ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal
van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde
zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem
eenige woorden in 't oor.
De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap
achteruit en liet de vreemdelingen door.
Zij gingen de poort binnen.
Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich
in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar
ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.
De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo
ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad
niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd
en onvermijdelijk lot te onttrekken.
Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de
plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden
Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts
uitwendig bekend is.
De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten,
loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen,
uitgestrekt plein, dat den naam van Conaciuhtzin, of Zonne-plein,
draagt.
Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de
hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk
de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te
maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger
afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse
en zinnebeeldige evenredigheid.
Vier prachtige Expan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der
vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote
tempel Amantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud
en zilver ingelegde kolommen.
De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt,
den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit
een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn
verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt
in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in
staat om onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet
te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des
tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen
van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische
figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende,
bedekken de wanden. In het midden des tempels staat een teocali of
altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten
en rustende op de groote ayalt, of heilige schildpad. Door eene
kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen
morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool
schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen
is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een
vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekende menhirs der
Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier
kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins
uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te
laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van
menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver
verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des
tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte;
tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone
gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood
veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine,
met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze
gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte
gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid
hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het
gewijde vuur van Moctecuzoma [12] onophoudelijk blijft branden. De
trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen
met versche bladeren en bloemen bestrooid.
Aan de zuidzijde van het plein verrijst de tanamitec of het paleis
van den vorst.
Dit paleis, welks naam letterlijk eene "door muren omgeven ruimte"
aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie-
en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die
met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een
afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers,
strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander
soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen,
als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch
maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch
oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere
vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels
van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen
als wij, zoo niet beter.
Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is
zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez
toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten
aftogt uit Mexico in den bekenden noche triste (jammernacht) op
den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon
is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en
vrees,--wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk
der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar
hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet
kon worden uitgewischt.
Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde ciuatl-expan, of het
paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der
mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon,
uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen,
terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou
durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt
in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even
als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van
eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een
man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat
haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de
tegenwoordigheid van een derde persoon.
Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel,
verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van
eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien,
moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.
In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid
bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De
geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden
worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand
haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping
volstandig te volgen.
Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het
prachtigste en tevens het somberste van allen.
Dit gebouw heet Iztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient
tot woonplaats voor den Amanani en de Chalchiuk--priesters.--Men kan
zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw
voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten
riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks
het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende
stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht,
wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke
geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de
verschrikte Indianen in hun slaap storen.
Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is
opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne
onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze
zelden trouwen en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang
met de sekse onthouden.
Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop
van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen
zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit
veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst
zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet
toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne
voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets
van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens
worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten
zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na
het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest
geëerbiedigde man van zijn stam.
Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is,
moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt
nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en
houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de
regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige
staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en
met verdubbelde kracht.
De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der
steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei
soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap
duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich
verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer
hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft
men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige
handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels
die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der
voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot
het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en
gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren;
de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen
voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt
met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.
De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren
daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel
zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar,
blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit,
zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het
schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker
zedeloosheid.
De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des
voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten,
en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is
bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint,
weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen--meubels,
huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft
volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche
kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor
den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen
voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.
Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn
belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het
toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen
kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid
in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.
De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in
Europa, met klinkende specie--die over het algemeen, onder de Indianen
weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel
met de blanken gebruikt wordt--maar door middel van ruiling. Dit
eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel
onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in
het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of
ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt
of noodig heeft. Ziedaar alles.
Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren
kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick
en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad
te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.
De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een
gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem
in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.
Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester
te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren
van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen
edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een
van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden
even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om
zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang
te moeten verschuiven.
Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te
verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen,
dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk
zou beloonen.
Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld,
en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd,
begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen
gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura,
die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans
schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig
de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don
Miguel te zullen vinden.
XXV.
EEN DRIETAL SCHURKEN.
Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich
verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig
nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes,
die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.
Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der
zonnemaagden opsluiten.
Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick,
met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling
van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo
een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst
verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden
onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten
beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.
Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter
tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan 't licht kwam.
Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die
haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het
mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel
onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat
weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster
voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis,
en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel
zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde
te bestrijden.
Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig
verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in
haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde
zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin
en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden
hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.
Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge
meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet
poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke
rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene
redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door
tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare
vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe
gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw
van haar geleider.
Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer
bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet
uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat
vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa
daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door
don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was,
en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu
weder zou te hulp komen.
Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent
de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet
welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en
vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg
op dit punt of ontweek telkens hare vraag.
--Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van
don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die
hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol
bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen
tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.
--Querida de mi corazon--mijn allerliefste hartje, antwoordde dona
Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich
op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel,
omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop
op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om
eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.
Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat
Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend
aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.
Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden
kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die
niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting
had, ja dien zij naauwelijks kende?
Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet
meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet
weder genoemd.
Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat
de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst
zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en
dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder
aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De
Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner
broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee
Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote
verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met
de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat
Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge
meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen
der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder
voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor
ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.
De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge
meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen
woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig
uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers
zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort
op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene
Indiaansche manza--beschaafde vrouw--gehuwd, die niet ver van Monterey
hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om
zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren,
ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste
vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel
ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde
of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid
gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt,
begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar
vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die
geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt,
ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten
die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.
De vrouw van Atoyac heette Huitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig,
zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig
geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij
moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil
van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in
het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om
de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.
Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men
niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen
dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken
met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp
verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De
Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid
was voor de meisjes eene aangename afleiding.
Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds
te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats
hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten
dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar
een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer
vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet
dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw
veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke
rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare
nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige
woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en
welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer
zij weigerden zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt
was dus alles behalve geruststellend.
De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat
waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren;
hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk
geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende
angsten verscheurd.