--Welk?
--Dat gij u verbindt om ons te volgen.
--Ben ik dan uw gevangene?
--Wel neen! verre van daar.
--Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?
--Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.
--Hoe kom ik dan hier?
--Kunt gij dat niet vermoeden?
--Ik wacht van u de verklaring.
--Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd,
zijne teregtstelling zoudt bijwonen.
Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.
--Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min
of meer huiverend.
--Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.
De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo
treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.
O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.
--Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven;
hij moet zich zelven dooden.
--O! dat is verschrikkelijk! In 's hemels naam! zeg mij alles: ik
verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen
mag, liever dan die akelige onzekerheid.
--Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het
maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.
--Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn
paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.
Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard
terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:
--Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk
laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij
dezen nacht doen wilt.
--Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan
ware ik een broedermoorder.
--Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het
werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende
om een schuldige te straffen.
--O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet
overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige
woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden,
thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf,
en zal ik herstellen wat ik misdeed.
Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem
met een strengen blik in 't oor:
--Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het
is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.
Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het
besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn
paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend
gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.
Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel
in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.
--Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het
is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder
naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden
blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp
slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.
--Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.
--Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.
--Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.
Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne
bedienden stilzwijgend gevolgd.
Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij
de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen,
don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een
groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras
in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn
paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde
bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in 't hoofd te hebben;
naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp
een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte
en volslagenste eenzaamheid heerschten in 't rond.
--Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen
zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene
lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!
Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd
te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard,
nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een
kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te
gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig
zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte
voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven
de vorige woorden:
--Het moet zoo zijn!
Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen,
wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept
en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn
welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het
hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend
naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan
staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn
gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar
wezen aankondigde.
Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk,
en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al
te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en
slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks
had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van
paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het
woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd
volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters,
die in gesloten kolonne voortreden.
Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den
afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.
Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de
schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog
te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam,
om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok
weder naar het veer del Rubio.
Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder
de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen
verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer
volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn
tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel
waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn
geweten en God.
Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de
Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden
hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen
Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te
zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of
zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de
onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en
het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te
laten afschrikken.
Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek
te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner
stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk
geheel in de verte wegstierf.
Nu rigtte hij zich moedig op.
--Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder
naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste
zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven
rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het
wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij
zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te
verspillen; gaan wij dus voort.
Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen
tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de
wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers,
zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare
vijanden omgeven zijn.
Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke
tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden
plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een
ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel
als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere
hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.
De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.
Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp;
don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de
borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt
en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht
allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof
zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen,
en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra
trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat
hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf,
rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den
mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen
welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen;
zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig
om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om
zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd
en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:
--Mijn God! mijn God! vergeef mij!
Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.
Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt,
de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar
zachte stem antwoorden:
--God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.
De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man
die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke
ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden
gil, en viel in onmagt.
De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood
redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben,
niemand anders dan Vrij-Kogel.
--Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik
tusschenbeide kwam.
Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op
bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was
werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak,
vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.
De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil
was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan
alle zijden digt omsloot.
Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te
spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan,
om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op,
om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar
den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag;
na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren
bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.
Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame
woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand op dit
oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van
een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd
hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij
protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,--wanneer iemand dit
vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan
eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en
in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel
onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond
delfde werden de moeijelijkheden grooter.
Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij
den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag
van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over
zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige
onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke
voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.
Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken
en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De
jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was:
en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen,
trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde
hem op den rand neder.
Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden,
dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf
gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne
longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht;
daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal
aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van
den bewusteloozen don Estevan.
De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige
gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik
toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De
plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame
reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.
Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot
bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en
tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.
--Ik dank u, zeide hij.
De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan
te nemen.
--Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.
--Wien dan?
--God!
Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig
begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk
zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige
nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde
zachtmoedigheid:
--'t Is waar, God eerst, en dan u.
--Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en
een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren
geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik
u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling;
ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant
mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander
niet meer en onze wegen loopen uit een.
--Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon
van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.
--Wat kan ik meer voor u doen?
--Alles!
--Ik begrijp u niet.
--Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt
geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn
van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven,
of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed,
Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des
doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te
langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen
mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed
des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.
--Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.
De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige
oogenblikken ernstig na.
Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende
gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van
den Canadees afwisselden.
Deze sprak eindelijk.
--Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan
beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen
toestand als die waar ik u uit geholpen heb.
--Gevoelt gij het nu?
--Por Dios! daar valt niet aan te twijfelen.
--Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij
te verdedigen.
De jager schudde het hoofd.
--Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.
--Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien,
gij mij zoudt hebben laten sterven?
--Misschien!
Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij
schoot den jager een vreesselijken blik toe.
--Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.
--Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen
waart gij naar verdienste gevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar
vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien heb
ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg--en
erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die
noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw
onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.
Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij
achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde
hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.
--Maar waarom? vroeg hij.
--Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als
u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om
eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens
teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik
vermijden moet.
--En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij
geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat
zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer
wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam
van eerlijk en loyaal gesteld is.
--Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven;
maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan
laten.
--Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel
zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.
--Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende
de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud
zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.
--Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik
wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.
--Neen, dat niet.
--Waarom niet?
--Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat
gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in
de Prairiën terugkomt.
--En als ik dat niet verkies te zweren?
--Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel
door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen
vereffend.
--O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij
oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de
reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der
blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.
--Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard
niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij
berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.
--En gij dan?
--Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers
als ruiters; komaan, beslis nu maar.
--Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.
--Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt
derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?
--Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar
kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de
struiken?
Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan
aanduidde.
Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot
hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp
vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag
mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid
toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot
en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.
Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat
en verachting.
--Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe
zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het
te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christo! en ik
zal mij wreken.
Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten
hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling
al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of
hij dood dan alleen gewond was.
--Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet
sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij
betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen
heb om mijne wraak te volvoeren.
Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld,
om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand
van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.
XXII.
HET KAMP.
Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun
kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen, die zij tot
bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, niet verontrust geworden.
Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der
Mexicanen, en zoodra hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet.
Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den
caballero ontving, hoe welgemeend ook, was tamelijk droog.
De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen
zijn pligt had gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den
last der verantwoordelijkheid die hij in deze zaak had op zich genomen.
Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in een
eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden,
dan om in koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen
wien men geen reden heeft van persoonlijken haat of wrok.
De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten
van don Mariano; hij kende het menschelijke hart te goed, om niet
te weten dat de caballero het bedrijf waartoe hij de Gambucinos
had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, diep
verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden
ten dienste gestaan.
Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano
gepleegd, en hoe afschuwelijk zijn gedrag ook geweest moge zijn,
het stond zijn broeder niet vrij om de wet der Prairie op hem toe te
passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar van
hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs,
alle gevoel van barmhartigheid was uitgedoofd.
Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan
waren verloopen, was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij
dit bedrijf uit een geheel ander oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich
onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt had om in deze zaak zoo te
handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van strenge maar
strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord
en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet
anders dan dat don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten
zou doen en van den dood zijns broeders rekenschap zou vorderen.
De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano
hem zou kunnen doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus
den caballero van verre ontwaarde, werd zijn door sombere gedachten
zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit ook wezen mag,
Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen
woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt,
niet de minste zweem zelfs van ontevredenheid, die den jager kon doen
vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere punt in
't verhoor te nemen of aan te vallen.