De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld,

waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door

middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan

in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen

te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en

het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en

gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die

dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don

Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt,

trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.

Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de

Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van

het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.

De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel

een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen

met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met

ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en

meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten

vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen

ondergaan met woeker terug te zullen betalen.

In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in

geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te

verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de

beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt

zou zijn.

Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke

en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde

en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.

Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten,

met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om

naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest

over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke

wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne

Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad

te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?

Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen

om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan

twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte

poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een

uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden,

die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast

waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om

haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?

Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was

inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou

hebben stilgestaan.

De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken

waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers

hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden

genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te

volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen,

om de Gambucinos van alle zijden in 't oog te houden.

In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de

drie zaamverbondenen.

Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te

verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk

corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk

minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door

hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige

onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat

de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging

des vijands in 't oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij

elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne

oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige

gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.

De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan,

ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te

vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen

stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen

veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer

hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij

hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar

in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te

laten afdoen.

De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe

hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat zij

zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen

die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.

De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf,

een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee

troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.

Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde

de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om

door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.

Zij trokken op weg.

Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats,

namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op

het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang,

met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de

voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar

wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.

Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien

nacht toen Domingo in het woud verdween.

Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.

Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den

schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om

hem des te beter in 't oog te kunnen houden.

Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken

waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan

eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon

versterken. Domingo had niet de minste slinksche beweging gemaakt en

zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd

werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de

maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich

in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending

van vermoeidheid insliep.

Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten,

dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet

verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen

en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino

niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem

echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo

waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de

avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk

dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne

kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen;

waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige

kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.

Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat

de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte was

van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal

opgevat plan volhouden.

Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze

hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het

bastaardras waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich

aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden,

de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.

Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets

voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te

spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet

voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal

karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid

werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming,

van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden

te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die

hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur

mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra

het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.

Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem

zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede

rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan,

die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.

Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk

met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn

te dragen.

Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don

Estevan te hebben gezien.

Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het

voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te

onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te

worden overvallen.

De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond

op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken,

hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten

op zijne terugkomst te wachten.

Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich

bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime

poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden

bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de

vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren

weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had

naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij

nooit weder moest ontwaken.

Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden

Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de

zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat men niet

anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen,

ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.

Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich

onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe

en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij

zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit

zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der

brandende takkebosschen te bezigtigen.

Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de

slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk

ongeveer half met tabak gevuld--en die tabak was versch.

Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren

had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij

alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd

zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het

jagerskamp bevinden.

Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit,

dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien,

eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn

voordeel mede moest doen.

Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich

gemakkelijk berekenen.

De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot

als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.

Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der

menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak

zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden

om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle

waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken;

dit bleek ook hier weder het geval te zijn.

Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven,

en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed

mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het

minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een

vuur branden.

Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken

diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien

hij sedert een uur zocht.

Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was

werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet

wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden

zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen

wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.

De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring

van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar

theater-effect.

De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de

komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult

door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond

geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging

had kunnen uitbrengen.

De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den

omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen

was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.

Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen

de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in 't

verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat

hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.

Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar--wij behoeven

het naauwelijks te zeggen--werd hij door don Estevan dadelijk herkend.

--Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe

duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?

--Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst

te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom

verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen

knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk

een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.

Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder

te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen

had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.

De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot

denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij

zoo digt in de nabijheid waren.

Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de

verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide

kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd

had om don Estevan op te zoeken.

Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don

Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste

vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen

waren.

Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar

woorden in 't oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach

werden beantwoord.

Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden

gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud

in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust

sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde

of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.

Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en

hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.

Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen,

en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.

Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij

te doen hadden dan zij in 't eerst vermoedden, en dat de vijand, wel

verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken

zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij

volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.

Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In

weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden

zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn

en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen

zijnden strijd te ondersteunen.

Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige

ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden,

hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet

openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de

stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk

niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven

en hunne terugkomst af te wachten.

Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen,

ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als

wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel,

als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani

was binnen gekomen.

Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten

raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van

hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriend

Chicuhcoatl--Acht-Slangen--den Amantzin of opper-priester der heilige

stad Quiepa-Tani.

Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam,

had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in

gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.

Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt--die haar trouwens

reeds bekend was--en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig

aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had,

stipt geheim te houden.

De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich

verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd,

dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen,

Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel

van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin

had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat

hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en dan niet in

gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.

Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de

beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid

om hem te ontvangen.

Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn

verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde

de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te

kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke

lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig

vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis

der Zonnemaagden over te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar

wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.

Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen

te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten,

en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met

geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen

glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.

Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen,

maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij

gepaste woorden vond.

XXXIV.

EEN GESPREK.

De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met

gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken,

elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten,

die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.

Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te

geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens

werden gebezigd dan list en geveinsdheid.

De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te

geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven

zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst

zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot

bevordering van eigen inzigten en belangen.

Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt

de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch

gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die

hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te

geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden

begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.

Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man

was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn

verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het

vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren

op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick

wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden

invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk

het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.

Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en

hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen

schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.

Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en

door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner

blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en

hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene

zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige

verbolgenheid was overgebleven.

--Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg

er hem dank voor.

De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere

vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.

--De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.

--De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal

mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.

--Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.

--Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet

geheel kon verbergen.

--De wet luidt stellig: "de toegang tot het paleis der Zonnemaagden

is den mannen verboden."

--Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de

maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten

die ik hier heen heb gebragt.

--Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.

--Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom

mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.

--Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft

haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen

door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen

ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik

heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne

gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer

dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen

veranderen, ik kan niet.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 27 / 34 段