weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben
bevolen, hervatte hij:
--Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat
gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd
om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered
had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij
te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.
Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder
stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid;
hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met
een spottenden blik.
--O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij
wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen
te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen,
voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt
van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik,
en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als
uwe zoetsappige snorkerij.
Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar
van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel
voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte
hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag
begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren,
besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij
des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem
kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren,
en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware
licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:
--Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is
onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een
misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf
zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb
de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid,
den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros,
dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog
te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van
een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen
van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de
verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van
hem dien het aangaat.
--Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd
dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.
--Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit,
ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die
altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit
begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan
men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin
heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en
wettige middelen.
De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon
elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar
zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen
te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk
eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve
ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand
die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde;
op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om
hen te bedriegen?
--Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van
lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is
eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde
liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak,
vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende
dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag
van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden,
daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel
bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non
te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik
u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te
verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij
met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam
mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren
had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch;
misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar
in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen,
wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat
ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem
den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had;
hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te
verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef
en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht
in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den
sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens
dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken
loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag
toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster;
toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het
oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich
en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk
teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel,
om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene hevige scène
die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene
hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze
tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne
kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en
onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over
nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het
jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of
andere misdaad.
Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen
naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis;
de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid
lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene
troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne
nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een
der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat
ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad,
sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden
en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn
afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk
levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan,
een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na
te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag
tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds
op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is,
ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest;
maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.
De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende
stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er
geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne
toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.
Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.
--Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen
ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat,
waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb
gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van
haar vader wildet terugvoeren?
--Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde
verwondering, moet ik u dan alles zeggen?
--Ja, alles, hernam de jongman kortaf.
--Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het
presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met
oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over
den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.
Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.
--Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij
zulk een schandelijken laster in 't aangezigt zeggen?
De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan
wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde
hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor
de algemeene afkeuring.
Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.
--Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen
man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die
de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt
daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid
gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem
vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over
uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het
leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen
dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij
weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood
of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen,
willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons
nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen,
en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven
van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe
ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?
Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond
ernstig, aller hart klopte hevig.
Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd,
maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij
was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht
van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen,
zijn lot af.
Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord
weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:
--Caballeros, is deze man schuldig?
--Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.
Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden,
weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den
terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.
Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in 't oor:
--Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn
broeder laten bijwonen?
--Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder
daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk
ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen
wij hem het best verwijderen?
--Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.
--Haast u dan.
Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend
eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester
op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de
Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te gaan. Door
den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van
het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het
getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.
Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van
begreep.
--Ik ben verloren! mompelde hij.
Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door
een tooverslag.
--Welke straf heeft de schuldige verdiend?
--De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.
Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:
--Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de
woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet;
de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent
zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste
wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een
onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en
van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om
van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen
inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen
geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt
om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij
jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts
begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven
en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een
kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk
wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met
deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.
--Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om
oog, tand om tand.
Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting
aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed
hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht
had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij
er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter
zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten
om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam
het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend,
met eene gesmoorde stem uitriep:
--O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt
mij liever op eens.
--Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is
uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.
--O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op
eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.
--Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken;
dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.
--O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende,
waar hij in magtelooze woede rondkroop.
--Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.
Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps
op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt
hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam
te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en
beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van
hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw,
knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat
was een lid te bewegen.
Nu ging zijne woede in radeloosheid over.
O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O
mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!
Loer-Vogel trad naar hem toe.
--De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide
hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?
--Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.
--Wel zeker.
--Maar dan zijt gij wilde beesten.
--Wij zijn uwe regters.
--O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.
--Gij zijt gevonnist.
--Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt
moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?
--Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te
maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?
Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige
oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig
brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden
toon:
--Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden
als ik er niet meer ben?
--Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.
Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.
--Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in
zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal
sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en
zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!
De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.
--Ik zweer het u, zeide hij.
De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.
--Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.
Loer-Vogel haalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich
had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.
Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille,
hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar
regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.
Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare
verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht
en smeekend.
--Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is
aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om
zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn,
zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn
broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik
hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.
--Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.
--Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan
gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat
ik wenschte.
De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden
er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen
weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de
rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn
ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den
kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene,
die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.
Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde
den veroordeelde.
--Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel
half raden kon wat er gebeuren zou.
--U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.
--O! riep don Estevan.
Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met
hem deed; hij was geheel verbrijzeld.
Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig
zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte
zich het hoofd.
--Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de
menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme;
gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!
De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne
fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van
het geboomte.
De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging
met akelige spooken vervulde.
Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op
het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.
Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die
zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in
zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.
Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het
u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.
Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don
Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder
dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij
een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette
zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den
naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere
gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat
onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks
zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad
heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs
de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of
zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich
vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.
Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber
en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun
nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de
geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.
Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch
bereikt--waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in
het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om
het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een
pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den
hollen oever aan de overzijde.
Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en
onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der
hevigste ontroering, ja bijna van schrik.
Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.
Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken
die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder
eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten
hield, sprak hij op ernstigen toon:
--Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de
rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven
geregt.
Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt;
de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende
om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.
--Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.
--Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.
Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde
opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika der feiten
gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet,
en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die
tot hiertoe hun gemoed verontrustten.
Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo
onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds,
was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle
deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.
Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats
gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich
sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees,
hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de
zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.
De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der
paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten
later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.
XXI.
VRIJ-KOGEL.
De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts
van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te
paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het
gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.
De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig
in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een
bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is
mijn broeder?
Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs
hun weg met verdubbelde snelheid.
--Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel
van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde:
ik zeg, dat gij op zult ophouden!
--Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.
--Ja, antwoordde hij.