weinige oogenblikken toen zij naast elkander het kamp binnentrokken,
bespiedde hij van ter zijde het gelaat van don Mariano; de caballero
was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm en onbewegelijk.
De jager schudde het hoofd.
--Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven.
Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter
de Gambucinos gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de
verschansingen plaatsen; zich toen tot Loer-Vogel en don Mariano
wendende, zeide hij:
--De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van
mijne gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen.
De beide mannen maakten eene buiging.
Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers
om hem tot voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op,
geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de
tent binnen, gevolgd door don Mariano.
Het gordijn werd achter hen nedergelaten.
De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden
te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige
versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te
doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en
strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien
minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap
gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog: die drie mannen waren
don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent,
waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond
zullen mededeelen.
Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid,
was op het eenvoudigst gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt
gesloten palankijn; in den tegenovergestelden hoek lagen eenige
stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf
bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen
uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was.
Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een
vriendelijken wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels
plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader
bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder.
Don Miguel nam toen het woord.
--Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats
gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige
nadere toelichting, vooral in het vooruitzigt op de waarschijnlijke
verwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan
welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te nemen. Wat
ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het
is dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft,
hij weet nagenoeg waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo
ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen,
is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en
mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot nut
kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen.
Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees
dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding
heen wilde.
--Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat
ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste
gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was?
--Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u
de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel
gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen.
--Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel
u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot
dat hier gesmeed werd. Maar, vervolgde hij bij manier van invallende
gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er
gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij
de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp
heb ik hem echter nog niet ontmoet.
--Van wien spreekt gij?
--Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen.
--Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp,
waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had,
heeft hij mij verlaten.
--Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk? vroeg de jager met een
blik op den caballero.
Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de
oplossing liefst aan Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben
bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij eenigzins
verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling:
--Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u
zou hebben gevoegd, en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u.
Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen.
--Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo
lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft.
--Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet
gaarne langer wilde voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij,
thans ben ik tot uwe orders; spreek op, ik luister met aandacht.
--Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman;
die naam zal u misschien eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben
noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo
de Torres.
--Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van
mijn dierbaarsten vriend!
--Die ben ik, hernam de jongman kortaf.
--Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd,
twintig jaren geleden, met zijne gansche familie vermoord door de
Apache-Indianen, op de rookende puinhoopen zijner hacienda, die zij
met storm hadden veroverd.
--Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie
mij eens goed aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die
uw geheugen kan te hulp komen?
De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders,
en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid.
--Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan
in zijn oog blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het,
nu herken ik u.
--O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke
bewijzen in handen om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat
doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te
zeggen had.
--Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik
na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit
meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, ja bijna de broeder uws
vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te mogen zorgen.
Don Leo--want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam
noemen--fronste de wenkbraauwen, zijn voorhoofd betrok zigtbaar en
hij antwoordde met eene sombere, bevende stem:
--Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens
die gij mij betuigt; geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik
verzoek u thans het geheim van mijn langdurig stilzwijgen in mijn
hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij vergund zijn
te spreken, en dan zult gij alles vernemen.
Don Mariano drukte hem de hand.
--Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem;
maar onthoud daarbij eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader
hebt wedergevonden dien gij verloren hadt.
De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij
in zijne oogen voelde opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze;
daarbuiten in de woestijn kon men de wolven hooren keffen, dit was
het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde.
Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den
grond gestoken fakkel van ocote-hout, wier flikkerende vlam op het
aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en lichten deed spelen
en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf.
--De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten
vertoonen zich heldere witte streepen; de nachtuilen onder het loof
verborgen, begroeten den terugkeerenden dag; de zon zal spoedig
verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden mede te
deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven
mag, zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te
herstellen dat don Estevan bedreven heeft.
De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort:
--Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was
ik voor eenige maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen
verpligtten mij tot een vrij zonderlinge levenswijs; ik verkeerde
met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate de
gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen,
al naar gij mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik
mij daarom aan misdadige aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u
zeer vergissen: ik deed alleen wat een groot aantal onzer medeburgers
doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien door de
commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die
met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat
geen gevaar kan.
Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik;
zij begrepen, of meenden ten minste dat zij begrepen hadden, wat
hij bedoelde.
Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte,
en vervolgde:
--Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major:
daar kwam ik dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello,
een oud man van ongeveer vijftig jaar, maar een driedubbele schurk,
woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die onder den schijn van
een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste
hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver,
en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig
bekend met de geheimen van een groot aantal familiën, en stond in
verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de
hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn
pothuis bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was
beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij
het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met
zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon,
wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en
merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van
een mystère; met het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide
armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep.--"Die man?" vroeg zij,
op mij wijzende.--"O!" antwoordde de evangelista, "hij heeft te veel
pulque gedronken; 't is een arm onderofficier zonder beteekenis:
bovendien slaapt hij." Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens
haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te
voorschijn.--"Schrijf dat af," zeide zij tegen den evangelista, "ik
zal er u twee oncen goud voor geven." De oude fielt nam het papier
aan en zag het in.--"Maar dat is geen Spaansch!" riep hij.--"Het
is Fransch," antwoordde zij; "maar wat geeft gij daarom?"--"Ik in
het minst niet," was zijn antwoord; hij nam zijn papier en pennen,
en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er
mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over
voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift
in den vorm van een brief, dicteerde den evangelista een kort adres,
dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare keurs,
en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien
de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer
verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge
meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte
mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, daar hij het slot
van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet
tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen,
die, zooals duidelijk bleek, niet bekend wilde zijn, want hij had zich
digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van zijn sombrero was
diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij
reeds een bewijs van ontevredenheid.--"Wie is die man?" vroeg hij op
mij wijzende.--"Een arme beschonken vent, die zijn roes uitslaapt,"
was het antwoord.--"Er is zoo even een meisje weggegaan."--"Dat kan
wel zijn," mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze
vraag.--"Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak," antwoordde de
onbekende trotsch, "ik ken u wel, en zal u betalen," vervolgde hij, een
zware geldbeurs op tafel werpende, "antwoord dus, zeg ik u!" De oude
vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren op eens verdwenen,
toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.--"Een jong meisje
is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens."--"Ja."--"Wat
heeft zij van u verlangd?"--"Dat ik een Franschen brief voor haar
zou overschrijven."--"Goed, laat mij dien brief zien."--"Zij heeft
hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen."--"Dat
alles weet ik."--"Wat wilt gij dan meer?"--"Wat meer?" herhaalde de
onbekende grinnikend, "houd u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker
een copie van dien brief gehouden, die copie verlang ik te zien." Ik
kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders,
dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij
toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken
te geven, dat hij gelukkig begreep.--"Ik heb er niet aan gedacht,"
antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig
onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het
was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.--"Enfin," hervatte hij,
"zij zal wel terug komen immers?"--"Dat weet ik niet."--"Dan weet ik
het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren
van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het
antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?"--"Dat zou ik u
niet kunnen zeggen." De onbekende haalde de schouders op en zei met
nadruk: "Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten
zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan
niet zoo onhandig als van daag." De evangelista grijnsde van genoegen
en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; maar bij het maken
van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken,
zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg
om zijn aangezigt te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om
niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was
don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel
weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. Naauwelijks
was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste
mij voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: "Nu hebt gij met
mij te doen!" Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat
zulk eene vreesselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn
pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker
meende dat ik hem wilde ontrooven.--"Ik ben een arm oud man," riep
hij.--"Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?" vroeg
ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn
lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen;
ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.--"Ziedaar,"
zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, "van iederen brief
dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter
hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven;
maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat
meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik
het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal
u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen,
dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond." Met deze
bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter mij
sloot, hoorde ik hem mompelen: "Santa Maria! in welk een wespennest
heb ik mij gewaagd!"--Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het
jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was
novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uwe dochter bevond. Dona
Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen,
had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano....
--Mijn schoonbroeder en haar doopvader! riep don Mariano.
--Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa
gelast om aan senor Serrano, door middel van brieven, de misdadige
plannen te openbaren die haar oom tegen haar smeedde, en hem als den
besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp te komen en in
zijne bescherming te nemen.
--Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano.
--Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs,
met het voornemen uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen
beter te leeren kennen en op het regte tijdstip te kunnen verijdelen
hield hij zich alsof hij van niets wist, liet hare brieven door de
novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en schreef
er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco
de Serrano geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan
diens kamerdienaar had omgekocht, die ze hem allen onopengebroken
ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester te geven. Deze
slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval,
of liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio
Leporello had gevoerd.
--O! murmelde don Mariano, die man was een monster.
--Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging;
de omstandigheden schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te
gaan dan hij misschien zelf gewild had; niets ten minste bewijst dat
hij den dood van uwe dochter wenschte.
--Wat kan hij anders gewenscht hebben?
--Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen kon hij
dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer
men zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter
zonde uitloopt, heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen,
niet kunnen voorzien dat ik in de uitvoering zijner plannen zou in
den weg treden,--eene tusschenkomst die hem moest doen stil staan
of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. Dona
Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar
niet zou ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van
tijd tot tijd deed toekomen, in de brieven die ik haar schreef namens
den vriend tot welken zij zich had gewend; wat mij betreft, ik hield
mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude zijn. Op
dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan,
dona Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af
te leggen; de daardoor gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis
was woedend en besloot er een eind aan te maken. Het ongelukkige
meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn beroofd,
werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet,
waar zij van honger moest omkomen.
--O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen.
--Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze
barbaarschheid niet schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts
zijdelings medepligtig aan. De abdis alleen was de schuldige. Don
Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en deed er zijn
voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der
menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den
dag zelf van het gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende
landloopers en bandieten waarmede ik den volgenden nacht door list
in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij gewapenderhand
uwe dochter op te ligten.
--Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en
verbazing. Mijn God! dus is zij gered en in veiligheid.
--Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door
Loer-Vogel, haar verborgen heb.
--Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de
jager met een schalkschen lach.
Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was
zich zelve niet langer meester.
--Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden
kan, mijn arm dierbaar kind!
--Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon
houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al
mijne gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona
Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde ik mij om de spionnen
van 't spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet
gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende,
daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar
verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte ik er geen
geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er
niet noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij
had. Dank zij de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn
zoo digt mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen,
wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen,
om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen
dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg
bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets
meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen
kennen en er u heen te leiden.
--O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano,
schier uitgelaten van blijdschap. God zij gedankt! ik zal mijn kind
wederzien? zij is gered.
--Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene
holle stem als uit het graf.
De drie mannen keerden zich verschrikt om.
Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde
en met bloed bevlekte kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het
opgeheven gordijn aan den ingang der tent.
XXIII.
DE VLIEGENDE-AREND.
Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen,
zijn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op
hunne hoede te zijn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs
de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als verschool zich
overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt om
de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking
brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun
spannen.
Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een
bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd,
en ofschoon nog zeer jong, had hij zich reeds een grooten naam gemaakt
bij zijn stam.
Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het
doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals
het in dergelijke gevallen meestal gaat, eene soort van verwarring
ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, en het kordon om
het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid
maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem
lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk
begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne
verwijdering werd opgemerkt.
Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan,
oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus
staan en wendde zich naar zijne vrouw, die hem kort op de hielen
was gevolgd.
--Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij;
de Vliegende-Arend is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet
langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen.
--Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos
schroomvallig.
De Indiaan glimlachte loos.