rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander
kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd
die hem is opgedragen.
--Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel
belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan
van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen
punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of
onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking
kon vinden.
--Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts
waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien
mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne
tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.
--Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog;
laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt,
don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het
kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op
marsch gaan naar Amaxtlan [13].
--O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede;
daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.
--Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik
u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand
moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander
ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende
detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden
der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?
--Ja, antwoordden al de aanwezigen.
--Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met
don Mariano alleen, denk ik?
--Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen
liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano
zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk
heb ik niet noodig.
--Dat is te weinig, riep don Miguel.
De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat
beschrijven.
--Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij
beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan,
waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan
mij over.
--Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.
--Spreek.
--Ik hoop dat gij slagen moogt.
De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden
blik.
--Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte
die zijn vriend hem toestak.
De beide mannen hadden elkander begrepen.
Don Leo ging nu de tent uit.
Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen
druk aan 't werk om de verschansingen te slechten en af te breken,
de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was;
kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.
--Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden
kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?
--Ja, zei Vrij-Kogel.
--Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?
--Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.
--God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan;
hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen,
voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?
--Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets
te zeggen.
De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den
Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende;
de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken
te letten.
Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer
en groette hen beleefd.
Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen
had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had
nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen
om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.
Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde
hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de
jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare
zelfvoldoening:
--Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn
spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.
Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.
--Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar
zijn stam terug te keeren? vroeg hij.
--De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan;
zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.
--Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een
beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.
--De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de
afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet
veel uit.
--Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het
dorp zijner vaderen.
--Zoo doen immers alle menschen?
--Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.
--Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?
--Ja.
--Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen
dorpen terug?
--Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan
de overzijde van de "groote rivier met de gouden golven."
--Ooah! riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er
vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.
--Hoedat, hoofdman?
--Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?
--Neen, zei Loer-Vogel kortaf.
--Ooah! mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen
wanneer hij hen niet vergezelt?
--Ik ga naar den kant der zon.
De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden
blik.
--Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.
--Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land
van Acatlan [14] aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh [15].
Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel hield
zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende
gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite
deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.
--Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.
--Waarom?
--Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig
is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.
--Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.
--Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er
heen te gaan!
--Ja.
Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep
stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn
calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen
worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:
--Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen
toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder
twijfel groot belang in deze reis?
--Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in
die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt,
en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.
--Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te
dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan
er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet
ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne
bedoelingen edel en goed zijn.
--Dat zijn ze.
--Ooah! Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.
Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet
weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der
Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op,
wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een
magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige
voor zijn vertrek gereed te maken.
Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek
niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer
hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds
klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel,
met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste
signaal tot den marsch.
Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg
geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit,
op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige
woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen
onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in alles te
gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren
hem de Gambucinos met een luid hoerah.
Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De
mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem
bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij
ontvangen zou.
Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles
behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester
hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het
onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden
blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens
gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te
belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van
don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover
zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende
wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.
Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs
gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite
ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog
niet volkomen geheelde wonden.
Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van
Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe,
en gaf het sein tot den afmarsch.
De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando
van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel,
vooreerst langs den oever der Rubio.
In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano,
de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en
de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende
kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en
weldra geheel verdwenen.
Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw,
in alles zeven personen.
De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op
weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.
Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen,
of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk
in diepe duisternis gedompeld.
Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten
tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste
zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder
overgang op den dag volgt.
Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen
geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden,
zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag
van hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht
niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.
--Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.
Allen stonden op.
De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.
--Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig:
het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt;
wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij
volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven,
tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.
De knecht was blijkbaar ontevreden.
--Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben,
zeide hij.
--Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op
deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan
u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij
intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij
ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan
en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van
daan moogt zonder mijn order.
--Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken;
al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij
mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.
--Goed, zei Loer-Vogel, ik maak staat op u.
Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe,
legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met
de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij
groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen;
zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten
hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de reata, of lasso
die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met
een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker
verdriet van zich wegstappen.
De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den
noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande in pemmican of
gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch--en gerooste maïskorrels.
--Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks
schouderde.
--Op marsch! herhaalden de anderen.
--Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht,
die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet
met hen mogt medegaan.
--Dankje! antwoordden de avonturiers.
Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamde
Indiaansche linie te baat, dat is, zij marcheerden achter elkander,
zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de
derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden of
laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen
uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.
Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel
af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig
bij het vuur neder.
--Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben;
enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!
Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne
cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes
turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door
het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij
genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige
kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).
XXVII.
EENE JAGT IN DE PRAIRIËN. (Vervolg).
In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch
grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord,
moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te
beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of
men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in
acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is
te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet
maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men
eigenlijk wezen wil.
Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen
bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de
tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg
was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter
weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen,
en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon
worden ontdekt of met list overrompeld.
Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in
Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de
listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze
schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan;
maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas,
die heerlijke type van het volk der Delawaren--wier laatste held hij
echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale,
nog heden bestaat--moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied
der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking van
de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote
Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne
meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig
en laat zich ligt begrijpen.
De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen
staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde
zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften;
de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen
zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden
een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten
dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van
menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk
eene verbazende vlugheid in 't loopen, een allerfijnst gehoor en een
scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in
een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over 't algemeen,
bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.
Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de
wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.
De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide
hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde
beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in
ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al
werkelijk bestaat.
De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel:
het volk.
Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met
de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden,
heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde
deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen,
hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en
daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware
met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver
weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor
een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde
meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen
en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun
verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan,
hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar,
dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer
gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne
periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne
verbloemde taal, de Mexicaansche maan noemen, en gedurende welke zij
straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.
Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen
door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien
van paarden,--een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend
was,--gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug
te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven
verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude
grondgebied te heroveren?
Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan
in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft
ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer
van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht
genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden
waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden,
reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de
Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van
ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.
Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts
eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote,
ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven--zeden
die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner
pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken--wint de Europesche
beschaving--die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars
en tegen het blanke ras in 't algemeen, meer dan om eenige andere
reden verachten--onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en
overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.
Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer
verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,--die in hun vuist
lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun
omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der
Vereenigde Staten die hun bedreigt,--hun natuurlijken rang in de wereld
hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware
niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan
natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei
groote dingen in staat.
Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid
rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van
het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de
kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot
het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven
wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren:
de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche
taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de
Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd
om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol
te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt
natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en
onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!
Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld
van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten
onontbeerlijk, hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar
wij dien hadden afgebroken.
Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras,
bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten
te overschrijden.
Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust
had vergund, werd de togt hervat.
Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort van carno, of keel,
gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier
uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken,
of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar
spoor konden nalaten.
Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame
gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar
overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk
bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamde tierras calientes; alles
was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden
invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge
streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren,
ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte
en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen
zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen
met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen
en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.