Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de

offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig

licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich

achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond

neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn

bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een

scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben

dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te

denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis,

hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van

zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder

worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos

in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.

Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen

zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling

de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan

het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op

zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor

en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het

minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich

in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan

die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek

rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor

hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen

niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker

want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij

begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen,

waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden

drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden

dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had

er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier

was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman betaamt, vrij en frank

zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen,

op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest

dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon,

namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden

zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij

reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens

had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele

maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie

dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid,

niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds

overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging

den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam

er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend

en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om

iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.

Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet

herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager

een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet

zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.

En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te

duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer

hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand

als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke

van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee

passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste

blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te

gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep,

om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet

te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden

dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme

vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan

kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt,

gruwzamer straf dan de dood zelf.

Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het

waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene

vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou

hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige

folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om

hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het

ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na

een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben

volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en

gudste hem het koude zweet van de slapen.

--Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo

laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat

er van is.

Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de

beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter

een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als

een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel

gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om

een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet,

en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest

aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met

hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht

en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik

echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen,

voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en

sprak eene schertsende stem:

--Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat

gij in mijne magt zijt.

De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een

woesten aanval. De andere vervolgde:

--Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om

vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?

Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik

te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen

weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij

wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had;

die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen,

was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te

geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.

--Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt

gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?

De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig

terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.

--Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat

ik medelijden met u had.

--Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager

onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het

slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te

vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand

hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.

De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees,

die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij

de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.

--Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij

toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.

--Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe

tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval

niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe

goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels

te bezoedelen.

De Indiaan meesmuilde.

--Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een

oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind

des doods geweest!

--Misschien! maar wat wilt gij van mij?

--Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen

is.

--Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos

zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of

gij durft liegen.

De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:

--Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof,

óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester,

bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen

zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te

bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan

riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren;

daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend

of gewilliger dienaar hebben dan mij.

--Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf,

antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen

verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap

te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te

zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.

--Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de

Roode-Wolf de uwe zijn.

De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.

--Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds

wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij

hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der

bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de

zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden

hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te

bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij

den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe

handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is,

weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken,

om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit

gij thans in 't naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door

den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij

zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de

schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert,

ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u

in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere

bijzonderheid vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte

geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!

De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende

ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat,

terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn

geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk

zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks

hoorbare stem:

--Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart

hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor

hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van

den arend, doorgrondt de harten.

--Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu

heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier

had teruggetrokken.

--Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem

schroomvallig en op deemoedigen toon.

--Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.

--Wat doet mijn vader dan?

--Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk

zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.

De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager

te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel

intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde

naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne

aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen

de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben,

zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach

vervolgde hij tegen den Sachem:

--Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet

duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?

--Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten

jegens mij zal kunnen bewegen.

--Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik

kan noch wil er iets aan veranderen.

--Ooah! maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel

willen helpen.

--Neen, zeg ik u.

--Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?

--Ik wil het niet.

--Is dit mijns vaders laatste woord?

--Mijn laatste woord.

--Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep

de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de

hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den

jager staan bleef.

Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het

oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende

het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich

door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den

Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in

't zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te

eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden

stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen,

met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een

onverstoorbaar gelaat.

De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon

intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een

der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich

van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep

en dien met zoo veel kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand

genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende

gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den

verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij

met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.

De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij

slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken

veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige

beweging trilde door zijn geheele ligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel

op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:

--Vergeving! vader! vergeving!

De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen

boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het

mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een

toon van de uiterste minachting:

--Raap uw wapen op, moordenaar!

Tot eenig antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm,

die hem magteloos langs het lijf hing.

--Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet

gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga

heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen

over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond

tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt,

beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen,

zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen,

zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.

--Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken

zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de

geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer

ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?

--Dat is zoo. Gij zijt genoeg gestraft; sta op, en leun op mijn

schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.

De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke

geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem

voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich

liet behandelen als een kind.

De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af

en bragt hem tot aan de eerste straat.

Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich

te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.

--Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een

toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen

zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige,

heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet

langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.

--Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.

Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling

naar huis.

Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel

terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.

Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween,

liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen

dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.

XXXVII.

VERWIKKELINGEN.

Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani

plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor,

die wij thans zullen gaan vermelden.

Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud

had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug,

waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.

Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich

zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde

hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen,

die hij zoo vurig verlangde weder te zien.

Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen

heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos

op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met

zorg bestudeerd.

Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en

onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken

om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver

altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op,

dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te

gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon

hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.

Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus

alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene

zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans,

die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde

de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren

om zijne vriendinnen te redden,--de reden die hem thans norsch en

verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt,

en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig

aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager

overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat

hij dona Laura de Real del Monte beminde.

Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen

uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle

hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van

een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden,

zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.

Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich

minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten

haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor

het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar

ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin,

toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend

graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar

sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.

Geen jong mensch van don Leo's karakter, zal ooit met een beminnelijk

jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien,

met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder

zich aan haar te hechten.

Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een

woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends,

dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst

wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen

wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.

Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de

mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred,

de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van

haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier

of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het

onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende

wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart

tot beminnen.

Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch

boeijenden blik, gepaard met de onschuldige zachtheid van een min of

meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den

moedwil vernietigt.

Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde

oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met

een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en

werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst

en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die

voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.

Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de

vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en

ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den

hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in

aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf

van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen

omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als

zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin

geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.

Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem

onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura

gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te

vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was,

zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor

eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.

Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle

verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig

houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord,

waarin en waardoor zij leven.

Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de

door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt,

zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de

zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het

gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij;

maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op

eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare

ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van

dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigen landedelman, moest zijne

luchtkasteelen voor altijd vernietigen.

De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil,

hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet

moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven

de jonge schoone dame te vergeten.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 30 / 34 段