zal zijne vrienden in 't oog houden.
De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was
gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen.
Het opperhoofd hield haar terug.
--De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne
zuster zich naast mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is
thans in lijfsgevaar.
Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee
Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in
het kreupelbosch hooren.
De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten
onbeweeglijk in voorovergebogen houding.
--De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande.
--De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met
een vriendelijken blik.
Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in
de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen
belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij met de meeste
zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich toen ter sluik naar de
plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde sterker werd.
Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met
moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende,
of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard
staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten hals, de vier
pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en
den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er
van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek.
--Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan
en het prachtige dier als een kenner bewonderde.
Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier,
dat al zijne bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer
te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen,
slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop,
dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de
onthutste viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den
strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem
zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijne pogingen
nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester
en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen
strijd een oogenblik te verlengen.
Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp,
want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier
van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan
de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren gedeeltelijk
beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat
om dienst te doen.
De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het
toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets
naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt
Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd.
--Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten
op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is! riep zij even
fier als naïef, zoodra zij hem zag.
De Indiaan glimlachte.
--Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem.
En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke
ruwheid dezer ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige
der moeijelijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo
verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hij
hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet
zonder heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige
dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zijne
vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten.
Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te
wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijne
oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alsof hij ergens in de
verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar
de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk
met zijn scalpeermes.
--Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof
hij door een ontspannen springveer werd opgeheven.
De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan,
--Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar.
--Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in
het bosch.
--Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren.
--Zullen wij hen daar volgen?
--De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne
mocksens gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen.
--Zou mijn vader hier aan twijfelen?
--Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen;
zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een
bleekgezigt in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde.
--Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij.
De Roodhuid glimlachte.
--Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste
wreken, en dan zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën
der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem
niet vergat.
--Ik ben bereid het opperhoofd te volgen.
--Laten wij dan vertrekken, want het is tijd.
De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield
zich gereed om hem te voet te volgen.
De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare
mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in
zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de
diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten
arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het
zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de
onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot haren dood op
haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij liefhad
noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs
een ongebaanden weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke
duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar
behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter
of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de
minste aanmerking.
Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij
in de rigting van het ons reeds bekende open graskamp.
Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die
hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken?
Dit zullen wij spoedig zien.
Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen
van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan.
--Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben?
Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter
bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo
snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het
gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven,
daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt
niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand
van zulk een karakter nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe
hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij zich hierin vergiste,
was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid.
Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk
kon gebeurd zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig
mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid op
te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou
bewaarheid zien.
Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken
voorzigtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om
iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte,
van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken
met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te
voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals,
en verloor zich weldra achter hem in de duisternis.
Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht
er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen;
maar liet dit denkbeeld terstond weder varen.
--Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien
man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil.
Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand
hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer;
alles was stilte en duisternis.
Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar
de kuil gedolven was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien;
op den rand der glooijing, door de uitgeworpen aarde gevormd, lag
een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.
De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem
dadelijk herkend.
--Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich
met een grijns oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen,
de ondankbaarheid is eene ondeugd der blanken, de wraakzucht is een
deugd der rooden.
Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde
gerigt.
--Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou
het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes zich
onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede
lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste
onder de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste
toevlugtsoorden terugdringen! Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze
twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder
afmaken, ieder zijn deel van den buit!
Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter
voelde hij eene hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem
fluisterde hem zacht in het oor.
--Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den
Vliegenden-Arend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit?
Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne
innigste gedachten overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen
diets te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot
over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf
onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen
die aan zijne voeten lag uitgestrekt.
--Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend.
--De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien,
toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam.
--Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman
is dapper, zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de
Vliegende-Arend is beroemd wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus
het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi laten.
--Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd
is met wijsheid vervuld, en wat hij doet is goed.
De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne
jonge vrouw.
--Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij.
De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien;
de twee Indianen knielden bij den gewonde neer, die nog altoos
onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel der harsfakkel hem
met naauwlettendheid te onderzoeken.
Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het
pistool werd toegebragt; wel is waar had die slag eene geweldige
bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding gevolgd door
bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het
bovenste gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar
had don Estevan den jager op dezelfde manier willen treffen als de
matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne eer in stellen
om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der
toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon
met vaste en vaardige hand, was echter met te veel overhaasting en
dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk te zijn; evenwel, zoo de
Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou de jager
waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten
zijn verslonden, die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven.
Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over
den schouder een perkamenten zak met zich, in den vorm van een
weitasch, die zij hun medicijn-zak noemen; deze zak bevat een aantal
geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden gewoon zijn hunne op
de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede eenige
heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts.
Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde
de Indiaan tevreden het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk
gereed om het eerste verband te leggen. Met een van obsidiaansteen
[10] vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij,
geholpen door de Wilde-Roos, rondom de wond het haar weg te scheren;
vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak en haalde er een
handvol oregano bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met
Spaanschen brandewijn, zoogenaamde refino vermengde. Wij kunnen hier
in 't voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen
de brandewijn eene voorname rol speelt. Bij dit mengsel deed hij
een weinig water en zout, en bereidde alles tot een vrij dikke pap,
die hij, na de wond eerst met refino en water te hebben gewasschen,
er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp van een
abanijo blad vasthechtte.
Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van
tien minuten slaakte de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte
zich op, naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit
een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in staat is om de
hem omringende voorwerpen te onderscheiden.
Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen
staat van halfbewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in
zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken
verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebragt.
--Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem,
terwijl hij het opperhoofd zijne hand toestak.
De Indiaan drukte die hartelijk.
--Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon.
--Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde
Vrij-Kogel.
--Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken.
--Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen,
zoo waar als ik Vrij-Kogel heet, antwoordde de jager met nadruk.
--Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan
de deur van zijn wigwam ophangen.
--Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn,
maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur.
--Wat denkt mijn broeder dan te doen?
De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het
gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden.
--Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij.
--Omtrent een uur.
--Niet langer?
--Neen.
--God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn.
--O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid
verstandig aan.
--Dat is waar.
--Wat wil mijn broeder doen?
--Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld,
antwoordde Vrij-Kogel nadenkend; door de inspraak van mijn hart en
de herinnering van een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik
eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; ik zie
thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u
zeggen dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer;
ofschoon het hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding,
zich te hooren verwijten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een
kind, en zich aangesteld als een gek.
--Gij dient ten minste toch te besluiten.
--Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste
valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig
mogelijk van het gebeurde onderrigt moeten worden, of de gevolgen
mijner dwaasheid zijn niet te berekenen.
--Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen
eene onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk
hard, als een grijsaard het hoofd moet buigen voor verwijtingen,
hoe welverdiend zij ook mogen zijn.
--Maar wat dan?
--Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou
kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe
vrienden de bleekgezigten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen;
ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en gij zult niets van hun
ongenoegen te duchten hebben.
Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezigt van den ouden
jager rood van verontwaardiging.
--Neen! riep hij forsch, ik zal mijn misslag niet vergrooten door eene
lafheid, ik moet de gevolgen van mijne dwaze handeling ondergaan;
ik zeg u dank, hoofdman, voor uw goed gemeend voorstel, maar ik kan
het niet aannemen.
--Mijn broeder is er meester van.
--Laat ons haast maken, riep de jager, wij hebben reeds te veel
tijd verloren; God weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke
onheilen er misschien uit zullen voortvloeijen. Als ik ze niet meer
kan verhoeden, is het ten minste mijn pligt om er de kracht van te
verminderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddelijk naar
het kamp.
Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige
drift op.
--Ik heb geene wapens, riep hij, de ellendeling heeft ze mij ontroofd.
--Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken, antwoordde de
Indiaan, in het kamp zal hij wapens genoeg vinden.
--Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van
hier heb laten staan? Ik moet het dadelijk zoeken.
De Indiaan hield hem terug.
--Het zou u niets baten, zeide hij.
--Waarom niet?
--Die man heeft er zich meester van gemaakt.
De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd.
--Wat nu? mompelde hij.
--Mijn broeder neme mijn paard.
--En wat gij dan, hoofdman?
--Ik heb er nog een.
--Ah! riep Vrij-Kogel.
Op een wenk van den Vliegenden-Arend bragt de Wilde-Roos het andere
paard.
De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor
ditmaal, om zoo veel spoed mogelijk te maken, zijne vrouw achter hem
opzitten en nu reden de twee ruiters, met het hoofd over den hals
hunner paarden gebogen en met gevierden teugel in vliegenden galop
naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder nieuwe
ongelukken aankwamen.
XXIV.
QUIEPA TANI.
Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie
terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe
is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal
weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes,
die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen
naar de stad Quiepa-Tani.
Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den
Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond,
ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog
veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot,
terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar
dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee
in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon,
dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier
uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche
vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van
hun eigen stam.
Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten
wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst
der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij
onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van
de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen
zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet
dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts
weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste
niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.
Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee
gevangenen--want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af
dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,--had eerst gedacht om ze
naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke
der twee hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden
hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand
tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk
met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken,
daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange
reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats
lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af,
terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de
stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de
zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter
hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte
beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.
Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere
plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem,
en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te
volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield
hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg
van zijn zoogbroeder Chicuhcoatl [11] den Amantzin van Quiepa-Tani
toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van
den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen,
tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick
gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone
gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.
De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden
van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat
van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op
het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder
bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar
op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd,
wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten
hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en
met christelijke gelatenheid zich overgeven aan de zware beproevingen
die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden
te verduren hebben.
Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te
midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en
bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied
te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk
spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.
Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben
gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo
onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart
klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om
te worden binnengelaten.
Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor
de poort.
Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld,
die hun den doortogt versperde.
Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste
stadsbeambten te herkennen, stond op van de butacca--zitbank--waar
hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met
afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan,
terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten
met de grootste aandacht bekeek.