mijn blanke broeder zal nu wel niet schieten," zeide hij grijnzend.

"Toch wel, blinde mol! Denk je listiger te zijn dan een

bombero? Luister eens, Indiaan. Je volgdet het spoor van twee blanke

mannen, zie eens om je heen en zeg hoeveel er hier gekampeerd zijn?"

De Wilde beschouwde opmerkzaam den grond.

"Bij Gualichu! Drie!"

"Juist. En die derde voert je paard aan den teugel en komt je

achterop."

De Indiaan, die begreep voor de overmacht te moeten zwichten, wierp

met een woedend gebaar zijn dolk, mes en bolas op den grond.

"Halt, vriend Roodhuid," gelastte Alonso, "gebruik eerst je mes om

dezen caballero van zijn banden te ontdoen. En wees dan zoo goed je

eigen voeten vast te binden, maar stevig hoor! Ik zal me overtuigen

of je dat kunststukje goed hebt uitgevoerd, en dan meteen je handen

knevelen."

De Tsoneca deed wat hem gezegd werd, waarna Alonso hem de handen op den

rug bond. Op hetzelfde oogenblik verscheen Antonio met het paard. De

broeders hadden terecht begrepen, dat de vijand het in verzekerde

bewaring zou brengen terwijl hij den Engelschman overviel. Antonio

was langs den wand van het ravijn naar boven geklauterd, had het

spoor van den ruiter gevolgd en het paard in een der kloven gevonden.

"Zijn de guanaco's en de struisvogels uit het zuiden weggeloopen,

dat je hier ter jacht gaat? Of vriest het daar en ben je op weg naar

den Gran Chaco?" spotte Antonio.

Een sluwe lach was het eenige antwoord.

"Of heb je lust Carmen binnen te dringen en de christenen te

vermoorden?"

"Well... Deze Wilde zal ons goede diensten bewijzen," merkte de

Brit op.

"Indien gij gelooft dat hij iets zal verraden dan vergist gij u zeer,

Señor," zeide Alonso.

"En mocht hij, tegen hun gewoonte, tot spreken te bewegen zijn, dan

zal Miguel, die weldra terugkomt, hem wel onder handen nemen. Over

de vlakte sluipend, zag ik in het zuiden een troep krijgslieden,

op behoorlijken afstand gevolgd door een enkelen ruiter. Dezen houd

ik voor Miguel."

"Als je goed hebt gezien, is hij niet in onze schuilplaats geweest."

"Damned!" riep de Engelschman. "Zóó zal er van mijn avonturen niet

veel komen."

"Eén hebt gij zoo even reeds beleefd, Mylord, en wees overtuigd dat er

nog meer zullen volgen. Wat hindert het zoo Miguel onze schuilplaats

niet kon bereiken?... Onze gevangene voorziet hem van de noodige

kleeding."

"Er kunnen nog zooveel avonturen komen, Mylord, dat het u misschien

berouwen zal met ons te zijn uitgetrokken."

Gedurende dit gesprek hadden de Carrils zich weer op den

grond uitgestrekt, al waren ze lang niet zoo gerust als ze zich

voordeden. Hoe licht zouden ze in een hachelijken toestand kunnen

geraken, indien het groot aantal Tsonecas, dat in het Zuiden zwierf,

hun spoor ontdekte en hen van twee kanten tegelijk aanviel. De blik,

waarmede beide broeders elkaar aanzagen, getuigde dat ze zich het

gevaar volkomen bewust waren.

"Werkelijk Miguel?" vroeg Alonso.

"Miguel of iemand in zijn kleeren en op mijn paard."

"Wat zullen wij doen?"

"Wachten."

Alonso stond op, nam den lasso, die nog naast den Engelschman lag en

verwijderde zich zonder een woord te spreken.

"Dreigt er gevaar?" vroeg de Brit.

"Altijd in dit land! Heden vooral moeten wij op onze hoede zijn. Mijn

broeder houdt de wacht aan den ingang van het ravijn."

Eenige minuten later verscheen Miguel.

"Alonso vertelde mij wat hier voorgevallen is," zeide hij ernstig. "Al

mocht ik mijn doel niet bereiken toch was mijn reis niet te

vergeefsch want ik luisterde een gesprek af tusschen Metipan en

onzen gevangene. Hij kwam mij te gemoet, meenend dat ik Metipan was

en toen hij, door een inzinking rijdend, mij een oogenblik uit het

oog verloor, was ik in eens verdwenen. Ja," vervolgde hij lachend,

"het is een groot voordeel evengoed den weg te weten in je land als

in je eigen zak. Metipan en deze schurk, die eigenlijk een Toki der

Pehuenches is, al draagt hij het kleed der Tehuelches, ontmoetten

elkaar, wisselden eenige woorden en begaven zich, precies, zooals

ik gedacht had, naar mijn sluiphoek. Wat ik hoorde, bevestigde mijn

vermoeden. De door de verschillende stammen der Indianen gekozen

aanvoerders hebben heden nacht een samenkomst bij den "Heiligen Steen."

"Dan zal het moeilijk, ja, haast onmogelijk zijn ze daar te

beluisteren."

"Wie het aan kracht ontbreekt, moet list te baat nemen,"

antwoordde Miguel. "In plaats van dezen Toki neem ik deel aan de

beraadslagingen. Maak je niet ongerust, ze zullen me niet herkennen."

"En ik zal evenmin op het appèl ontbreken," verklaarde Antonio.

"Gij, broeders," zeide Miguel met een afwijzende handbeweging,

"die zich als vrije mannen in Carmen de Patagones kunt vertoonen,

moet uw leven sparen voor de expeditie om Amata uit haar slavernij

te verlossen. Keer ik niet terug van den gevaarvollen tocht, dien ik

heden nacht onderneem, waarschuw dan de nederzetting en vergeet niet

mij te rechtvaardigen, mijn naam van elken smet te zuiveren.

"Onze gevangene," ging hij rustig voort, "zal het zich tot een eer

rekenen met mij van kleeren te mogen wisselen. Ook opschik, wapens

en paard moet hij mij afstaan."

"Ik weet, dat tegenspraak niet helpt, Miguel, dus voeg ik mij naar

je wil. Mij echter zal het een groot genoegen doen dit roode mannetje

met je kleeren te mogen uitdosschen."

"Goed, maar dat kan nog wachten! Als je eens de banden van den Toki

nazaagt en Alonso gingt aflossen?"

Antonio deed wat hem verzocht werd en weldra verscheen de jongste

der Carrils.

"Antonio vertelde me, dat je in de kleeding van onzen gevangene de

bijeenkomst der Tokis wilt bijwonen. Is je besluit onveranderlijk? Wij

weten immers genoeg om je te Carmen, als redder van het fort, voor

verdere onaangenaamheden te vrijwaren."

"Alsof de autoriteit onze berichten omtrent de voorgenomen aanval der

Indianen gelooven zou! Neen, neen, mijn beste Alonso, onze gevangene

maakt mij de zaak gemakkelijker. In zijn kleeding en in zijn plaats

woon ik de bijeenkomst bij, trouwens zijn wegblijven zou achterdocht

wekken."

Alonso haalde zuchtend de schouders op en zijn broer met droeven,

angstigen blik beschouwend, zette hij zich op zijn mantel neer.

"Gij zult toch toestaan, Don Miguel, dat wij in de verte volgen om

in geval van nood u te kunnen helpen?" vroeg Lord Westfield.

"En allen in mijn ongeluk meesleepen? Neen, neen, als er een offer

vallen moet, laat mij dat dan zijn. De kolonie heeft op dit oogenblik

te zeer behoefte aan uw kracht en aan die van mijn broers, dat gij

roekeloos uw leven zoudt mogen wagen. Wie staat ons borg, dat wij niet

gezamelijk den dood vinden en wie zal dan de regeering waarschuwen,

de nederzetting redden?"

Ofschoon door zijn medeburgers vogelvrij verklaard, beefde toch deze

moedige man bij de gedachte aan het lot, dat hen wachtte.

"Verstandig geredeneerd, Miguel, maar toch doen liefde en bezorgdheid

alleen je zoo spreken. Hoe gemakkelijk zou ik je bewering kunnen

weerleggen."

"Al is mijn devies "koelbloedigheid" zoo stem ik toch volkomen

in met de meening van Don Alonso. Wanneer gaat ge op weg naar den

"Heiligen Steen?"

"Zoodra de zon aan den horizont verdwenen is."

"Well! En wanneer kan Juliano terug zijn?"

"Twee uur later."

"All right! Mijn paard en dat van Alonso zijn beiden goed

uitgerust. Gij Miguel, neemt het mijne--het is een voortreffelijk

dier, dat nauwelijks vermoeidheid kent--legt hem het zadel op van

den Indiaan..."

"Zeer vriendelijk bedoeld, Señor, maar.... niet aannemelijk. Dat

van den Toki is ook niet te verwerpen en beter vertrouwd bij zijn

Indische kameraden. Een klein toeval, een kleine onachtzaamheid heeft

vaak groote onheilen veroorzaakt."

"Goed, neem dan den mustang [7]. Maar luister verder. Zoodra de

schemering ingevallen is, volg ik u met een uwer broeders, terwijl de

andere den Toki bewaakt en op Juliano en Pedro wacht. En als beide

laatsten zijn teruggekeerd, wordt de Tsoneca op Juliano's paard

gebonden, en na een korten rusttijd gaat Pedro met den gevangene

naar Carmen terug om de boodschap over te brengen, die hem zal worden

opgedragen."

"Geen slecht plan," merkte Alonso op.

"Uw beide andere broers, Don Miguel, volgen ons later. Juliano op

mijn tweede paard, de andere op dat van Alonso."

"Ik heb bij uw voorstel niets bij te voegen dan het verzoek den Indiaan

mijn poncho om te hangen en mijn overige kleeren mee te brengen. Voorts

is het mijn dringende wensch, dat alleen in den uitersten nood of

als ik u te hulp roep, gij u aan de gevaren van een ontmoeting met de

Tsonecas zult blootstellen. Te oordeelen naar het afgeluisterde gesprek

zal Metipan waarschijnlijk de beraadslaging niet bijwonen of eerst

veel later komen. Hij schijnt van "Kort Hands" gevangenneming niets

te weten, althans hij wilde nog naar het kamp der roovers rijden."

"Des te beter," zeide Alonso, tegelijkertijd met een buiging den Brit

dankend, die brood en vleesch uit zijn zadeltasch genomen had en het

den bomberos aanbood.

De temperatuur was in den loop van den dag beduidend gestegen en

zelfs op deze voor de zonnestralen beschutte plaats was de hitte

binnengedrongen. Nog vele uren verwijlden de Carrils met hun

gast in de barranco, gretig luisterend naar de reisverhalen van

den Engelschman. Deze had half Azië, Noord-Afrika, Abessinië en

het Kaapland bereisd, Amerika heen en weer doorkruist en allerlei

avonturen beleefd. Het nog onbekende Patagonië wekte in hooge mate

zijn belangstelling en weetgierigheid, en herhaaldelijk verzekerde

hij trots alle gevaren het land te zullen bezoeken.

Maar.... de mensch wikt en God beschikt.

Zoodra de avond gevallen en de zon aan den uitersten rand van de

pampa weggezonken was, trok Miguel het kleed van den Indiaanschen

Toki aan en knipte den zwaren baard af, die hem zeker zou hebben

verraden. Hij stak zijn pistolen in den zak, voegde bij de wapens

van den Indiaan nog zijn machete--een kort, breed zwaard,-- bond

den lasso aan het zadel vast en de lange lans der Pehuelch nemend,

reikte hij tot afscheid zijn broeders de hand.

Ongeveer twee mijlen ten Zuid-Westen van Carmen de Patagones, het fort

aan de Rio-Negro, toenmalige grensrivier tusschen de La-Platastreken en

het gebied der wilde en onafhankelijke Patagoniërs, lag midden in de

vlakte die zich zoowel naar het Noorden als naar het Westen en Zuiden

onafzienbaar ver uitstrekt, een geweldige hoop basaltblokken. Wel vindt

men in dit gedeelte der pampa, dat over het algemeen onvruchtbaar is

en slechts een schrale vegetatie vertoont, hier en daar scherpkantige

rotsbrokken van vulcanischen oorsprong, doch deze steenmassa was zoo

groot, dat men veilig kon aannemen dat zij door menschenhanden was

bijeengebracht. En dit was ook werkelijk het geval. Eenige groote

blokken waren in den grauwen voortijd door de Indianen gebruikt

om daartusschen een beroemden Toki te begraven. Boven het graf

hadden de Tehuelches een heuvel van kleinere steenen opgestapeld;

zoo was de groote massa ontstaan, die wel vijftien meter omvang

had, ongeveer acht meter hoog was en waarin aan de Oostzijde op

manshoogte een open ruimte gelaten was. De herinnering aan den roem

van den hoofdman was langzamerhand verloren gegaan en in de loop der

eeuwen de achting voor zijn laatste rustplaats vervangen door een

bijgeloovige vrees. Alle stammen der Patagoniërs beschouwden thans de

steenmassa als een heiligdom van hun geest Gualichu. De holte was met

allerlei offers--mantels, ponchos, vaatwerk en wapens--gevuld. Zelfs

hadden de Indianen voor den steenhoop hun offeranden half in den grond

gegraven, om te voorkomen dat ze door den wind werden meegevoerd. Geen

Patagoniër, van welken stam ook, zou het gewaagd hebben deze heilige

plaats voorbij te gaan zonder iets te offeren. Wie volstrekt niets

missen kon, maakte tenminste een haar van zijn paard aan een der

graven vast.

Op deze plek zou de bijeenkomst der Toki's plaats hebben. En voor

deze gelegenheid was er als het ware een dorp verrezen. Voor sommige

hutten der Patagoniërs had men groote vuren aangelegd, waarbij een

aantal vrouwen waren neergehurkt. Om de hutten heen slopen de mannen,

groote, krachtige gestalten, eer plomp dan slank en edel van bouw,

het hoofd te groot in verhouding tot den romp, handen en voeten

echter zoo klein, dat men zich verwonderd afvraagt hoe zij aan den

naam Patagoniër--Grootvoeten--komen. Hun huid is koperkleurig. Hun

haar is grof en zwart; zij hebben bijna geen wenkbrauwen, een

gebrek, dat aan de oogen een onaangename uitdrukking geeft. Ook de

baard ontbreekt nagenoeg geheel en al. Het gelaat is rond en breed,

ten gevolge van het zeer sterk vooruitsteken der wangbeenderen. De

kleine, rustelooze oogen zijn zwart als het haar en in de diepliggende

oogkassen als weggezonken. Tusschen de oogen is de neus smal, maar

naar onder loopt ze veel breeder uit. De mond is groot, de lippen

zijn tamelijk dik. Toch is over het algemeen de uitdrukking van het

gelaat niet ongunstig. De vrouwen zien er veel beter uit, enkelen

zijn werkelijk mooi.

De lucht, gedurende den geheelen dag klaar en helder, was licht

betrokken; in het Westen pakten donkere wolken samen en een enkele

windvlaag joeg het zand over de vlakte. De maan was nog niet zichtbaar

maar een lichtschijn aan den donkeren oostelijken horizont voorspelde

haar komst. Op geringen afstand van den "Heiligen steen" stegen

de vlammen van een groot vuur omhoog. Een twintigtal Indianen in

hun krijgsgewaad gedoscht, stonden er om heen, blijkbaar wachtend

op een der Hoofden, zonder wiens bijzijn men het "Parlement" niet

durfde openen. In groepen verdeeld onderhielden de Tokis zich met

elkaar, de meesten met trotsche, voorname houding, enkelen verheugd

en krijgslustig, anderen vol bangen twijfel aan het welslagen hunner

plannen. Intusschen volgden de windvlagen sneller op elkaar en bulderde

met steeds toenemende kracht de wind over de pampa.

Plotseling weerklonk een schrille kreet door de lucht en een oogenblik

later kwam een ruiter aangesneld. Haastig steeg hij af en naderde de

Tokis, die hem eerbiedig groetten.

"Moge Gualichu ons gunstig zijn!" riep hij.

"Moge hij onzen arm sterken en ons de zege doen behalen," antwoordde

Tschiluac, een oude hoofdman der Pehuenches. De overige Tokis

traden naderbij, fiere krijgshelden waarvan enkelen gekleed waren in

pantzerhemden, [8] om Metipan--want hij was het--de hand te schudden,

een gewoonte, die de Patagoniërs van de Christenen hadden overgenomen.

"Zijn alle Tokis aanwezig?" vroeg Metipan kortaf, met snellen blik

zijn bondgenooten monsterend.

"Ahon," klonk het antwoord als uit een mond.

"Dat men den Matschi [9] hiervan kennis geve," beval de Hoofdman.

Terwijl een der naastbij staande wachtposten, wiens plicht het was

elke stoornis te voorkomen, volgens oud gebruik den Matschi ging

uitnoodigen en de andere Tokis zich rondom het vuur schaarden, naderde

Tschiluac Metipan, door de verbonden stammen tot Hoofdtoki gekozen,

en fluisterde hem enkele woorden in. Hij knikte toestemmend en zoodra

Tschiluac zijn zitplaats weer had ingenomen, zeide hij met luide,

dreigende stem:

"Broeders, wees op uw hoede, er is in ons midden een verrader."

"Dat hij sterve!" riepen allen tegelijk.

Woedend vlogen de Indianen op. Een der Tokis in de dracht der

Pehuelches verliet ijlings den kring en uitte driemaal den schreeuw van

den gier. Hij rende naar den "Heiligen Steen" waar hij onverschrokken

post vatte: de beenen wijd uit elkaar, het bovenlichaam voorover

gebogen, in elke hand een pistool. De wind gierde langs de vlakte en

de vlammen rekten zich kronkelend en sissend als slangen ten hemel;

de woeste kreten der Tokis gepaard aan het lang aangehouden gehuil

der honden veroorzaakte een vervaarlijk geweld.

"Komt dichterbij, schurken," riep Miguel, "levend zult gij me niet

in handen krijgen."

"Schiet hem neer," brulde een koor van honderd Indianen.

"Halt!" beval Metipan. "Ik wil met den verrader spreken."

"Het is een dier vervloekte ratten van de pampa! Ik ken hen," zeide

Tschiluac. "De christenen [10] noemen hen bomberos."

"Een bombero," schreeuwden de Indianen. "Aan den paal met hem! Schiet

hem neer!"

"Stilte!" donderde Metipan. "Wie waagt het zich tegen mij te

verzetten? Je bent in mijn macht," vervolgde hij, zich tot Miguel

wendend, "antwoord op mijn vragen."

"Een bombero is nooit in iemands macht! Liever steek ik me dood,

dan mij aan zulke lafhartige honden over te geven."

"Mijn broeder moge het overdenken. Onder zekere voorwaarden zal hij

vrij zijn."

"Een bombero is geen schelm, hij onderhandelt niet met dieven,"

klonk het fiere antwoord.

"Dan zal "De Beul" toch moeten bekennen, waarom hij hier binnen

geslopen is."

"Te drommel! Om het besluit van de vergadering te hooren; dat is

klaar en duidelijk, Toki."

"Mijn broeder heeft een scherpe tong. Laat hij de wapens neerleggen

anders zal men hem die scherpe tong uitrukken en tot aan den hals

levend in de pampa begraven."

"Je bent een lafaard, Metipan! Spaar je woorden!"

"Pak aan," schreeuwde de opperhoofdman woedend over Miguels weigering.

Onze vriend, begrijpend dat de Tehuelch hem tot verrader van zijn

eigen volk wilde maken, was op een hevigen aanval bedacht. De Indianen

vlogen op hem af; twee schoten knalden en twee wilden wentelden in

hun bloed. Verschrikt deinsden ze achteruit; Miguel maakte van dat

oogenblik gebruik om zijn pistolen in zijn gordel te steken, zijn

machete te trekken en op zijn vijanden los te stormen. Houwen en slagen

uitdeelend, telkens een Indiaan neersabelend, naderde hij Metipan;

reeds kruiste hij zijn degen met dezen geduchten krijgsheld, die zich

beroemde van den Inka van Peru af te stammen, toen plotseling twee

schoten vielen en even zooveel roodhuiden neertuimelden. Snel achter

elkaar vielen nog zes schoten zonder dat één kogel zijn doel miste. De

Indianen, door de duisternis belet het aantal hunner vijanden te zien,

meenden, te rekenen naar de vele verslagenen, met een groote schaar te

doen te hebben en sloegen op de vlucht. Maar Metipan, een paar Tokis

en nog eenige dappere bondgenooten hielden stand en zoo kwam het uit

dat de moedige aanvallers maar met hun ... tweeën waren. Alonso en

de Engelschman! De Lord voerde een verwoed gevecht met de Indianen,

terwijl Alonso zijn broer op een paard hielp, dat hij een der Tsonecas

ontnomen had. Miguel naderde opnieuw Metipan, die hij in de hitte van

den strijd het gelaat openreet, deze echter vuurde vastberaden op zijn

tegenpartij. Miguel wankelde in het zadel en riep zijn vrienden toe:

"Vlucht! De honden verzamelen zich weer. Redt u!... Met mij... is

het gedaan..."

"Neen," riep Alonso, zijn broer op zijn eigen paard tillend, "die

heidenen zullen je niet in handen krijgen."

"Aansluiten!... we slaan er ons door!" beval de Brit, en liet zijn

paard steigeren en slaan om de vijanden, wier aantal met de minuut

grooter werd, op een afstand te houden.

Dapper baanden zij zich den terugtocht, maar toen zij de reien der

Wilden waren doorgebroken, ontbrak Miguel. De vluchtelingen hielden

hun paarden in, om te beraadslagen op welke wijze ze zijn lijk aan

de woede en wraakzucht der Tsonecas zouden kunnen onttrekken.

Bij den Gualichu-steen was het vuur opnieuw ontstoken; de dooden waren

bij elkaar gelegd en de gewonden naar de hutten gebracht. Rustig,

als ware er geen strijd gestreden, zaten de Tokis bij den gloed

der vlammen, ofschoon twee hunner ontbraken en velen een verband

was omgelegd.

"De vos, die zoo listig onzen kring was binnengeslopen, is dood,"

sprak Metipan. "Wat hij van onze plannen heeft afgeluisterd, kan hij

aan niemand verraden. De beroemde Tokis van de groote stammen zijn

nu alleen. Dat de Matschi spreke."

De Indiaansche priester, een lange, magere man met sluwe oogen,

nam het woord.

"Moge Gualichu de Tokis beschermen," begon hij plechtig. "De giftige

slangen van de pampa's zijn ontsnapt, maar waar is het lijk van hem,

die door den grooten Geest aan ons is overgeleverd? De oogen der

Indianen hebben hem niet gezien. Toch zagen wij allen den grimmigen

vijand dood van het zadel van zijn makker vallen. Gualichu heeft

zijn kinderen gestraft. Hij heeft hun blik omfloersd en aan hun oogen

onttrokken wat een ademtocht te voren nog zichtbaar was."

Werkelijk was het lijk van Miguel, ondanks hun ijverig zoeken, niet bij

de gesneuvelden gevonden. De slimme Matschi maakte van deze gelegenheid

gebruik om zijn aanzien bij zijn roode broeders te vermeerderen.

"De machtige Tokis van al de aangesloten stammen zijn hier vereend

om gewichtige beraadslagingen te houden, en toch scheidt een

geheime tweedracht, een oude haat twee Tokis, die hun stam in het

parlement vertegenwoordigen," voer de toovenaar op plechtigen toon

voort. "Gualichu heeft ons een teeken gegeven; het is zijn wensch dat

de laatste sporen van haat tusschen zijn roode kinderen verdwijnen

als de sneeuw van de bergen voor den groet van de stralende ster van

den dag. Er moet een offer gebracht worden, een offer waarbij alle

wrok gedelgd, alle schuld geboet wordt."

Een goedkeurend gemompel getuigde van de instemming der vergadering,

en spoedig werden de voorbereidselen voor de ceremonie gemaakt. Voor

den Heiligen Steen boorde men twee lansen in den grond, waarnevens

twee oude Indiaansche vrouwen met een trommel gingen staan; tusschen

de beide lansen zette men in een wijden halven kring een groot aantal

met rum en pulco gevulde vaten, die, zooals gewoonlijk, na afloop

der beraadslagingen geledigd zouden worden. Een gebonden hamel en

een mooie merrie werden voor den Heiligen Steen neergelegd.

"De blikken van Gualichu rusten op ons," zeide de Matschi. "Mijn

broeders moeten stipt zijn bevelen volgen, opdat ons voornemen

gezegend worde."

Lupan, een Toki van de Araukaniërs of Molutches verhief zich en sprak

op verheven toon:

"Vele winters zijn voorbijgegaan sinds een diepe wrok ontstond tusschen

de Molutches en de Tehuelches. Haat scheidde de stammen, haat die

overging van vader op zoon. Het welzijn van alle roode kinderen van

Gualichu gebiedt, dat deze wrok gedood en begraven wordt. Kellipan,

de vader van mijn vader ontroofde den Toki der Tehuelches, den vader

van mijn broeder Metipan, een blanke slavin. Sinds dien dag heerscht

er strijd tusschen beide volkeren; de krijgslieden waren steeds

op het pad, de zon zag dappere daden, de maan bescheen stoutmoedige

aanvallen. Voor het aangezicht van Gualichu verklaar ik heden dien roof

voor een slechte daad en ben bereid den grooten Toki der Tehuelches

als zoenoffer een schoone blanke slavin te geven."

De bijval der Tokis gaf zich lucht in een langdurig gefluister. Metipan

verhief zich en gebood met een enkele handbeweging stilte.

"Ten aanhoore der vergaderde hoofdmannen verklaart Metipan afstand

te doen van zijn wraak en geen haat meer te koesteren tegen Lupan en

het volk der Araukaner. Dat de wijze Matschi aan Gualichu vraagt of

deze verzoening hem welgevallig is."

"Brengt de slavin hier," beval de priester. Twee krijgslieden der

Molutchen voerden een jong meisje van omstreeks zestien jaar naar de

offerplaats tusschen de beide lansen. De overweldigende schoonheid

der slavin, een slanke Argentiniësche met prachtig lang zwart haar

en groote oogen, die smeekend ten hemel waren geslagen, maakte een

diepen indruk op de wilde zonen der pampa's en andermaal verhief zich

een langdurig gemompel.

De wolken hadden zich langzamerhand samengetrokken en het geheele

firmament bedekt, in de verte rolde de donder met dof gebrom, eenige

groote regendroppels vielen in het zand.

Op een wenk van den Matschi sloegen de twee oude Indische vrouwen op de

trommel en de Tokis--niet meer dan vier tegelijk--voerden onder leiding

van den toovenaar een offerdans uit. Na het eindigen der dans greep

de priester zijn offermes, sneed, onder het aanroepen van Gualichu, de

merrie het lichaam open, rukte het hart er uit en teekende, met zachte

stem zijn spreuken prevelend, zonderlinge figuren op het voorhoofd van

het sidderende blanke meisje. Plotseling brak het dreigende onweer

los. Een helle bliksemstraal doorkliefde de lucht gevolgd door een

zwaren donderslag; de losgebroken storm wierp de lichte hutten der

Indianen omver en strooide de overblijfselen mijlen ver over de vlakte.

Op dat oogenblik klonk een vervaarlijke stem, die uit de wolken scheen

te komen en de bijgeloovige Indianen toeriep:

"Vlucht, strijdlustige kinderen! Weg van den Heiligen steen als uw

leven u lief is!"

Een hevige schrik overviel hen. Snel sprongen ze te paard en eenige

minuten later was wijd en zijd niemand meer te zien dan de arme,

blanke slavin, die naast de stervende merrie bewusteloos op den grond

gevallen was.

Bliksemstralen en donderslagen wisselden elkaar onophoudelijk af,

toch was het onweer, zooals steeds in deze streken, van korten

duur. Weldra blies met steeds toenemende kracht de koude sterke

zuid-westenwind, de zoozeer gevreesde Pampero, uit het mondings gebied

van La Plata. De donkere wolken werden losgescheurd en voortgejaagd

en de zilverglanzende maan verlichtte een nieuw tooneel.

Op een hoop mantels en dekens, die tot offergave hadden gediend,

zat.... Miguel naast de blanke slavin, die aan Metipan ten geschenke

zou worden gegeven.

"Gij verstaat maar weinig meer van uw moedertaal, gij, arm kind! Dus

zal ik in de taal dier wreedaards spreken," zeide Miguel ernstig. "Hebt

gij mij van het paard zien vallen en in de verwarring van het oogenblik

naar den "Heiligen steen" zien sluipen?"

"Ja, en ik doofde het vuur toen ik zag dat de gloed uw bijzijn zou

verraden. Ook stapelde ik hier die mantels, dekens en guanacohuiden,

opdat mijn blanke broeder zich zou kunnen verbergen."

"Dank voor uw hulp, edel meisje! Gij hebt het mij mogelijk gemaakt

naar den Heiligen steen te vluchten. En verheugt het u uit de handen

der roode schelmen verlost te zijn?"

"Ja,..... zeker verheug ik mij..... ofschoon ik niet weet wat er nu

met mij gebeuren zal. De Molutchen hebben mij niet slecht behandeld,

nooit heeft een hunner mij beleedigd. Ik wist reeds lang dat ik tot

een zoenoffer moest dienen en Lupan mij bestemde om vriendschap en

vrede te stichten tusschen vijandelijke stammen."

"En gelooft gij aan den God Gualichu wiens stem u in onmacht deed

vallen?"

"O, neen! Angst en ontsteltenis bij de ceremonie van den Matschi,

die mij met het nog bloedend hart van 't paard door het gelaat streek

en schrik bij dien hevigen donderslag, deden mij het bewustzijn

verliezen."

"Hadt gij een ander geloof voor gij bij de Roodhuiden kwaamt?" vroeg

Miguel in spanning en blijkbaar met een bepaald doel zijn vragen

stellend.

"Ik heb nooit deze Goden vereerd, maar altijd gebeden tot de heilige

jonkvrouw Maria en de lieve Heiligen zooals mijn ouders het mij

hebben geleerd en.... en.... de vrome Pater.... hoe heet hij

toch.... Pater.... Pater Francisco."

"Francisco!.... En is dan uw naam.... Amata?" vroeg Miguel, diep

ontroerd het meisje in het gelaat ziende.

"Kent gij mij?"

"Hebt gij een knaap gekend--een blanke bedoel ik--die u dikwijls op

den terugtocht van Pater Francisco op zijn schouders droeg?"

"Of ik hem ken! Het was mijn broeder." zeide het meisje met een

diepen zucht.

"En herinnert gij u nog een vroolijken jongen, die dikwijls speelgoed

voor u maakte?"

"Ja.... ja.... ik herinner het mij.... hij was ook een broer van mij."

"Denk eens na! Was er ook een derde?"

"O, ja!.... zeker.... ik had nog twee broers. Ik herinner mij alles:

het groote huis aan de rivier, die goede vrouw, mijn moeder.... mijn

vader.... de broers.... een lieve zuster!.... Het was vreeselijk.... op

zekeren dag wemelde de tuin.... een mooie groote tuin.... van

Indianen. Zij vermoordden mijn ouders en mijn zuster.... Ik zie het

nog.... Verschrikkelijk!.... Toen gingen ze op weg om de broeders te

zoeken, die ze zeker ook om het leven hebben gebracht. Mij namen ze

mede, ver weg, dicht bij de sneeuwbergen."

"Gij dwaalt, Amata, als gij gelooft dat uw broeders ook vermoord

zijn. Heette niet de oudste....?"

"Miguel!.... Ik weet het! Ik weet alles! Miguel, Antonio, Juliano,

de bedaarde, en Alonso, mijn speelmakker. Maar hoe kent gij mijn

familie?" vervolgde ze in tranen uitbarstend.

"Zij is.... ook mijn familie.... ik ben Miguel Carril, uw broeder."

Met een vreugdekreet wilde Amata zich aan zijn borst werpen, toen

een demonisch lachen hen in de ooren klonk. Ontsteld sprongen ze

op en zagen vol verbazing Lupan en Metipan voor zich staan. Minder

bevreesd dan hun bijgeloovige stamgenooten, waren zij, toen de eerste

schrik voorbij was, teruggekeerd om de paarden, wapens en sieraden

te halen. Amata zonk van angst op de knieën, Miguel, de machete in

de hand, was gereed haar te verdedigen.

Helder schitterde het blanke staal in Miguels vuist, vastberadenheid

stond in zijn oogen te lezen. Met grijnzend gelaat zagen de beide

hoofdmannen beurtelings van broer naar zuster zonder de hand aan hun

wapens te slaan.

"Gelooft de listige vos werkelijk Lupan te kunnen bedriegen?"

"De bombero is in de macht van twee beroemde krijgshelden. Waartoe

dat lange mes?" vroeg Metipan spotlachend.

"Heeft de Toki der Tehuelches niet een uur geleden ondervonden,

waartoe dat groote mes dient? Is hij het vergeten, laat zijn wang het

dan getuigen," tergde Miguel, maar vervolgde dadelijk op gematigden

toon: "Laten wij vrede sluiten, Tokis. Gij hebt gehoord dat Gualichu

uw ondergang wil."

Hij zag in de verte eenige donkere gestalten behoedzaam naderbij

sluipen en ter wille van Amata de overmacht vreezend, poogde hij zich

op een eervolle wijze aan het gevaar te onttrekken.

"Vreest de muis eindelijk de gier?" vroeg Lupan.

"Gij kunt over mijn moed oordeelen, Tokis. De bewijzen heb ik

geleverd. Ware ik anders in deze kleeding hier gekomen? Honderd van u

heb ik niet gevreesd, zou ik dan voor u beiden bang zijn? Maar--waarom

nog wrok en strijd? Uw voornemen om de nederzetting te overrompelen

is verijdeld. De kolonie is gewaarschuwd."

"Door u verraden!" schreeuwde Metipan woedend, het mes uit zijn

gordel rukkend.

"Wees bedaard, Tehuelch. "De broeders" wisten het plan, lang voor

dat gij, verkleed als een oude vrouw, de vesting trachtet binnen

te sluipen."

"Leugens, leugens," stoof Lupan op. "De slavin heeft alles verraden

en zal daarvoor boeten."

Miguel maakte met de hand een afwerende beweging.

"Gij vergeet "De Korte Hand." De roover is gevangen en reeds

veroordeeld."

"Bij Gualichu! De hond heeft ons ten tweede male verraden."

"En is weer onze wraak ontloopen!" voegde de Molutch er tandenknarsend

bij.

"Hij is ten doode opgeschreven, Lupan, zij het dan ook, dat hij

niet door uw hand sterft. Hij heeft zichzelf verraden en eindigt

op smadelijke wijze zijn leven. Ook mij had hij haast in zijn val

meegesleurd. Daarom.... vrede, Tokis. Trekt gij naar de velden van

de mekyusch [11] en laat mij gaan naar de vlakte van de nandu.

"De bombero vergeet dat de haat tusschen rood en wit te oud is. Onze

vaders, blanke honden, hebben met den lasso uw huizen veroverd. En

eveneens zullen wij de huizen aan den stroom verwoesten, maar eerst

moeten de "waarschuwende vogels" uitgeroeid zijn. Het ware een smaad

zoo wij ze nog langer op den aardbodem dulden! Wij hebben het hoofd

der "Beulen" in onze hand... hij sterve het eerst.

"Luister naar mij, Tokis. Laat mij van hier gaan en ik zweer dat ik

met mijn drie broeders uw land verlaten en vele honderden dagreizen

verder, aan gindsche zijde van de groote wateren, onzen Toldo bouwen

zal. Is mijn aanbod niet naar uw zin... goed... dan moge de strijd

beslissen. Maar doodt gij mij, vrees dan de wraak mijner broeders."

De roodhuiden bedachten zich slechts een oogenblik. Het voordeel om

zonder bloedvergieten van vier der geduchtste tegenstanders verlost

te worden, was te groot om ongebruikt te laten voorbij gaan. Daarbij

kwam, dat zij welbeschouwd, nog niet één hunner in hun macht hadden.

"Het zij zoo," sprak Metipan ernstig. "Mijn blanke broeder zweere."

Miguel legde de drie eerste vingers van zijn rechterhand op zijn

zwaard en zeide:

"Ik zweer bij den God der Christenen, dat ik met de mijnen terstond

dit land verlaten, naar gindsche zijde van den oceaan trekken en

nimmer meer in het gebied der verbonden Indianen terugkeeren zal,

wanneer ik noch door de Tsonecas, noch door de Manzaneros, noch door

de Molutchen verhinderd word met al mijn bloedverwanten heen te gaan."

"En wij zweren op deze heilige plaats en bij de wraak van Gualichu

de broeders en de familieleden van den bombero en den hoofdman der

"Beulen" zelf onbelemmerd te laten wegrijden. Wij zweren ook de

vreeselijkste wraak indien de "Beul" mocht wederkeeren" zeiden Lupan

en Metipan, de handen uitstrekkend naar den Heiligen Steen.

"Volg mij, Amata, mijn zuster!"

"Droomt de slimme jakhals? De slavin is de mijne, mij gegeven door

Gualichu!" brulde Metipan.

"Gij dwaalt, Tehuelch. Zij is mijn eigen zuster, geroofd door de

Molutchen bij de verwoesting der missie's. Zijt gij uw eed reeds

vergeten? Mij en de mijnen hebt gij de vrijheid gewaarborgd."

"Sluwe vos!" spotte Lupan. "De bleeke bloem, gelijk met mij opgegroeid,

is aan die zijde van den sneeuwberg geboren, waarheen de zon wijkt als

ze ter ruste gaat. Nooit heeft zij den stroom gezien waar de blanke

vaders wonen. Mijn grootvader Kellipan heeft het mij dikwijls verteld."

"Gij liegt, Molutch! Gij weet heel goed, dat lang geleden uwe benden

dit meisje gestolen hebben aan den oever van de Laboleofu. [12]

Gij wilt dus uw eed breken, huichelachtige schelmen?"

"De slavin blijft hier!" zeide Metipan beslist.

Als een razende stortte Miguel zich op hem. De wapens kletterden,

Lupan trok zijn mes om den bombero in den rug aan te vallen, toen

Amata hem met zoo'n kracht een pak vellen tegen de borst wierp, dat

hij achterover tuimelde. Woedend greep hij het dappere meisje bij

den arm, het opgeheven mes glinsterde in den maneschijn, maar.... een

dof gehuil weerklonk.... met een geweldigen sprong vloog een donkere

gedaante op den Toki af, rukte hem op den grond en zette zijn krachtig

gebit in den schouder van den Indiaan. Op hetzelfde oogenblik zonk

Metipan neer, het wapen van zijn tegenstander in de borst.

Met een luid hoera kwamen Lord Westfield, Alonso, Antonio en Juliano

aangesneld. Zij waren de gestalten door Miguels scherpen blik bespeurd,

maar niet door hem herkend. De Brit bevrijdde Lupan van zijn aanvaller,

den grooten hond, die den Engelschman altijd vergezelde, waarna de

hoofdman handen en voeten werden gebonden. Het schrandere dier, op

den kleurling gedresseerd, had zonder een der strijdenden te kennen,

op het juiste oogenblik den juisten man gegrepen.

"Precies op tijd," zeide Miguel, met een guanacovel zijn wapen

schoonmakend. "Señor Inglese, mijn broeders, ik heb de eer u voor te

stellen..... Amata Carril."

Avonturen aan gene zijde van den Evenaar · 第 3 / 17 题