Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren,

slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen

hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een

onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk

het doel van zijn togt was geweest.

--Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de

verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.

Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen

die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.

De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar

den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door

het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige

passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever

hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen

te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.

Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken,

en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden

zich in hunne zarapé's en sliepen weldra in.

Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.

Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te

verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager,

overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een

korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig

geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken

schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep

het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een

zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.

De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den

schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.

--De Indianen! fluisterde de Canadees hem in 't oor.

Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich

te water.

Schuw zag hij in alle rigtingen rond.

De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren

afstand te herkennen.

Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam,

hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met

strakken blik en scherp luisterend oor.

Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was

opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste

gerucht stoorde de stilte van den nacht.

Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen

kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke

oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid

leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.

Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in 't water;

in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen

buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude

door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half

in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad

te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat

hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een

hard voorwerp schuiven.

Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit;

wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die

geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.

Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was

van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den

boomstam wordt losgemaakt.

Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw,

dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of

liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een

ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de

minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar

wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;--ja, hij kon

hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij

alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.

De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid

te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden:

intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een

eind aan te maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede,

en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat

zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.

Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw,

als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter

de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.

De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met

bespiedende blikken om zich heen.

De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van

den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van

hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van

een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd

te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.

Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd

open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar

weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn

ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd

bloedig spoor achterlatende.

De arme Indiaan was dood.

Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw

en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij

zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend

gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de

jager op den oever had laten liggen.

Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen

die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van

Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt,

strekten zij zich plat op den bodem uit.

Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de

rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden

die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden,

toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht

als een donderslag deed daveren.

Het lijk van den door Loer-Vogel gedooden Apache was gedurende

eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop

biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp,

dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren

voorbij getrokken.

Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt,

of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan,

verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met

den vinger de praauw aanwijzende.

Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de

pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij

binnen eenige sekonden buiten hun bereik.

De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en niet

wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen,

staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de

scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed,

als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van

dieren die zij haten of verachten.

De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze

beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen

en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na

hun diepen slaap in de kille nachtlucht.

Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met

weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige

geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd

door de kogels getroffen.

Zoo ging de nacht voorbij.

De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds

gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het

woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen

meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben,

en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te

verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.

Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde

zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.

--O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die

weinig goeds voorspelde.

--Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd

iets buitengewoons moest gezien hebben.

--Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte

in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.

--Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar

zal wat aan te tornen vallen.

--Cuerpo de Christo! riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die

het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.

--Wat nog meer?

--Ziet eens!

--Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk

kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen,

van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar

met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt

af te snijden.

--Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te

geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?

-- Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen

hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen

wij onze inspanning.

Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en

gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen

te vliegen.

De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.

Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en

berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke

ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen

kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te

kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die

hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk

zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand

die de blanken van de Roodhuiden scheidde.

De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen

al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit

te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij

nam een van die koene besluiten voor welke hij algemeen beroemd was

en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem

en de zijnen te redden.

XXVIII.

BLANK-HUIDEN EN ROOD-HUIDEN.

De Canadees, zoo als wij gezegd hebben, had bepaald partij gekozen. In

plaats van eene poging te doen om tusschen de beide praauwen te

ontsnappen, waardoor hij groot gevaar zou hebben geloopen van in

den grond te worden geboord, nam hij zijn koers een weinig links en

stevende regelregt aan op de praauw die het digtst bij de zijne was.

De Indianen verschalkt door deze manoeuvre, van welke zij niet

aanstonds de uitwerking voorzagen, ontvingen haar met luide

triumfkreten. De avonturiers hielden zich echter doodstil, maar

verdubbelden hunne pogingen en roeiden met kracht door.

Een vergenoegde lach plooide zich om de lippen van den Canadees.

Naarmate zijne praauw die der Apachen naderde, had hij gezien, dat

de rivier aan de linker zijde een sterke bogt maakte en deze bogt

gevormd werd door een klein eiland, dat zeer digt bij den oever lag,

maar toch ver genoeg om een bootje door te laten; hij bediende zich nu

van dezen doortogt en vermeed zoodoende een langen omweg, hetgeen hem

op eens een goed eind op de vijanden die hen vervolgden deed winnen.

De hoofdzaak was hier om het eiland te bereiken voordat de eerste

vijandelijke praauw er aankwam.

De Roodhuiden echter begonnen weldra, zoo niet gansch en al, dan

toch gedeeltelijk te bemerken wat hun onverschrokken tegenstander

voornemens was; ook zij veranderden dus van plan en wijzigden hunne

rigting. In plaats van de blanken regelregt te gemoet te snellen,

zooals zij tot hiertoe gepoogd hadden, namen zij hun koers links en

pagaaiden met kracht op het eiland aan.

Loer-Vogel begreep thans dat hij, het koste wat het wilde, hunne

vaart moest zien te stuiten.

Tot dusver, was noch van de eene noch van de andere zijde een pijl

geschoten, of een geweerschot gewisseld. De Apachen rekenden zoo

stellig hunne vijanden te zullen meester worden, dat zij het als

onnoodig beschouwden om tot dit uiterste over te gaan.

De blanken daarentegen, die de noodzakelijkheid gevoelden om hun kruid

te sparen, daar zij te midden van een vijandelijk land onmogelijk

nieuwen voorraad konden bekomen, bepaalden zich voorzigtigheidshalve

om het voorbeeld der Indianen te volgen, hoe belust zij ook mogten

zijn om met hen slaags te raken.

Intusschen was de vijandelijke praauw geen vijftig ellen meer van

het eiland verwijderd; de jager, na nog een laatsten blik in het rond

te hebben geworpen, neigde zich tot zijne kameraden en sprak hun met

eene zachte stem eenige woorden toe.

Oogenblikkelijk lieten deze de pagaaijen rusten en hunne geweren

grijpende, knielden zij in de praauw neder, en legden hun wapens op

den rand der boot, na vooraf nog een tweeden kogel in den loop te

hebben laten glijden.

De Canadees had het zelfde gedaan.

--Zijn wij gereed? vroeg hij een oogenblik later.

--Ja! riepen de avonturiers.

--Schieten dan, en laag aanleggen: vuur!

De vijf buksen brandden los in een enkelen knal.

Wij hebben reeds aangemerkt, dat de beide praauwen elkander reeds

digt genaderd waren.

Nu naar de pagaaijen! en vlug! riep de jager, dadelijk zelf het

voorbeeld gevende, zoo als hij altijd deed.

Acht armen hernamen de dubbele riemen, de ligte boot vloog over het

water. Alleen de jager laadde zijn buks weder en lag op de eene knie

gereed om te schieten.

De uitwerking der eerste losbranding openbaarde zich weldra; de vijf

geweerschoten, allen op het zelfde punt gerigt, hadden in de zijde

der Indiaansche boot een vrij groote bres gemaakt, juist gelijk met

de waterlijn, zoodat zij niet langer vlot kon blijven.

Kreten van schrik en smart gingen op onder de Apachen, die de een na

den ander over boord sprongen en naar alle kanten wegzwommen. Wat hunne

praauw betreft, aan zich zelve overgelaten, begon zij oogenblikkelijk

af te drijven, liep langzamerhand vol en verzonk eindelijk in den

stroom.

De avonturiers zich thans van hunne vijanden ontslagen rekenende,

vertraagden voor een oogenblik hunne pogingen.

Eensklaps hief de Vliegende-Arend zijn pagaai op, terwijl Loer-Vogel

zijn geweer bij den tromp vatte. Twee Apachen, ware athleten in kracht

en met woeste blikken, waren onverhoeds genaderd en poogden zich aan

de boot vast te klemmen om haar te doen kantelen. Weldra vielen zij met

verbrijzelden schedel in het water terug en dreven af op den stroom.

Eenige minuten later bereikten de jagers den doortogt.

Intusschen waren een aantal Indianen naar het eiland gezwommen, en

begonnen zij, zoodra zij aan land kwamen de blanken aan den kant van

het water te bestoken; bij gebrek aan andere middelen wierpen zij hen

met steenen, daar zij hunne nat geworden buksen niet konden gebruiken,

en hunne pijlkokers en bogen bij hunne plotselinge indompeling in de

rivier waren verloren gegaan.

Hoe ruw en gebrekkig deze door de Apachen gebruikte

verdedigingsmiddelen ook wezen mogten, was Loer-Vogel echter verpligt

zijne kameraden dringend aan te bevelen om met verdubbelde kracht

voort te roeijen, ten einde zoo spoedig mogelijk buiten het bereik

der zware steenworpen te komen, die hageldigt van uit de hooge

biezen en van achter ieder welgelegen aanvalspunt, rondom de boot

neer regenden; terwijl de Roodhuiden volgens hunne gewoonte wel zorg

droegen onzigtbaar te blijven, uit vrees voor de kogels der blanken.

De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest

een einde aan worden gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste

gelegenheid loerde, om zijne vijanden eene geduchte les te geven,

meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van hem af,

op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje,

eene verdachte beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte

op goed geluk en schoot.

Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der

floripondios, bamboezen, lianen en waterplanten, en een reusachtige

Apache, woest als een gekwetste tijger, sprong te voorschijn om zich

achter een ander boschje, dat een eind verder op het eiland gelegen

was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn

buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den

vlugteling op nieuw te treffen, maar hief haar terstond weder op.

De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten

doodstuip.

Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een

tiental Indianen te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders,

namen het in hunne armen, en verdwenen er mede als een troep spoken.

Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en

gevaarlijke steenworpen, die eenige minuten te voren de lucht deden

weergalmen en de blanken met ondergang dreigden, vervangen door de

diepste kalmte en rust.

--De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den

bodem der praauw nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt

mij wel dat dit hier heeft moeten gebeuren, maar ik geloof dat zij er

thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn buks hebben leeren

kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten.

De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden

niets meer van zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben,

moet onze lezers niet te zeer verwonderen: ieder land heeft zijne

eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan gaat van het beginsel

uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. Voor

hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus

zien dat zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte

terug en laten met de meeste bereidwilligheid de plannen varen,

die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf hebben voorbereid.

De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede

vijandelijke praauw was thans reeds ver achter hen; wat de beide

anderen betreft, die zij het eerste gezien hadden, deze geleken

naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen de

Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op

hen hadden gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat

deze stellig aan hunne vervolging zouden ontsnappen, schoten zij al

hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als om hun een laatste

proef van hun moed achter na te zenden--eene magtelooze vertooning,

die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken

afstand van de blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven,

om zich bij hunne kameraden op het eiland te voegen, waar deze in

het digte geboomte de wijk hadden genomen.

Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af.

Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om

tusschen zich en de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten,

namen zij een poos rust, die zij wel noodig hadden, om zich te

herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te wasschen, want

sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen

die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij

dit minder bemerkt, maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er

aan te lijden.

Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der

rivier, nog zoo ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij

gekomen en zij hoopten het nog voor den avond te zullen bereiken. Na

eene korte ontspanning, grepen zij dus weder de riemen en hervatten

met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween

de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk

natuurwoud, dat zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot

en door den stroom in de schuinte doorsneden werd.

Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het

gehuil der wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken,

zich somber hooren in de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel

achtte het ongeraden om zich op dit uur te wagen in de onbekende

wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in haren schoot

verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om

eene geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om

op een verheven rotsmassa aan te houden, die in den stroom vooruit

sprong en een soort van voorgebergte vormde waar men zonder veel

moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen.

Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling

om de rots, daar hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk

gedeelte van het woud zij zich bevonden.

Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na

met moeite en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen

te zijn doorgeworsteld, die hem overal den weg versperden, zag hij

zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan den ingang van eene

natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische

omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn.

Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die

hij niet verzuimd had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk

binnen, gevolgd door zijne kameraden. De plotselinge verschijning

der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, uilen

en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en

aan alle zijden zochten te ontsnappen.

De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der

duisternis te bekommeren, die hij zoo onverwachts in hunne sombere

schuilhoeken gestoord had.

De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de

omstandigheden waarin zich de jagers bevonden was dit voor hen eene

allergelukkigste ontdekking, daar zij hun een genoegzaam veilig

verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen der

Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker

niet zouden nalaten hen te vervolgen.

De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd

te hebben dat er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer

zegt, dat zij twee uitgangen had, die de gelegenheid waarborgden om

te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen vijand mogten

worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de

boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter

in de grot. Vervolgens begonnen zij, met een geduld daar alleen de

Indianen of de woudloopers in staat toe zijn, zorgvuldig de minste

sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner ontscheping

of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle

openingen werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de

van een geschoven lianen en struiken weder bijeengevoegd, en na deze

gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen vermoeden dat er een troep

menschen was doorgegaan.

Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken,

alsmede ocote-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het

vaste voornemen om eindelijk de rust te genieten daar zij zoo veel

behoefte aan hadden.

Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds

een goed eind heen, eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een

mageren, in der haast klaar gemaakten maaltijd, in hunne mantels

gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten naar het

vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks,

eindelijk insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog

aanhield toen de eerste stralen der zon den oostelijken gezigteinder

reeds kleurden met een purperen gloed.

Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden.

De Vliegende-Arend was niet in de grot.

Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende

den Sachem te wel om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 22 / 34 段