die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken
kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.
--Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande;
dat ik daaraan niet gedacht heb!
--Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard
als een philozoof.
--Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn
wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.
--Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij
hem... gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om
het te beproeven.
Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een
kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo
effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van
een zilveren lint.
--Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten:
al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst
bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu
eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant
opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene
praauw vonden.
In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten
zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren
verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio's;
de pagaaijen lagen eenige passen verder.
Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen
deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd
bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen,
don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten
was zij te water.
--Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.
--Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen
bewoelen om het gekraak te vermijden.
Vrij-Kogel haalde de schouders op.
--Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd
uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen
ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de
pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van
de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan;
gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk
alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar
de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel
man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad
te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke
veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men
moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke
ideeën in 't hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar
1835, daar ik u zoo even van sprak...
--Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot
springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon,
zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.
De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon
te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het
vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.
--Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen
de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat,
mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van
het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.
Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart,
derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk
goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan
te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en
kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne
ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze
verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug--de plaats waar de
Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek
uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,--ontdekte Vrij-Kogel
in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te
leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde
met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de
schildwacht alleen was.
--Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is
dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.
Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging;
deze antwoordde hem met een paar woorden.
--Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander
middel op.
Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de
Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:
--Ooah! mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds
op dit uur.
--Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den
schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.
--Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?
--Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd,
maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.
--Oah! mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit
ledig laten; ik neem uw aanbod aan.
--Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, 't is wonderlijk zoo
gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is
die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking
roeide hij nader aan wal.
Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het
bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in
beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht,
om het op het drooge te halen.
--Ooah! riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede
vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.
Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te
zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had
er den tijd niet toe, daar don Miguel er eensklaps uitsprong en den
ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn
geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.
--La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land
stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.
--Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons
van hem ontdoen.
--Dat is gemakkelijk genoeg.
De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw
en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op
eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige
oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.
De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans
begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij
te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel
onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend
vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om
op te lossen.
--Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden
dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig
verschil, laten wij zien.
--Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier
verwijderen.
--Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten
wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het
best inlichtingen kunnen bekomen.
--Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.
--Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag
aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt,
zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en
dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen--den grooten wonderdokter
uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja,
vervolgde hij lagchende.
Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het
was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en
luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand
waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten
verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden;
ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij
zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun
toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.
--Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt
gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?
--Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.
--Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.
--Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed
genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.
--Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed
als de andere.
De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug
naar de binnenstad liep.
Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn
voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.
--Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij
nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar
dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken,
en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.
--Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.
--Waar?
De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.
--Daar! antwoordde hij.
--Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net
als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof
hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?
Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij
scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee
verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel
mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk
ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel
licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren
afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats
te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het
eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het
oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don
Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd
en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps
oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.
--De Vliegende-Arend! mompelden beiden.
Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord;
zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.
--Ooah! riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.
De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe
onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor
hen stond.
--Ik ben het! riep don Miguel.
--En ik! vervolgde Vrij-Kogel.
Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.
--Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die
zich moeijelijk laat beschrijven.
XXXIX.
HET GROOTE GENEESMIDDEL.
Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan
de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom
was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.
Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren
trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don
Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend
hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.
De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund
en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af
te wachten.
--Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag;
zonder u zou ik verloren zijn geweest.
--Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de
Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders
met den Rooden-Wolf.
--'t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd,
zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen
zullen wel slagen.
De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.
--Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.
--Ik twijfel sterker dan ooit.
--Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit
den weg treden?
--Ooah! sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter
en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.
--Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws
te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.
--Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half
omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal,
als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee
mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager
te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een
en prevelde vol verbazing:
--Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu
van ons worden?
--Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don
Miguel getroffen.
--Maar wat doet gij in 's Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke
verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo
goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?
--Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan;
integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al
die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen,
om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.
--Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig
echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig
dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?
--O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in
korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen
gebeurd was.
De jager schudde het hoofd.
--Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is
aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren
getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en
zonder nut voor ons allen.
--Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook
gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al
die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.
--Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke
die reden zijn kan.
--Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.
--Spreek.
--Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo
met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.
--Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.
--Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.
--Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.
De avonturier haalde de schouders op.
--Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs
al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken,
ik wil en ik zal het.
--Maar hoe zult gij het aanleggen?
--Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert
mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op
vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?
--Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen
kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om
tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het
goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.
Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het
voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet
hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij
naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des
jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk
nam hij het woord weder op:
--Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om
de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken
u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude
zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere
onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u
in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.
--Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.
--Ja, maar op eene voorwaarde.
--Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.
--Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik
u bidden mag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in
orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad
komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans
verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester,
en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in
alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe,
maar ook dat van haar die gij redden wilt.
De jongman huiverde min of meer.
--Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.
--Die zal ik houden, zelfs heden nog.
Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te hebben,
ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.
Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om
zich naar den tempel te begeven.
Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester
sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den
wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens
hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.
Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf
Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden,
om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat
dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de
vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje,
door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige
krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde
was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar
zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger;
toen dus de Amantzin zich verwijderd had--want de jager had bepaald
gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten--zeide zij
tegen den Canadees:
--Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen
zult; maar onder eene voorwaarde slechts.
--Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich
zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden
tegenkanting ontmoeten?--Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.
--Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen;
wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar...
--Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in
de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij
te weinig om mij te vertrouwen.
--Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard,
dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.
--Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde,
voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?
--Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om
u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?
De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.
--Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg
ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede,
die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.
--Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.
--Van don Miguel.
--Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.
--Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf
om u ter hand te stellen.
De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid
en schuchter blozen te verbergen.
De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering
te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene
zachte stem:
--Tot van avond!
In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met
sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters
afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester
hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had,
bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na
de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te
verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:
--Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne
kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen
weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.
--Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone
statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den
wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.
Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.
--Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest
mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een
verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen
dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die
mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen
haar moeten worden toegediend.
--Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte
achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne
onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen,
wat hij zoo wel begonnen is?
--Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de
bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen
om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.
Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak,
en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe
te vertrouwen.
--Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne
gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet
lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat
mijn vader hem terstond binnenleide.
Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur
geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van
Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.
Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend,
was hij geheel onkenbaar.
Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door
den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende
de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij
den Zonnetempel verlieten.
Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.
--Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen
geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.
De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De
beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk
door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.
Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en
don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare
tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het
den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden
slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en
met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren,
wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst
met ongeduld verbeidde.
--Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den
korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.
--Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.
Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam
eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene
welluidende stem, op ontzagwekkenden toon: