--De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde

het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht

als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van

vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen

ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was,

door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan

het hoofd der bende; hij schoot zijn eruhpa--geweer--op mij af, doch

hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze,

en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk

den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en

verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid

te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.

--Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift

uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die

ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een

troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug

met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.

--Het zij zoo 't wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug

gevonden, en alles is goed afgeloopen.

De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel

mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:

--Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken

blijven.

--Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.

--Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen

zal weten te verijdelen.

--Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.

--Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen

lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende,

hem haat ik sedert lang.

--Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij

hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.

De Vliegende-Arend keerde het wapen af.

--Die man behoort mij, broeder, zeide hij.

Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem

wendende, zeide hij:

--Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.

Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den

Indiaan een oogenblik trillen.

--Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.

Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog

die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg

het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door

en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders

zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem

met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende

wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst

met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het

koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde

gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene

onbeschrijfelijke stem:

--Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!

De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.

--Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende,

stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open

en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..

--Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong

zal niemand meer verraden.

Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de

omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond

[16].

De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met

den voet en wendde zich naar zijne kameraden:

--Laten wij vertrekken, zeide hij.

De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en

overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij

getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid

gezien hadden.

Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.

Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en

drukte hem zacht met de hand op den schouder.

--Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.

--De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.

En hij ging terstond heen.

--Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde

de jager, terwijl hij hem naoogde.

XXXI.

DE TLACATEOTZIN [17].

Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug,

vergezeld van de Wilde-Roos.

Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.

De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het

volgende neder:

De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was

afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.

Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want

ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch

dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit

te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge

meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen

te verzetten.

Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de

stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!

Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.

In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den

Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.

Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de

Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.

Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van mij

de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen,

namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste

bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom

waar de wet van Ilhuicamitl [18] den grootsten, den magtigsten, en

den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land van Hanahuca

[19] beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne

bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed

in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is,

zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.

Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven

woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt

op.

Het opperhoofd vervolgde:

--De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij;

hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden,

onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten

dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen

triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het

opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding

te verlaten?

--Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde

Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof

u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.

--Ooah! hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde;

over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.

--God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde

don Mariano.

--Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden,

antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos

wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal

hoop ik goed te zullen slagen.

--Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig

mogt zijn, zeide don Miguel.

--Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de

verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.

--Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik

weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is

niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner

mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog....

--Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt

de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij

genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste

signaal gereed zijt.

--En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed

afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de

tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen

na zich slepen.

--Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer

driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen,

moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.

--Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.

--Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu

te doen?

--Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.

--Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering

op zijn eigen persoon.

--Ooah! denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden

in het gewaad van een blanke?

--Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig;

wacht maar even.

De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.

De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een

floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in

het maken van zijn nieuw toilet.

Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels

en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan

verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap

uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die

zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te

verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl

of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische

figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op

zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager,

die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog

bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg

grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op

de manier der Yumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent,

en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven,

stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van

midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.

Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de

Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid

de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan,

hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.

--Op mijn woord, riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping

niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen;

en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer

zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u....

--En wat zegt gij er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees

onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.

Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.

--Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo

volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.

--Ooah! de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd;

maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder,

als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar

goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.

--Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman,

dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.

--Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Yumeesche doctor.

--Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal

toegang krijgen.

De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.

--Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde

de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten

geneesmiddelen mede te nemen.

Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles

uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn

reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich

droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid

goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt,

slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.

--Ik ben gereed, zeide hij.

--Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang

gemakkelijk te maken.

De Tlacateotzin boog toestemmend.

De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers

en verwijderden zich.

Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden

vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon

het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen,

aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?

--Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel,

om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste

sein te hulp te snellen.

--Kom, antwoordde de jager kortaf.

Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden,

die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel

van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.

De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te

wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf

scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo

kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.

De jager bleef staan.

--Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.

--Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek;

verder sprak hij niet.

De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel

bleef zwijgen, zei de hij:

--Hebt gij mij niets te zeggen?

--Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene

onwillekeurige huivering.

--Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer

gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker

iets te zeggen hebben.

--Ja, 't is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is

juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt,

't is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden

om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe

kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u,

niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.

--Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager,

meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd

had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is

de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden

twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op

aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?

--Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.

--O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim,

dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!

--Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig

in mijn hart als in het uwe.

--Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik

alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren

konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn;

verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar

behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars

vaders terug te voeren.

--Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.

--En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende

hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing,

van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;--het is

alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht,

het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in

dat zakje is eene heilige reliek--een splinter van het heilig kruis,

gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig

bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. 't Is het

eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend,

red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen

voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, ik

zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer

edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!

Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en

drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende,

om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen

tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn

vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de

hand had toegeworpen.

Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje

somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.

--Arme jongman, mompelde hij met een diepen zucht, is dit nu wat men

verliefd noemt?

Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering,

die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd

opheffende, zeide hij:

--Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!

Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende,

stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken

zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.

In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was

opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad

aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze

landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.

Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging

op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met

belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne

bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever

geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange

werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel

behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk

zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den

schouder en een reata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en

op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden

kant komende als de jager.

De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om

hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid

gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop

te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween,

terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.

De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met

de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de

hoofdpoort, waar zij halt maakten.

Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de

stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken,

om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.

Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden

de vorige drie te gemoet.

Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu

gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven

staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de

stad binnen.

Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug

toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.

De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om

een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna

hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was,

en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.

Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw

opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen

te bekleeden.

Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.

Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd

aan de poort.

Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan

met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.

Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende

haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling

gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar

woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van

Loer-Vogel had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief,

en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.

De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.

--Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij

den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.

Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang

met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten

met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den

ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de

noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:

--Is mijn broeder een opperhoofd?

--Ik ben een opperhoofd.

--Ooah! dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.

Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had,

meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige

mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van

Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest

voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken

mag, beteekent het eenvoudig Twee-Konijnen, [20] zonder twijfel een

zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de

jager spelen zou.

--Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd

beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der

ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.

--De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij

met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.

--Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?

--Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren,

dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.

--Ooah! hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen

dan de jagtgronden van mijns broeders stam?

--Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).

--Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit

te oefenen?

--Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah

te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche

volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.

--Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar

ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle

lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste

Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook

Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd

uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te

dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.

--Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de

grootspraak van den Indiaan.

Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.

--Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is

opgedragen, zeide hij.

--Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!

De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende

komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.

--Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen

eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens

begeven wij ons naar mijne calli (hut), die ik hem in het bezit geef

zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.

Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.

--Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof

mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.

--De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder

Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.

--Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.

En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem

de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed

was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de

Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort,

en sloten deze zich weldra bij hen aan.

Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk

naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad

gelegen was.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 25 / 34 段