geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige
manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop
te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester--en waarschijnlijk
ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming
niet ongestraft zijn gebleven--weerhield hij zich.
--Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is
goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan
geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?
De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne
blikken en wachtte zijn antwoord af.
--Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.
--Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.
--Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder
woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een
volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.
--Ooah! daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan
mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal
mij zeker niet worden geweigerd.
--Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman
veel stof tot nadenken gaf.
--Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen
krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.
--Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten
der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen
gunste neigen.
--Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet
op dit oogenblik juist bijeenzijn.
--Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerste hachesto (heraut) der
magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat
ik het genoegen had mijn zoon te zien.
--Mijn vader gaat dus ook naar den raad?
--Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.
--Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader
rekenen, niet waar?
--Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?
--Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning
mijns vaders zeker wensch te zijn.
--Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt,
antwoordde de opper-priester uitwijkend.
Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig
antwoord te vergenoegen.
De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit,
en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad
vereenigd was.
Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid,
vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde
Sachems in 't voorbijgaan met luide toejuiching.
Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick,
deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen
terug en groetten hen stilzwijgend.
Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo
als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde
magt bezitten.
De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid
veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden
niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen
tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens
brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast
maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.
De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante,
maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar
het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur,
hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van
zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met
behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der
zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad,
het symbool of zinnebeeld der wereld.
Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer
rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit
bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze
pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie
voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en
was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd,
en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met
hieroglyphische figuren bezaaid.
In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening
of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag,
die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door
den opper-priester mogt worden ontstoken.
De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen
gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig
halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen
indruk van het ruime en statige vertrek.
Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten,
waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden
zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee
nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.
Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich
in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard,
hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.
Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden onder
de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de
Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren
stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone
majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten
eerbied en ontzag.
De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen
als "het gelaat des waters" [21]; hij beweerde af te stammen van
de aloude Incas die het land van Anahuac [22] regeerden voor de
verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de
achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam
plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen,
was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had,
die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm
meer de Europesche type naderde.
Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij
in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was
geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich
den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij
alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft
te doorkruisen.
Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem
beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen,
door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig
tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.
Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen
van al de Indiaansche natiën.
Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden
rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van
den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel
en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was
aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke
stem de volgende woorden:
--Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te
beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke
en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.
Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was,
vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak,
en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar
het gewelf der zaal.
Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee
ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard
genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden
tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzin gedragen en
eerbiedig aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren
spatel,--of toovertangetje,--om de kwade voorteekens te bezweren,
een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan,
onder het uitspreken der volgende aanroepingen:
--Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet
kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt
bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan,
u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare
vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook
dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.
De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield;
presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende
met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar
trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en
het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken
eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het
mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet
deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo
lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw
de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien
hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken,
met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:
--Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan [23] smeeken om
uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten,
opdat zij als wijze mannen spreken mogen.
Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug
en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.
De oude Sachem vatte nu het woord weder op.
--De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn
eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en
zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen;
laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.
Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van
de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin
als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden
door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden
en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus
voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel
bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen
twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet
minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin
toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen
der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen
zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en
Addick volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever
den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig
doel niet verkozen mede te werken.
De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk;
zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de
kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde:
dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden
opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den
Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het
geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des
opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg,
om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te
gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl,
toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist
vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar
hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door
hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid
dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de
schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel,
Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap
te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.
De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest;
de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen
der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende
van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd,
zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te
waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning,
in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken,
wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen
en zich van haar meester te maken.
De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht,
maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van
vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden
opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac,
het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand
in 't oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel
van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.
Na deze besluiten ging de raad uiteen.
De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk
zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er
dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani
was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn
eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den
opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien hij sinds
jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven,
en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.
De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend
te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof,
en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin
zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten
einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes
die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren
gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige
bezorgdheid inboezemde.
Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden
uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.
--Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.
--Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar
hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan
mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige
krankheid zijn bezocht geworden.
--Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren
angst.
--De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen:
ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat
meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er
een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde
zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder
twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone
gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.
Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling
niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk
genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en
min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied
echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien
ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig
scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester,
hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te
verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen
strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de
zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende,
maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den
rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met
den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.
De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een
onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den
Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit
Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen
zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli
terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.
Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den
Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien,
dat de twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel
bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik
moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders
onherroepelijk schipbreuk zou lijden.
Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli,
waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds
gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek,
dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk
gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den
arm en haastte zich om hem te volgen.
XXXV.
DE ZAMENKOMST.
Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil
van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd,
bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen
geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke
ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem
onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich
tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte
het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en
uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre
was van te bezitten.
De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager,
vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield,
bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen
opwekken, zocht hem ongemerkt aan 't spreken te krijgen, om zoodoende
aan zijne gedachten eene andere wending te geven.
--Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.
--Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre
togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den
Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,--mijn vader weet het
even goed als ik,--vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons
onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.
--Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs
mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund
wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid
dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er
zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en
in alle winden te verstrooijen?
--Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens
komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke
vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan
het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk
veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn
slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah,
om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.
--Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons
ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven,
zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.
--Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de
geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door
hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan
[24] overgebleven, 't zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen
van Quetzalcoatl [25], die er zich moeten verbergen als schuwe en
vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden
door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.
--Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden
liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.
Atoyac schudde treurig het hoofd.
--Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar
de bleekgezigten niet binnendringen?
--Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar
tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen;
zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen
niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en
vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare
vijanden beproefd om haar te ontdekken.
--Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en,
even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd
hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.
--Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn
broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de
jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad
nieuws te zullen vernemen.
--De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien,
zij zijn talrijk en wel gewapend.
--Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of
oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht
uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde
van schrik.
--Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen
of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde
opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering
verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen
verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de
doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.
--Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde
legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad
als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk
getal uitgelezen krijgslieden bevat.
--'t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de
bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een
van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust
onze veiligheid voor de toekomst.
--Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de
opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet
bedrogen hebben en geen verraders zijn?
Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met
een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.
--Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick
zijn geene verraders?
De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een
stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:
--Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders,
maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons
bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken
hartstogt en dorst naar wraak.
--Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten
zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.
--Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde
zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de
taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen
en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke
boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen,
wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat
mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al
te onvoorzigtig laten wegslepen.