hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani
kennis te maken.
Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl--de
Duif--de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist,
op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd
voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie
of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen,
dat wij boven reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men
met regt den titel van wilden mag toepassen.
Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen
de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.
--Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze
vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der
Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.
--De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van
Atoyac, antwoordde zij.
De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.
--Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is
een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen;
ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.
--De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd,
herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met
zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.
--Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen,
antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.
--Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft
van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde,
die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.
--Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken,
vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon
zijn heet.
--De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde
Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.
Hiermede was de voorstelling afgeloopen.
De slavinnen bragten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers
zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende
naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche
bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den
vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die
den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim
schijnen te bezitten.
XXXII.
EERSTE ONTDEKKINGEN IN DE STAD.
Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle
beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de
Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond,
om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad;
daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste
grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.
Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene
vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren
onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal
krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden
gehouden.
Eenige stapels velden van tijgers en ocelotl (boschkatten) benevens
mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken
opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.
Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen
meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel
van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.
Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij
in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan,
genoegzaam dezelfde.
Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot
dagelijksche huiskamer voor het gezin.
Het tweede is bestemd voor de kinderen.
Het derde dient tot slaapkamer.
Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin
de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met
bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.
Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het
regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.
Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.
Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne
spijzen gewoonlijk in den coral, dat is in de open lucht bereiden.
Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht-
of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test
of komfoor.
De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de
slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des
huizes arbeiden.
Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen
niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de
blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den
oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en
hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde
slavernij gedoemd.
Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode
medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid
terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders
voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat
hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de
duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel
der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.
Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk
toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van
zijne Hel schreef: Lasciate ogni speranza (Vaarwel, alle hoop).
Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had
binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de
krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de
Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne
verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld,
menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel
gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.
Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te
lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn
drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met
den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der
pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde,
van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke
gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen
en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij
verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde
krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten
op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden,
oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij
over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter
Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid
als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen
invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs
te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan
verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen
der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne
hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd
had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.
Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige
Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen;
en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te
bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne
weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes
zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar
echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog
noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet
de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij
geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover
de noodige vragen te doen.
Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds
meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin
door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag
regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan
aan de deur der calli vertoonde.
--De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene
statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.
--Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren
zijn geopend.
--De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de
Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.
--Wat is er dan voor nieuws aan de hand?
--De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is
vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick
vergezelt hem.
De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.
--Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering;
dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig
herwaarts kunnen brengen?
--Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de
stad gekomen.
--Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende
ruiters de stad is binnengerukt?
--Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij
hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?
--Dat ik onmiddelijk in den raad kom.
De Indiaan boog en vertrok.
De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich
gereed om heen te gaan.
De Vliegende-Arend weêrhield hem.
--Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.
--Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.
--Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?
--Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen
verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.
--De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden
zijne plannen ongestoord uitvoeren.
--Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn
geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.
--Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds
heeft het noodlot mij dit belet.
--Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben
gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien
niet hebben plaats gehad.
--Wat wilt gij hiermede zeggen?
--Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik
ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad,
waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat
sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten
raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en
het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de
beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere
opperhoofden te beheerschen.
--En wie zijn die twee mannen?
--Gij kent hen maar al te goed.
--Hoe heeten zij dan?
--De Roode-Wolf en Addick.
--Ooah! riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer
twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen
berokkenen.
--Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen
sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen
verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?
--Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat
kunnen beletten?....
--Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon,
na een poosje zwijgens.
--Welk?
--Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems
van uw volk?
--Wat meer?
--Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting
te nemen.
--Dat heb ik.
--Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?
De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees,
die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord,
ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone
instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige
in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt
waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep
hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken,
dit in de oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid
voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade
zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:
--Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik
niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet
de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de
gewigtigste levensvragen voor het roode ras in 't algemeen; door zich
in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou
men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad
een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden
ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid
te bevorderen.
--Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield
alsof hij aarzelde.
--Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met
drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen,
en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede
algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer
zeker een verkeerden indruk zou maken.
--Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet
ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds
te volgen.
--Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad;
welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere
verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.
--Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen
terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij
het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling
van den jager.
--Laat ons vertrekken, zei Atoyac.
De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.
Zij gingen heen.
Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.
De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met
de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren,
stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.
De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond
en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in
zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:
--Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar
den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om
eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen
tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in
't voorbijgaan gezien heb.
--Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op
mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen
gast alleen in de calli te laten.
De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den
jager een veelbeduidenden wenk.
Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend,
onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de
jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te
verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere
inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te
gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt
en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.
Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd
alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na
te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene
onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen
kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene
wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke
kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.
Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en
op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op
goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der
straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het
dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.
De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van
onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen
werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand,
tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken,
en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige
berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het
sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder
gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de
jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte
voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.
Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal
lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar
den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.
Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne
langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige
meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn
voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben
wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over,
om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.
Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder
binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar
de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met
zekere geestdrift zamen te keuvelen.
Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een
verstandhoudenden blik toe.
De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn
gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.
Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend
gegroet te hebben, haar gesprek hervat.
--Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier
heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.
--Ja, antwoordde de Duif.
--Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu
een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste
inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men
deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.
--Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet
ontsnappen kan.
De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.
--O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe
dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben,
zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt;
ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.
--Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo
lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn;
haar lot is treurig.
--Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het
eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid
willen stellen.
--Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?
--Wanneer?
--Morgen, zoo gij wilt.
--Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.
Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.
Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne
zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen
dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.
Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug;
zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi,
die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom
niet minder verschrikkelijk was.
Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om
hem te ontvangen.
Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem
lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte
was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de
mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.
--Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote
geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden
blik gadesloeg.
--Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag van
den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den
Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.
Laatstgenoemde glimlachte.
Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet
denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm
zou zijn gebleven.
--Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige
instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.
Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig
ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn
gastheer geen booze voornemens met hem had.
Hij nam het dus aan.
--Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij
er op antwoordde.
--Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.
--Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de
bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of
meer hunne taal, zei Loer-Vogel.
--Zooveel te beter.
--Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne
vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.
--Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden
der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen
hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van
haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven
hare legerstede.
Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart
dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem
over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de
diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met
eene bedaarde stem te kunnen zeggen:
--Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.
--Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.
Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder
den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich
met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld,
of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend,
die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
XXXIII.
OPHELDERINGEN.
Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te
treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die
wij opzettelijk in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend
vorderen door onze lezers te worden gekend.
In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan,
Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om
gezamenlijk wraak te oefenen.
Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat,
had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog
gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die
van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.
Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen
betreft, zich met de Roodhuiden meten.
De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een
vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik,
een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg
hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,
Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken,
de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.