Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan

is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe

in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er

zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij

begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen,

tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden,

dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder

haar te bezitten.

Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed

bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos

over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde

hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding,

om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde

een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar

zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.

Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo,

wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge

meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van

zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit

doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona

Laura te zien.

Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.

Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur;

kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid

te dompelen.

Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord

met elkander wisselden.

Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden

de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.

Iedereen greep naar de wapenen.

Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn

detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en

thans met zich naar het kamp voerde.

Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel

voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters

in de grot aan den oever der rivier op te sluiten; maar de jager

was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne

kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan

ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar

liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te

worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten,

zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was

de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk

het kamp van don Miguel bereikte.

Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen

verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel

verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking

gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want

nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den

omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle

waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen slag

te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.

De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde

ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich

gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen

te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.

De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste

bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst

hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij

zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met

al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.

Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was

gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden

niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van

hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.

--Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo

wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen;

die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond

laten betreden.

--Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om

ons niet te laten overrompelen.

--Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn,

als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet

verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal

zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836--ik was destijds....

--En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den

jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik

verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.

--Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel

dat hij den Vliegenden-Arend en zijne cihuatl, of hoe noemen zij de

vrouwen, bij zich heeft.

Don Miguel keek den jager scherp aan.

--Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.

--Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar

wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat

ik ze geen zier vertrouw.

--Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die

vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige

duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en

een of ander vreesselijk onheil ducht.

--Zijne vermomming was niettemin volmaakt.

--Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der

Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn

eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt

van verraad?

--Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?

--Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw,

want dat zijn de eenige twee die hem kennen.

--Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun

mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk

met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.

--Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo 't u blieft?

--Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen,

slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren

kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren

reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en

ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang

hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen,

of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen,

wij allen, en gij in 't bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het

zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.

De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en

eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.

--Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon;

ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend

vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van

verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen,

heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens....

--Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt,

viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak

valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier

zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?

Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg,

en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk

verbrak door op nieuw het woord te nemen.

--Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij,

gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten

vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou

u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg

hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen

vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van...

--Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in de rede, moet ik

u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.

--Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.

--Laten wij er dan niet meer over spreken.

--Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen,

moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak

over Loer-Vogel.

--Ha! daar hebt gij het al.

--Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.

--Zeg mij om welke?

--O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig

en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent,

maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed

zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd,

zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te

laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.

--En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na

zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?

Vrij-Kogel schudde het hoofd.

--Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de

knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te

voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.

--Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde,

wat zouden wij dan doen?

--Wat wij doen zouden?

--Ja.

--Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan

beantwoorden.

--Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel

moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij

ons in bevonden.

--Dat zeker; wij zouden wel moeten.

--Maar hoe dan?

--Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben

geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt,

is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang

in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u

zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het oogenblik, in plaats van

hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft

afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad

te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.

--Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo

iets te wagen? riep don Miguel verheugd.

De jager zag hem verwonderd aan.

--Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets

hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?

--Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe

verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan

durfde gelooven.

--Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde

de jager nadrukkelijk.

--Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u,

in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.

--Zooveel te beter, wij willen het hopen.

--Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak

ondernemen.

--Om in de stad te gaan?

--Ja!

--Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.

--Vindt gij niet?

--Zeker; maar hoe komen wij er in?

--Laat dat maar aan mij over.

--Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets

anders.

--En dat is?

--Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei

de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van

don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne

handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen

passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.

--Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een

Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen

afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.

--Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.

--En ik ook.

De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer

verschillende redenen. Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn

vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan

dona Laura, die hij hoopte weder te zien.

Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.

--Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.

--Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.

--Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.

--Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas,

don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de

Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in

dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!

--Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind

weder te zien!

Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit

tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel

beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en

bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige

gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming

zou na zich slepen.

--Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit

zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk

te hebben nagedacht.

--Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is

om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij

nooit weder dacht te zullen omarmen.

--Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen

gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven,

het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.

--Wat zegt gij daar?

--Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons

onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden,

ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn,

als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk

zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed

dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij

er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft

maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk

onverschillig.

Don Mariano slaakte een zucht.

--Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij,

ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.

--Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit

hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder

doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het

pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.

Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had

de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij

den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.

De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen

togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.

Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun

niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met

de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte

Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren

afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen

van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te

laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen

hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano,

die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide

avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen,

die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani,

verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het

bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet

overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte,

de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best

zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het

eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.

XXXVIII.

EENE NACHTELIJKE VERKENNING.

De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos

den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch

bereikten.

Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer

anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte,

die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:

De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut,

en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder

goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in 't zin hadden,

te wagen.

Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst

vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij

spoedig verdwenen.

Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis

moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts

te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die

gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden,

allen op een der poorten uitliepen.

De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort,

ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag

hunner schier hopelooze onderneming.

In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht

aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de

hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.

Zij hadden alleen hun doel in 't oog gehouden.

Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige

zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden,

en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit

een geheel ander oogpunt te beschouwen.

Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de

gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.

Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was

nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging

hoe het ging.

Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht,

geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel

te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en

werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere

nachtschemering.

Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den

omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.

Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige

stilzwijgendheid van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel

van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige

oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen,

vooreerst om eene menschelijke stem te hooren--eene reden die misschien

onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille

huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die

voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden

was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich

eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van

don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat

deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.

Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op

een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de

eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers

en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen,

tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken,

het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den

omtrek te bewaken.

De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen

praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te

verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder

gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.

Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht

van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het

rond wierp, op eens de volgende aanmerking:

--Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd,

de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar

niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.

--Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don

Miguel, dat is meer dan noodig is.

--Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?

--Dat weet ik zeker.

--Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het

niet erg begrepen.

--Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.

--Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn

in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene

nachtelijke expeditie uitga.

--Kom!

--'t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer

was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.

--Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.

--Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren:

toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door

de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds

in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen,

om zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren

gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van

den kommandant op het fort Mackensie [26] te schaken; maar...

--Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort

gij niets?

De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij

voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde

zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan

dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op

zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan

den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op

en schudde verontwaardigd het hoofd.

--Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.

--Weet gij het zeker?

--Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.

Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef

der coyotes klonk op korten afstand.

--Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.

--Inderdaad, antwoordde don Miguel.

En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.

--Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben

afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen

te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.

--Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij

heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren

naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben

ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.

--Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve

uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken

beenen uitloopen.

--Daar hebben wij kans op.

--Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het

liever anders willen, wanneer het mogelijk was.

--Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?

--Mij?--in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij

niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in

het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.

De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede

de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.

--Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan

te volgen?

--Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen

doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken. Geloof

mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden

reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den

andere worden?

--Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?

--Ik denk wel van ja.

--Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen;

ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.

--Goed; kunt gij zwemmen?

--Waarom vraagt gij dat?

--Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.

--Ik zwem als een steur.

--En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let

thans op hetgeen ik u zeggen zal.

--Ga door als het u b'lieft.

--Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.

--Welzeker!

--Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt,

is het zoo niet?

--Ja!

--Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den

omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?

--Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 31 / 34 段