Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden

had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was,

wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en

Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:

--De Wilde-Roos zal het weten.

Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met

vreugde en hoop.

--Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad

die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens

zijt mij te bewijzen.

Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen

te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de

Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in

het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben,

om er zelfs het minste van te laten blijken.

Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van

afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken

en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste

wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot

zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige

vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.

Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te

maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en

begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was

gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel,

gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt

ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen

hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen

een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap

voor stap doorheen moesten werken.

Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen,

zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu

minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden

zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.

Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch

bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen

sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg

en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche

linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks,

en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige

Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling

van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen

in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.

Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich

gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open

veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar

veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was,

eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei

teekenen van onrust en verbazing.

--Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.

De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide

hem met zekere ongerustheid:

--Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk

voorkomt.

De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en

beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager

zooveel belang inboezemden.

Eindelijk stond hij weder op.

--Wel? vroeg hem Loer-Vogel.

--Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag,

was zijn antwoord.

--Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen

zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.

De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan

te voren.

--Het zijn bleekgezigten, zeide hij.

--Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem

voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk

waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek

doorgedrongen.

--Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts:

hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen;

kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet

het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen

een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.

--Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen

met spijkers, hunne mocksens laten zulke indrukken niet achter. Maar

wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn

zij gevolgd om herwaarts te komen?

Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs

naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was

de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te

volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.

--Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt

gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?

--Ooah! riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch,

de ruiters kunnen niet veraf zijn.

--Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor

ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.

De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige

beschouwingen; toen het hoofd schielijk opheffende, zeide hij:

--De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de

bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het

ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of

die mannen vrienden of vijanden zijn.

--Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift;

men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan

ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven

die u in geval van nood had kunnen bijstaan.

--Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman

is genoeg.

De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten

had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet

verder op aan.

--Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen

gij doet wel gedaan zal zijn.

De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen

liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.

--En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?

--Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen

ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik,

wel zeer verlangen zult.

De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het

kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd

had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn,

die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de

nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.

XXX.

HET TWEEDE DETACHEMENT.

Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de

Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen

dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.

De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn

stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om

de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden,

vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij

zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij

werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de

nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.

Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was

het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht

te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd,

zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters

en struiken in het rond.

Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te

aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar

het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar

kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.

Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp

toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver

achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich

nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen

van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig

naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en

waarin hij weldra verdween.

Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen

zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand

het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op

eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij

overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing,

en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.

Wat had hij ontdekt?

In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren

verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig

rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal

te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd,

hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge

struiken knabbelden.

De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag

herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos,

sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan

naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef

voor hen staan.

--Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen

groet; een vriend komt hen bezoeken.

--Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand

toestekende.

--Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne

tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.

De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.

--Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.

--Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen,

antwoordde de Indiaan.

--Hoe dat? vroeg don Leo.

--Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit

oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.

--In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het

spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen;

dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel

onbekend waren.

--Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede

maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde

omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het

jaar 1843, ik was toen te . . . .

--Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn

broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder

de krijgsman het wel kennen.

--Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren

dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.

--Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest;

maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn

broeder is kort, hij is het vergeten.

--Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd,

om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds

eenmaal geweest ben.

De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.

--Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij,

ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met

den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.

De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op

het levendigst getroffen.

--Wat wilt gij mij zeggen, in 's hemels naam! Roodhuid? riep hij

heftig ontroerd.

--Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan,

zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet

verder af dan een halven dag-marsch.

--Is het mogelijk? riep don Leo.

--Een Sachem liegt nooit.

--O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij

den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.

--Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.

--Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij

moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?

--Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift

het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.

--Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u,

omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.

--Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene

zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.

--Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman

met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze

vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.

--En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het

verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand,

die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij

maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het

spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet

gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige

stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en

geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om

zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don

Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg

en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames

zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk

gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen,

zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden,

dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen

hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.

De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen

Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige

plaats nevens hem weder in.

--Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de

ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt,

ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen

wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?

De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en

zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo

zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.

--Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de

Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de

endit-ha--zonsopgang--zullen wij van de blanke maagden tijding

ontvangen.

--O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat

duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar

armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaansche

cithuatl gedragen werden.

--De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan

goede vrienden bewijst.

--Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet

weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?

--Mijn broeder is vrij.

--Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen

avond toch in ons kampement?

--Begrijpt gij dat niet?

--Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo

digt in onze nabijheid waart.

--Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn,

is de zaak zoo duister toch niet.

--Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo

knap heeft kunnen vinden.

--Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den

weg dien wij volgen.

--Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?

Het opperhoofd knikte toestemmend.

--Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.

--Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te

keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben

reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust

maken. Ik ga vertrekken.

--Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel

bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij

zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.

--Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het

beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever

bij ons?

--Wij zullen hier komen.

--Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd

is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.

--De Vliegende-Arend is een goed payatzin--looper,--antwoordde het

opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.

--Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?

--Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten;

een spoor laat zich beter volgen te voet.

--Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?

--Met ons vieren.

--Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.

--Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer

kameraden ons verlaten hebben.

--Goed, dan ga ik met u mede.

Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg

aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp

te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door

den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden

bij den teugel aan, de hand met zich voerende.

De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg

af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt,

uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere

spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep

vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.

Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in

volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van

den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt;

maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet

wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.

Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing;

in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.

Domingo was verdwenen.

Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel

met drift:

--Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!

--Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek,

oude jager?

--Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar

ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.

--Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie,

in 's hemels naam?

--Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja,

ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.

--Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.

--Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam

van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.

Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, hij sprong

oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.

--Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.

--Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde

de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge

God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren

tijd verloren.

Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs

vier verschillende wegen het bosch in.

Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den

vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een

donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om

zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich

misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had,

zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne

nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen

van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te

vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne

pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don

Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun

haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van

hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in

het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk,

door een tweede gevolgd.

--Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker

den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn

wild nagezeten dan hij.

De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de

rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er

digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende

oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende

stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk

bereikten zij het tooneel van den strijd.

De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor

hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den

benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam

geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw,

tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.

De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen

er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw

zich mengende in den hagchelijken kamp.

Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden

zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle

rigtingen als een drom zwarte spoken.

--Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.

--Houd op! schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie

zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen

vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u

borg voor.

De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de

duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal,

en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren,

een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht

van teleurstelling.

De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij

ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.

--Ooah! antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één

krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden,

en nog twintig bovendien.

Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig

geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was

afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet

anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.

--Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond

wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.

Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en

daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten

had--huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.

--Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien

ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn

lijden te helpen.

--Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op

zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan

hem gekomen is.

--Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 24 / 34 段