--Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben

lang genoeg geslapen, het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken.

Oogenblikkelijk was ieder op de been.

De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij

bezig met het vuur aan te leggen om het ontbijt gereed te maken,

of de Vliegende-Arend verscheen. Hij droeg op zijne schouders een

heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond wierp, en zich

toen nevens de Wilde-Roos neerzette.

--Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van

de voorbaat, uwe jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen

mooi op te raken.

De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder

antwoordde hij niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de

Indiaan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer

het gesprek eene meer ernstige wending nam.

Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was,

onmiddelijk den eland de huid af te stroopen.

De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd

in de alforjas (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die

Domingo zoo behendig van het wildbraad had afgesneden, en die op

den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften;

dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter

de Vliegende-Arend en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die

geen sterken drank gebruiken, weigerden deel te nemen.

Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon

stilzwijgend te rooken.

Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl

Domingo en Bermudez het noodige voor hun vertrek gereed maakten;

toen zij hiermede gedaan hadden besloot hij eindelijk te spreken.

--Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze

togt eigenlijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij

heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal,

komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene stad ligt. Die

stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige

wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude

Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad

moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die

wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens

eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren

omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus

niet verbergen dat de gevaren die wij tot hiertoe trotseerden en

gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking

met die welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons

voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te

denken dat wij allen die stad zouden kunnen binnentrekken; dit te

willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen moord,

zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal

het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in

geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom,

caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez zal op onze

stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten

hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar

de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben afgesproken,

ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en Vrij-Kogel te

vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts

te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed?

--In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende

buiging.

--En gij, hoofdman, wat zegt gij?

--Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem.

--Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een

verlegen blik op zijn meester.

--'t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor

kort zijn, zoo ik hoop.

--Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te

vergissen als gij terugkomt, zei de jager.

--Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez.

--Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt

gij mij niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de

prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij

zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen?

Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem

de oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen.

--Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op

ieder woord, omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang

uit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar?

--Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt:

maak u maar niet boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van

gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet.

--Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar

verdienste, hernam de Canadees koddig, spreken wij er niet verder

over. Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: Daar wij

welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het terug

komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen.

--Ik zal zien.

--Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg

om u allen te bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden,

en haar niet verlaten dan op mijne orders; is dat afgesproken?

--Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het

gewigt der aanwijzingen die gij mij doet doordringen, om er mij niet

naar te gedragen.

--Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen

onzer moeijelijke onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier

in ieder geval een sterk detachement cordate mannen konden vinden;

wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne omzigtigheid

verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de

Indianen, maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt.

--Ik zal het hem zeggen.

--Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê.

--Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude

huisbediende, op een toon die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks

meester was, ik zou gewillig mijn leven voor haar opofferen.

--Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen,

het mijne heb ik reeds voor haar op het spel gezet.

Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond

gezien of er ook eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch

heerschte de diepste stilte.

Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den

rivierkant, nadat zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad

in gelegd hadden.

Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor

't laatst afscheid van zijn meester; zich toen met moeite omwendende,

sprong hij in de praauw, greep de riemen en stak van wal.

--Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na.

--Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez.

--Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen.

Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen;

zich toen plotseling tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half

in zich zelven:

--'t Is een trouwe ziel;--maar zou hij slagen?

--God zal hem behoeden, zei don Mariano.

--Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het

voorhoofd streek; ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat

meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, die tot hiertoe met

zoo veel zorg over ons waakte.

--Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting

dat wij slagen zullen.

--Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb

er ook de beste verwachting van; voorwaarts dus.

De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder:

--Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden,

de zaak is ernstig.

--Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze

maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld

worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te

begaan die den uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven.

De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de

grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de

asch; in weinig oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen

hurkten er met deftigen ernst omheen.

Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met

gewijde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige

trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige

keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang tot de

tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch,

klopte de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn

gordel en wendde zich tot den jager.

--Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij.

--Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging;

onze ooren zijn geopend.

De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben

den kring te verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven,

waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde,

boog eerbiedig voor de andere raadsleden, en nam het woord.

XXIX.

DE RAAD.

Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam,

had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder

beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen,

onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord,

geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens

pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe

houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den

Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij

hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch

voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn

lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem

te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij

wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd,

ter opheldering van diens zonderling gedrag.

De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan,

en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij

eindelijk het woord op:

--Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone

scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand reeds

zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders

vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze

gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij

in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om

dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt

aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en

als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend

als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst

uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo

als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt

gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo

ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik

den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem

besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen,

over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met

de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit

oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap

voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten

mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied

der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren

die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle

zijden voor onze voeten worden gespannen,--hoe zou ik in staat zijn

die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven,

in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk

het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit,

ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt,

en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die

gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is,

u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot,

niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even

schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren,

als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen

bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord,

dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan

krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.

Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer

dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had

tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem

zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was

het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende

houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten,

stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij

met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:

--De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van

alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne

voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De

verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van

billijkheid die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat

de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te

nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen

stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte

alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u

mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst

in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar,

en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik

gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.

--Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd,

dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige

aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn

hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts

een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat

ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.

--Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit

punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten,

dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand

tusschen ons ophoude.

--Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te

hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten,

als hij dit noodig keurt.

--Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste

besluit, ik wil u liever alles zeggen.

De Comanch begon schalks te glimlagchen.

--Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.

--Ja.

--Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles

wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen

vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.

De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.

--O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij

mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?

--Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, dat de eene vriend

niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer

die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als

men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.

De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:

--Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem

hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek

aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat

ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks

mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het

laatste oogenblik toe zou besloten hebben.

--Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid,

die Loer-Vogel geheel geruststelde.

--Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne

plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige

bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.

--Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de

Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft

een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds

dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat

tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne

tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en

gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze

dingen in een van die colliers--boeken--geschreven, die de blanken

zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden

des gebeds heb gezien.

--Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager

met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist

van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.

--Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar

ik weet welke dienst hij van mij verwacht.

--Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam

zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik

aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne

scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor,

dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het

slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die

ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen,

door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen,

terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.

--Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude

jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.

--Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon

ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit

met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in

deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij

geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert,

volkomen met uwe plannen bekend.

--Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij

zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig

mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer

durft beroemen.

--De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw,

dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is

een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich

niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten;

alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt

hem verklaren wat hij ziet of hoort.

--Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd

krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan

te hooren met al de aandacht die gij verdient.

--Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken

wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen

zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd

met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder

opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder

de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen,

daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en

niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden

heeft--denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd--en

nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb

gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik

mij hierin bedrogen?

De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend

genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:

--Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den

Sachem der Comanchen verlangt.

--Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat

gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik

begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg

in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden;

maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt

zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten...

--Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem

glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in

de groote geneeskunst--een toovenaar.--

--Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er

niets van aan was.

--Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het

tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen

verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten

einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke

meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn

plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de

jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar

de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog

bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker

te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de

poort der Tzinco--stad,--wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit

niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten

die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen

worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.

--Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog

verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij

willen doen?

--Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn

broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal

acht op haar geven; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel

beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen

die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen

komt, zal het opperhoofd den jager helpen.

--Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne;

het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning

uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij

zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch,

zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.

De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm

terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed

te maken.

--Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem

nog een paar woorden te zeggen.

--Laat hooren!

--De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer

berigt ontvangen.

Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.

--Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt

uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid,

uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen;

ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen

van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar

werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van

een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte

te verliezen.

--Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons

een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.

De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te

naderen.

De jonge vrouw gehoorzaamde.

Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had,

terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid

aanhoorde.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 23 / 34 段