Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze
wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende
zonnen zijn tertzauh--van kwade beduidenis--maar op den avond van
den derden dag, zoodra de mezteli--de maan--haar weldadig licht
verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel
der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani
voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl [27];
daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op
een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest,
wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der
inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen
zelve naar dien heuvel geleiden.
--Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak
om het bed te verlaten daar zij op rust.
--Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij
verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil,
de noodige kracht verleenen.
De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit
ontegenzeggelijk bewijs.
--Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde
de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden
zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en
alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn,
een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de
zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de
onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven,
die thans de gevangenen nog kwelt.
De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen
na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte
zich dus om er bij te voegen:
--Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen,
moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden
die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur
voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl
Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal,
om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?
--Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren
eerepost; maar wat krijg ik daar voor?
Loer-Vogel keek hem strak aan.
--De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een
wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.
Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel
juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen
gelaat en met zekere gejaagdheid:
--Goed, ik doe het.
--Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd
merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der
twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.
--Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop
nam hij van de twee mannen afscheid.
Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee
avonturiers af te wachten.
Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde
Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan
mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in
het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel
zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want
om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten,
daaraan viel niet te denken.
Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had
Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn
stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men
wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp
en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen
zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit
de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te waarschuwen tegen den
dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig
misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.
Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en
Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de
praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen
aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp
achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier
van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam
had gemaakt.
Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met
de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden
zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon
in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der
twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen
nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van
zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der
gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten
en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling
uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen
geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers
niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met
Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij
met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij
vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen,
hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar
zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken
aanval konden verwachten.
De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam,
werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den
tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te
gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst
verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo
gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.
Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens
gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa,
haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne
voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten
de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De
voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende,
haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover
den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op
eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben
staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de
jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht
Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden
aan te bevelen op hunne hoede te zijn.
De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en
de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen,
elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke
slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was
aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die
men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin
zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden,
in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak
nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend
werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend
gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder
te knielen en de gunst van Teotl in te roepen.
Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar
de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde,
maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De
twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.
--Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met
eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam
der gevangenen te verlaten.
Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don
Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.
--Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.
Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die
bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde
over te slaan.
Don Miguel nam thans het woord weder op.
--Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan;
maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat
zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van
u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah
de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen
geest onvatbaar te maken.
De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken
drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden
hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een
halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd,
dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot
verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen;
maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker,
tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling
zeer ongerust hadden gemaakt.
--Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.
De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.
Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met
den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen
te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te
draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang,
die door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op
en sprak een soort van bezwering uit.
Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was
een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed
ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde,
toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De
vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.
Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren,
prikte een van hen die het digtst bij hem lag eventjes met de punt
van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo
krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf
aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.
Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met
klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel
afwachtten.
--Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij
nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam
in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel
af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op
verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen;
dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.
Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde
schreeuw in de verte beantwoord.
--God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.
Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen
nemen.
--Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg,
ik kan loopen.
--Kom dan mede, in 's hemels naam!
Dona Luisa stond op.
--Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou
mij wel weten te verdedigen.
Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden
geleden gegeven had.
--Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts
bij mij!
Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk
den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden,
waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes,
door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet
verder voortkonden.
Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters,
met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop
uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.
--Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk
gered.
De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor
haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement
geplaatst.
--Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij
herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.
De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der
vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren
gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder
te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem
langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld
geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen
hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was
opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van
geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.
--Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet
overrompelen.
Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde
een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te
treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos,
dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter
don Miguel.
Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet
der Apachen.
--Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de
Roodhuiden.
De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen,
en reden met duizelingwekkende snelheid weg.
XL.
DE LAATSTE STORM.
Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden,
die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van
Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.
Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare
vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In
het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin
verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de
opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig
of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het
gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde
de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur,
welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en
gaf hij zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze,
ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen,
toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den
opperpriester en hield dien in 't eerst voor louter inbeelding. Later
echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er
achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog
verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden
vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een
welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te
komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.
Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde,
was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had,
haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet
van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag
op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde,
om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te
bespieden wat er omging.
Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw
dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op
en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat
er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd,
en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil
en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den
heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den
top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden,
bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht
hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den
heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen
naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden
doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid;
het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even
te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet
of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij
steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting,
om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.
Atoyac was de eerste die hen in 't oog kreeg en die ook het geweerschot
loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.
Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want
toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling
tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed
aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door
don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk
in veiligheid.
Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden
van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel
zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en
stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den drom. De
strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen
gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken,
of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren
en buksen.
Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende
oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der
Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste
jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette,
en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien
zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel
de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te
verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in
vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.
Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger
tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don
Miguel order om stil te houden.
Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden
naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel
haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen
vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.
Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde
de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt
van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting
der stad afgetrokken.
Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.
Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten
te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in
het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen,
begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een
bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen;
vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden
naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.
Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.
De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde
haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht
klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De
jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach,
strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust
in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de
veiligheid van allen zouden waken.
De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de
vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield
niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de
grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura,
met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet
van kunsten weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de
blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona
Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien
had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij
haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het
meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom
des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen,
eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was,
er niets van scheen te bemerken.
De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde
van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele
hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde
de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij
deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy
uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de
hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over
aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij
gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft,
hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van
genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele
tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar
zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.
Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn
oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus
eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don
Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat
men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven,
ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te
brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een
vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich
daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige
tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de "Mexicaansche maan"
noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de
grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel
maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen
bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.
Men ging dus op weg.
De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist
zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van
den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district
Sonora binnen.
Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde,
werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen
trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle
zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was,
dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk
een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam
uitzag, dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en
door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van
verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens
verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne
verschrikkingen er overheen gegaan was.