dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken
moet hij voortgaan en mij alles zeggen.
Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een
geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter
der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van
het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden
te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde
iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan 't
spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich
door de--soms met gebeden gemengde--bedreigingen van zijn gastheer
liet vervaard maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij
zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen,
stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac
zoo dringend verlangde.
--Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de
feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen
verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles
gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze
zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd
en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten
dat ik te Quiepa-Tani ben.
--Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei
Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den
grooten Ayotl,--schildpad--dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam
in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op
welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is
een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets
te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan
zijn eigen getuigenis.
Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het
opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem
had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke
belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij
waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.
--Ooah! hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er
zoo mede staat, zal ik spreken.
Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen
toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en
schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste
mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te
onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de
blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen
te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den
weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit
te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de
blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten
zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden,
wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen
en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden
overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en,
wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.
--Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte;
mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat
hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt
van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel
te herinneren wat hij mij gezworen heeft.
--Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader
daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt;
laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste
opperhoofd der stad over spreken.
--'t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de
bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt;
misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen
meester worden.
--Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet
anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen
zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste
onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de
Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in
de stad het bevel zal voeren.
Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den
Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de
slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn
verhaal aan te hooren.
De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne
afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis
der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die
als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer
met zijn geleider binnengelaten.
De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij
bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem
ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac
had moeten doorstaan.
Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin
volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten,
voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de
verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der
jonge meisjes te onderzoeken.
Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met
ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn
voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den
stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij
tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou
kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden
en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte,
was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg
brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het
eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte
aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld
plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden
betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig
de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel
was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den
jager bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige
stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat
hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.
Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken,
en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd
geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die
veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin
wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten,
terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.
Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf
der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt
verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering
gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid,
zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.
Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend,
om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den
opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig
bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende,
zeide hij met eene zachte stem:
--Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws
mede te deelen.
--Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek den spreker
met een vragenden blik aan.
--Ja, zei Atoyac.
--Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.
Atoyac glimlachte vertrouwelijk:
--Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf
en Addick.
De Amantzin huiverde onmerkbaar.
--Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk;
zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen
onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op
eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.
De jager boog en volgde den opperpriester.
Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in
cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd
marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het
hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester
sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen,
zorgvuldig achter zich digt.
Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn
wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den
vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde
zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen
vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste
zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen
van gemak of weelde genoegen kon geven.
In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen
versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven,
lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon,
bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid,
zoowel als van ernstige ongesteldheid.
Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar,
met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona
Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en
trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste
zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van
haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare
gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal
van hare vriendin ook haar dreigde.
Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door
vier ocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren
gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in
't rond verspreidde.
Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te
schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager
begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest
beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene
indrukwekkende stem:
--De Wacondah is magtig; de Ayotl--schildpad--draagt de wereld op
zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken
alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op
haar aangezigt te kunnen lezen.
De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden
blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar
hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken
guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze
hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide
landgenooten; hij aarzelde dus.
--Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal
dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.
--Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet
dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat,
daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar
in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner
ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil
gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.
De opperpriester boog deemoedig het hoofd.
--Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend
verzoek.
En hij ging de zaal uit.
De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule,
sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge
dames terug.
Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.
--Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.
--Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de
kamer zat.
--Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel,
de vriend en medgezel van don Miguel.
Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet
van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.
--Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.
Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets
van begreep.
--Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half
grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.
--O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van
allen verlaten!
Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder,
vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:
--O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe
goedheid heb getwijfeld.
Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte
die met kracht.
--En don Miguel, riep zij, waar is hij?
--Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig
en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.
--O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona
Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.
--Weldra!
--Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.
Loer-Vogel glimlachte.
--Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.
Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap,
naar hem op.
--Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien
kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!
--Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.
--Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.
Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den
marmeren trap opkomen.
--Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.
--Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.
--Wachten en geduld hebben.
--Wat! wilt gij vertrekken?
--Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.
--Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.
--O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel
ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.
--Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.
--Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker
bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst
en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat
men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij,
en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden,
en ik zal u redden.
--Heb dank! riepen beiden.
De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden
voor de deur stil. Loer-Vogel wenkte de jonge meisjes om op hare
hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte
driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te
spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag
en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de
uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten
had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na;
een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had
opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was,
den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.
De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een
droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in
de armen en barstten uit in tranen.
XXXVI.
EENE ONTMOETING.
Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed
eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag
aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet
het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.
De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige
woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten
had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen
van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen
zou hen aan te spreken.
Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug
te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand
over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van
een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het
oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen,
die zij vurig verlangden beantwoord te zien.
--Hoe is het, vader? vroegen beiden.
--Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?
De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde
met eene zachte haperende stem:
--De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.
De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik
eenige passen terug.
--O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar
deze noodlottige kennis geschonken?
Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als
in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de
leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel
trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem
niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des
opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met
eene sombere stem:
--Dat de zonen van den gewijden Ayotl zich wapenen met moed!
--Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.
--Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester
gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond
af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door
de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde,
is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich
van haar hadden meester gemaakt.
De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een
stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen,
veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte
tegen den boozen geest die hem bevangen had.
--Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te
verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.
--Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de
Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik
dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.
De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.
--Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester
met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.
--Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en
morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal
de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van
welke ik mij bedienen moet.
De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.
--Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik
zal hem in den tempel binnenleiden.
--Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom
alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur
moet openen.
De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom
en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.
--Goed, riep de jager; morgen met de endit-ha--zonsopgang--zal ik
mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te
zeggen of er hoop is om de kranken te redden.
--Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.
De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en
gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover
en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog
heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een
onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel
aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl
naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te
verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van den
Rooden-Wolf en Addick gehoord hadden.
Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden
van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren
aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in
deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en
toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid
worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige
magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en
waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel
van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige
kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en
worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke
hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is,
ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al
schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde
magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis
en doorzigt.
Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen
gedaald;--maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert,
kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak
en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare
legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen
glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich
in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over
de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische
schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de
eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen,
zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad
hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.
De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had
schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching
en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn
moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk
op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te
ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had
hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden,
en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen
vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De
eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop
hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper
vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel
bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen,
zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten,
wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens
de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige
vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.
Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te
mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen,
die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel
der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden,
om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van
zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding
der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.