over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona
Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan
het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer
te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de
ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der
jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand
over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het
plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.
Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten,
gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het
verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang
ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten
doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige
gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne
rol spelen.
Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van
Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met
lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig
mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken
te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.
Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij
in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting,
maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door
het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar
voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt,
en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te
grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door
een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood
een verlosser beschikte.
Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te
worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd
van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was,
namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid
veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had
ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand
eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze
wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets
anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere
gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen die
hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.
Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei
wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten
hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in
dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren
afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.
Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te
schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.
In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun
gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand,
eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte
door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten
horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde
statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.
Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer
waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware
nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte
omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu
stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens
was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard
te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de
doorgestane angsten en vermoeijenissen.
Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor
de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik
te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de
roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn
paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken
zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende,
begon hij na te denken.
Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder
wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne
kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen,
tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er
gebeuren kon!
Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder
gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden
verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid
zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en
ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht
had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat
van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de
buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede
uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in
de gedachte--die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid
in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis
voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood
het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.
Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de
knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en
luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en
verschrikt opstond.
Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.
Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan
op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug
te brengen.
Hij keek op.
Er stonden twee Indianen bij hem.
Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.
Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde
dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden
zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te
ontmoeten.
Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen
ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen
blik.
--Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open;
hij is zeer vermoeid naar het schijnt.
--Ja, zei don Estevan.
Er volgde een poosje stilte.
--Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral
niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.
--Zoo! zei don Estevan laconisch.
--Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden,
ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.
De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.
--Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie,
ik heb niemands hulp noodig.
--Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een
groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de
hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.
--Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd
van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander
spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit
had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij
weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel
te doen--een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden
waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat
voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen
wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes
of nuttelooze gesprekken te verkwisten.
Addick meesmuilde grinnekend.
--Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne
wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij
heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.
--Voto a brios!--ferm gezegd!--dat noem ik spreken als een man: zoo
bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede
zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel
eens worden.
--Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het
raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten
een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen
zijn uitgeput.
--De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in
onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer
hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.
--Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.
De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der
Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte
plaats was opgeslagen.
De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd
de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende
nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde
volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.
Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen
onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne
behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:
--Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne
ooren geopend?
--Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de
aandacht die ik bezit.
--Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?
--Ja, riep don Estevan met drift.
--Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn
broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen;
een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.
--Dat is waar, prevelde de Mexicaan.
--Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan
wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne
wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.
Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene
krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.
--Voto a brios! bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde
gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen
zoo als gij zegt.
--Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de
Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich
later beklagen.
--Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde
onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk
kennen.
De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer
dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen;
eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:
--Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder
te vergeefs zoekt.
Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene
vergiftige slang gebeten werd.
--Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en
strak aanziende.
--Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.
--Dat is onmogelijk.
De Indiaan glimlachte met minachting.
--Onder mijn opzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar
de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.
--En kunt gij mij daar ook brengen?
--Dat kan ik.
--Op het oogenblik?
--Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.
--Dat is waar, noem mij die dan.
--Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?
--De wraak!
--Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de
Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunne calli's zijn ledig, zij hebben elk
eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; de ciuatl maken
hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn
broeder mij begrepen?
Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid
uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde
zich echter terstond en vroeg:
--Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?
--De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel,
daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen
uitvoeren.
Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat
verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den
dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend
en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde
scheen hem erger dan de dood.
De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar
onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het
binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien
zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling
tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen
bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl
zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart
behalen zou. De strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het
hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen
de minste ontroering verried:
--Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde
aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.
--Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.
--Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de
vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen
over hen kunnen beschikken.
--Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.
--Hoor ons ontwerp, zei Addick.
En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij
volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich
echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het
driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met andere personaadjes
bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans
moeten terugkomen.
XXVI.
EENE JAGT IN DE PRAIRIËN.
De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne
verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning
van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen
voor hen stond.
De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne
verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat
allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.
Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der
woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef
gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden
echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.
Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.
Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug
kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man
te ondervragen.
--Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te
vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij
ons te komen brengen?
De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme
gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in 't rond
te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en
onduidelijke stem te antwoorden:
--Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen!
Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande
echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht
van onderwerping.
--Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij
kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.
Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn
gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:
--Ik heb u verraden! lafhartig verraden!
--Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de
schouders ophalend.
--Ja, ik!
Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als
door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich
ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig
afkeurt.
De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.
--Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar
steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om
het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed
maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best
hoe ik hem aan 't spreken kan krijgen.
De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en
liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd
met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.
Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe
op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den
schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking,
hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.
--Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden
lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben
hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er
gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel
ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad,
daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne
verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te
kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.
--Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder,
antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën
geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.
--Maar in 's hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen
nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen,
onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.
--Ik deed erger dan dat.
--O, o! maar wat deedt gij dan?
--Ik heb.... begon Vrij-Kogel aarzelend.
--Wat hebt gij?
Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.
--Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan
hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden
te regtvaardigen, laat mij begaan.
Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.
--Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u
van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen,
in een woord, hij heeft mijn broeder gered.
--Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.
Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.
--O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?
--Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen
zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.
Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een
donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen
wil en dank.
--Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien
ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige
niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet
tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen
te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij
thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer
zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te
straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten;
nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.
--Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende;
kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten
dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u
dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan
heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of
hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde
mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had
terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij,
met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd,
dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten
eer hij wegging.
Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.
Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans
tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.
De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag
had gedaan bleef alles nog een poos stil.
--Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen
wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker,
het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man
zich verbinden kan.
Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en
sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor
zich zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen
moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende
de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de
woudloopers over zijn broeder uitgesproken.
--Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de
oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij
hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken
en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld
gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van
den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks
tegen ons gewend worden.
--Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij
nog tijdig genoeg aankomen!
En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij
driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager,
van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn
geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken
terug gekregen.
--Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen,
laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat
wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:
--Spreek! riep don Leo.
--Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt
gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide
meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van
uw vijand acht.
--Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.
--Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos
rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs
van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep
moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te
vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons
van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel
te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs
gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke
rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van
moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.
--Maar de meisjes dan? riep don Leo.
--Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil,
zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te
gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar
deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg
over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk
van zal kwijten.
Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins
verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte
drukkende, zeide hij:
--De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige
omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten
tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te
verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs
den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven,
dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.
Don Leo zuchtte.
--Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon,
daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.
--Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen
loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat,
brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik
oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.
--Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen
te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt;
de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert,
zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter
in uwe armen terug te voeren.