zag men de witte huizen van een versterkte pueblo--burgt--in de
zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar
het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde
zich; geen manada--kudde--verscheen er op de verwoeste velden,
geen recuos--troepen--van muildieren, met hunne rinkelende
nenas--bellen--lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene
looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten,
en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een
des te treuriger aanzien gaven.
Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig
vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp;
hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en
Loer-Vogel snelden terstond toe.
Een afgrijselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder
eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van
Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van
hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet
wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij
aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij
voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien
zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig
tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den
omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee
mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk,
was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open
veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen,
en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.
De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de
gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters
verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken,
zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op het
patio--voorplein--geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar
een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang
versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt
en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten,
voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van
Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel
was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano,
door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich,
door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed
mogelijk te versterken.
Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een
gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren;
daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen,
overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het
voorplein als op het azotea--dak. Toen stelde hij twaalf van de
dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met
deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel,
op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens
telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne
twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze
mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den
laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel
gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen
genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die
weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.
De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester
gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder
verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle
rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur
ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag
te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene
versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede,
die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar
van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken
welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met
blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was
niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren
goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester,
bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.
De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat
de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen
don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.
Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte
voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen
onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis
en wie weet met welke verschrikkingen.
Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar
de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil
bij elkander.
Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.
--Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.
--De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.
--Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de
nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen;
de calli's van haar stam zijn te ver in de Prairie.
De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend
het hoofd.
--De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig,
mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den
Vliegenden-Arend.
--Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te
ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.
De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.
--De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is
een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te
zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos
zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.
Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten
om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om
de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was,
zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij
zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.
--Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar
beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten
waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een
paard laten geven.
--Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin
ons verlaten hebt.
De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en
sprak alleen dit woord:
--Houd moed!
Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.
--Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker
nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.
Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:
--Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend
met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van
door de Indianen verontrust te worden.
--Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt
ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen
onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.
--Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde
dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen
en weten wat wij te vreezen hebben.
--Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle
voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar
ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.
--Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een
toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen
werd.
--Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde
regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen,
mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man,
eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.
--De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van
het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in 't geheugen lag, en
die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen
vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat
van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van
engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere
stem zeide zij tegen don Miguel:
--Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles
doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe
trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel
als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding
bid ik u, waak over mijn vader.
--Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van
onzen kant zullen den onzen doen.
Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.
Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.
De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik
aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.
Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander
met diepe ontroering.
Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en
wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de
rigting der hacienda schenen voort te kruipen.
--Zie eens, zeide hij droog.
--Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.
--Ik heb ze reeds tien minuten in 't oog gehouden, hernam de jager;
maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te
bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.
Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.
Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven
de poort en wierp een woesten blik op de patio.
--Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde
Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache
een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend,
voor de voeten van don Miguel rolde.
Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den
ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de
Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden
overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden,
verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op,
waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden
als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden
te beklimmen.
Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde
thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op
de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene
nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen
terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten
bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste
worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand
losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den
overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af
te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk
elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende
pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met
eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.
Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand
duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den storm
hervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met
verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen
van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van
alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in
het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De
weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.
Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten
hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep
als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door
dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug
en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het
hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te
ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot
aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen
nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik
en woede uitstiet.
Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden,
was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en
in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden
onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het
was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.
Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting
zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don
Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne
slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige
van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos
vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde
aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel
de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed,
en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden
den ingang overweldigd en stormden het huis in.
--Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een
wanhopige in den strijd mengde.
--Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.
Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd
door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen
tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!
Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen
en deed het luchtruim daveren --een wolk van krijgers, met den
Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen,
die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld,
waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten
aftogt hun behoud te zoeken.
De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten
dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken,
om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.
BESLUIT.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen
de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een
hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.
De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog
in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds
zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.
In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte
lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo
goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal
gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren,
sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te
delven om er de dooden in te begraven.
Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met
zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw
was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene
aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was,
had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik
toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona
Laura wilde wegvoeren.
De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.
Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en
bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou
openen.
Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend
nedergehurkt, die welhaast sterven zou.
--Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.
De Canadees poogde nog te glimlagchen.
--Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe het met mij
is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan......
Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.
--Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij
vergeven zal?
--Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!
--Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel;
maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid
oneindig is; ik hoop op Zijne genade.
--Hoop vrij, vriend, hoop!
--Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen
mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die
mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop
ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten
sterven, als een wolf in een knip.
Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger,
zijn leven begon snel af te nemen.
--Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen,
zei Loer-Vogel.
--Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu,
Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op
herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet
meer aanheffen tegen de Apachen... Waar is de Vliegende-Arend?
--Hij vervolgt de Roodhuiden.
--O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845,
ik herinner mij nog, ik kwam van...
Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste
woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond
op te vangen, zag hem aan.
Hij was dood.
De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen
doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe,
knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn
ouden kameraad.
Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van
gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen
hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee
oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.
Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood
kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden
poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den
naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op
zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van
onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem
geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn
hart zamen.
--Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura,
gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen!
O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van
al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne
kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!
Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden
zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.
Hij was dood!
Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde
Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men
niets meer van hem gehoord.
De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol
kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het
overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen,
onder welke hij besloten had te leven en te sterven.
Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne
huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend
om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot
zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk
grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.
INHOUD.
Bladz.
I. De verrassing 1.
II. De gast 7.
III. De nachtelijke zamenspraak 13.
IV. Indianen en jagers 20.
V. Wederzijdsche ophelderingen 26.
VI. Eene duistere geschiedenis 34.
VII. Eene duistere geschiedenis (vervolg) 40.
VIII. Eene duistere geschiedenis (slot) 48.
IX. Vrij-Kogel en Loer-Vogel 56.
X. Nieuwe personaadjen 63.
XI. Het veer del Rubio 72.
XII. Don Stefano Cohecho 79.
XIII. De hinderlaag 85.
XIV. De reizigers 93.
XV. De herleving 100.
XVI. Plaatselijk onderzoek 107.
XVII. Don Mariano 113.
XVIII. Wat de regtspleging voorafging 120.
XIX. Het geregtelijk verhoor 127.
XX. Het vonnis 135.
XXI. Vrij-Kogel 144.
XXII. Het kamp 152.
XXIII. De Vliegende-Arend 161.
XXIV. Quiepa-Tani 169.
XXV. Een drietal schurken 176.
XXVI. Eene jagt in de Prairiën 184.
XXVII. Eene jagt in de Prairiën (vervolg) 194.
XXVIII. Blank-huiden en Rood-huiden 201.
XXIX. De raad 209.
XXX. Het tweede detachement 217.
XXXI. De Tlacateotzin 225.
XXXII. Eerste ontdekkingen in de stad 234.
XXXIII. Ophelderingen 241.
XXXIV. Een gesprek 249.
XXXV. De zamenkomst 257.
XXXVI. Eene ontmoeting 265.
XXXVII. Verwikkelingen 274.
XXXVIII. Eene nachtelijke verkenning 283.
XXXIX. Het groote geneesmiddel 290.
XL. De laatste storm 300.
Besluit 309.
NOTES
[1] Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen.
[2] Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen.
[3] Een rotting of zoogenaamde sixpence.
[4] Naam der huurrijtuigen te Mexico.
[5] Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave
americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten
pulquerios.
[6] In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg,
dus in 't Hollandsch: Hemelberg.
[7] Amerikaansche leeuw.
[8] Tijger.
[9] Wolf.
[10] Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong.
[11] "Acht-slangen," van chicuh acht, en coatl slang.
[12] Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.)
[13] Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene
takken verdeelt.
[14] Letterlijk; rietland, van acatl, riet.
[15] Waterzon, van atl, water, en tonatiuh, zon.
[16] Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch,
de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien
toepassen.
[17] Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van tlacatl, man en
teotl God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst
uitoefenen.
[18] Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: "die pijlen tot aan den
hemel schiet," van Ilhuicatl, hemel, en mitl schicht; het hieroglyf
van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft.
[19] Mexico.
[20] Ometochtli is zamengesteld uit om, twee, en tochtli, konijn.
[21] Axayacatl is zamengesteld uit atl, water, en axaya, vlak.
[22] Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de
twee zeeën).
[23] De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn;
deze naam komt van aztatl, reiger.
[24] Letterlijk "het Roode land", van tlapalli, rood.
[25] De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer,
en coatl, slang; en beteekent "gevederde slang."
[26] Zie Vrij-Kogel, 3e druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen,
1866, bladz. 152.
[27] De onbekende Godheid.