doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij
dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen
is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich
heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.
Don Miguel schudde het hoofd.
--Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt,
antwoordde hij.
--Wat wilt gij toch met mij?
--Dat zult gij zien.
Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne
verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer
moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op
zijn zetel te houden.
Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.
--Hoe is uw naam? begon hij.
--Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.
--De regters wisselden een blik.
--Waar zijt gij geboren?
--Te Mazatlan in 1808.
--Welk is uw beroep?
--Koopman te Santa-Fé.
--Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?
--Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.
--Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.
--Ik moet u onder 't oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u
nuttelooze vragen mij vermoeijen.
--Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?
--Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij
verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren
eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de
plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.
--Waar gaat gij heen?
--Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid
ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame
scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.
--Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij
geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om
uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.
--Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.
--Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen
beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.
Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een
vlammende blik.
--Caballero! riep hij, zulk eene beleediging....
--Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard,
het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.
--Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde
de Mexicaan.
Don Miguel keek hem strak in 't gezigt.
Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.
--Ik zal u voldoen, zei de president.
--Ik luister.
--Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don
Stefano Cohecho.
--Welnu?
--Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.
Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.
Don Miguel vervolgde:
--Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart
te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te
Guanajuato in 1805.
Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd
te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan--gelijk wij hem
voortaan noemen zullen--achtte het echter niet geraden te antwoorden,
maar bleef koel en norsch zwijgen.
Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:
--Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te
Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit
koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk
hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar
Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit
laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te
wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden
blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te
antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.
Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok
te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte
aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten
tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en
antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:
Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan
antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik u por
Dios! dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag,
mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd
zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin
eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten
werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen,
daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek,
voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij,
die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan,
ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar
wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te
gronden tegen een caballero! Cuerpo de Christo! ben ik dan de eenige
in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk
regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen
bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten
uw voorbeeld te volgen? 't Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo
gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen,
laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.
--Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.
--Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u,
don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt,
gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt,
waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene
zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.
--Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak
slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager
maar uw regter ben.
--Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit
wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het
minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat
zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang,
ik heb in 't minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten
te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het
goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.
Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting,
die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan
zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.
--Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel;
niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene
bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier
bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel
der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig
als wij kunnen.
--Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor
den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich
schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de
partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die
voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet;
laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.
Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van
het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man
uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde,
en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:
--Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar
ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met
een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.
--O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij
als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende
oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat
overtoog.
Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat
hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings
het zijne naderende, zeide hij:
--Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne
dochter gedaan?
Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een
blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem
met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling
wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te
houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën
en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van
woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.
Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich
verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen
overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als
hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij
hem in hun hart hadden toegedacht.
Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den
een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij
zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar,
waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord
nam, op de volgende wijs:
--Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben,
wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen
voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem
zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw
geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die
ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen
verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem,
zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het
ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind
werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen
na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed
vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en
gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan,
naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.
Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten
gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en
beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.
--Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.
--Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst,
alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem
gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden
en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij
leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde,
en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was
gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen
had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat
ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te
bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag,
was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den
blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen,
voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar
bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met
blijkbaren ernst: "Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden
dan ik geweest ben." Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het
slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen,
die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet
door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt
en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn
bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en
dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet
konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen;
een geheim voorgevoel,--eene stem des hemels, die ik niet had moeten
veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar
zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de
soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan
de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld
bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik
vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef
ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord te ontvangen;
ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het
wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar
af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de
hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden,
van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar
mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van
dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan;
ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard,
en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van
paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz
van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders
huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin
hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans
had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand
terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar
geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord
van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne
zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had
het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging
ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend,
met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur
stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om
het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar
waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk
en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik
vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur
te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk
zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet
langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.
Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne
stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk
langer kon dwingen.
Er volgde een poosje stilte.
Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat
zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid
gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.
Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester
buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.
--Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God
is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem,
zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij
was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een
mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen
te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt
geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het
klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk,
don Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.--Op zekeren
avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen
in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in
diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten
beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer
weder zoude zien, meldde zich iemand, in een wijden mantel gewikkeld
en met den sombrero diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor
de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid
niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol,
verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen
inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop
die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de
stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en
hem bij don Mariano inleidde.
Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op
en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.
--Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb
bij te voegen zal kort zijn.
Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten
te luisteren, hervatte hij:
--Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere
inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar
waren, maar wier lot u geheel onbekend is.
--Zij zijn dood, antwoordde ik.
--Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil
niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?
Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn
geld en mijne juweelen in verborgen had:
--Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met
goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak,
en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:
--Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand,
wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven,
met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug
zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt,
en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.
Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer
hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens
naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:
Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de
rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem
te vervolgen:
--"Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano
dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij
al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die
man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven
gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is
in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer
de Real del Monte dit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken,
en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man
welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd,
laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk
geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens
in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets
mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang,
zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don
Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die
van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet
weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans
verloren heeft." Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.
Don Miguel hield op.
--Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar
hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij
het misschien die....
--Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei
don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.
--Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden
tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde
in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de
mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat
hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden
heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen
ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien
wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier,
daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken
was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te
onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat,
hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was
aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog
altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot
deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch
opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek
welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare
bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde
kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan,
met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er
zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop
de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u,
tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.
Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar
echter zacht van de hand wees.
--Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij,
wij hebben er nog sterkere in handen.
--Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.
--Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl
hij opstond.
Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne
leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van
voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem
ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel
zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig
het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende
aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende
borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst,
het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.
XX.
HET VONNIS.
De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht
vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde
opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De
Gambucinos verzamelden ocote-takken, die aan den brandenden houtstapel
werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat
wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende
houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen
die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom
het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche
tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.
Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de
aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:
--Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u
niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de
verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt;
maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken;
uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in
veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken
aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijk in pace
waar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien,
don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik
haar uit den grafkelder heb opgenomen.
Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor
de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig,
dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging
alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel
heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos
bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de
zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.