--Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij

heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is

daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een

uur zal aanhouden.

--Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand

wezen zal?

--Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand

overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor

dat hij dien slag ontving.

Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.

--Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen,

ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.

Het opperhoofd gehoorzaamde.

--Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.

--Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het

immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?

De jager en de Indiaan bogen toestemmend.

--Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en

nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man

moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar

brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters

wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene

daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik

herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen,

met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen

worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem

vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te

vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen

veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na,

ik wacht uw antwoord af.

Er volgde een diepe stilte.

Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.

--In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet

doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben

de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook

niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den

last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit,

dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs

aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.

--Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?

--Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken

moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De

Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het

vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en

te veroordeelen of vrij te spreken.

--En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende,

wat antwoordt gij?

Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.

--Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze

knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze

harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij

kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn

alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem

wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen;

vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden,

zijn wij toch nimmer zijns gelijken.

--Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe

vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak

niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden,

trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar

uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.

--De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem;

hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.

Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in

hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen

te voorschijn.

Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de

kolf op den grond, en wachtten op antwoord.

--Wie zijt gij? vroeg don Mariano.

--Jagers.

--Uw naam?

--Loer-Vogel.

--En de uwe?

--Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze

struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd;

gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug

te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man

moet bijwonen.

--Nog iemand! wie dan?

--De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien gij in

den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben

gered.

--Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?

--Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u

op te sporen.

--Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij

tegenwoordig zijn.

--Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat

mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet

hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig

is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij

verpligt zijn aan het licht te brengen.

--Wat bedoelt gij daarmede?

--Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het

kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de

zon ondergaat.

--Maar wie zal hem waarschuwen?

--Ik, antwoordde Vrij-Kogel.

--Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.

--Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer

ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.

Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok

met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als

onthutst naoogde.

--Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees,

die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.

Loer-Vogel schudde het hoofd.

--Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor

u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet,

ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.

Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de

wangen, zoo diep was zijne smart.

--Schep moed, mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.

De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het

hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.

XVIII.

WAT DE REGTSPLEGING VOORAFGING.

Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand,

die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van

Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder

terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste

oogenblik van zijne ontwaking te letten.

Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid

geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen

en kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig

mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de

zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen,

op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne

twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt

de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig

ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen,

wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde,

dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.

Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn

broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de

regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne

regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens

bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken,

door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen

waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik

hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou

komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.

Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog

of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg

van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen

ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend

op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen

oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak

die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct

dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat

de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot

het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren,

om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.

Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte

begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen

tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde,

stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het

bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching

na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te

ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van

een diepen zucht.

--Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.

De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij

zich stil zou houden.

Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano

had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar

toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn

toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.

Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het

verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende

trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van veinzen,

en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen

het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem

gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of

de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven

niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren

welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan,

om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand

hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen

gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.

De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang

der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk

zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die

hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien

of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde

daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde

op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem

grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim

hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid,

daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de

arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord

te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.

Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid,

en bragt hem eindelijk zoodanig in 't naauw, dat hij besloot om het

koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk

ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen,

opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik

om zich heen.

--Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.

--Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel

eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in

de ooren.

--Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is

altijd zoo, als men een val heeft gedaan.

--Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto

gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.

--Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de

zandbank gevonden bij het veer del Rubio.

--Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?

--Ja, eenige uren geleden.

--Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik

waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.

--Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te

bedanken.

--Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze

dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.

--Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers

vooruit zeggen wat er gebeuren zal.

Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne

helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op,

en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten

wilde doorgronden.

--Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.

--Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.

Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en

verontrustte hem meer dan de langste verklaring.

--Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.

--Met al mijn hart, zei de Canadees.

--Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano,

naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde;

en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel....

--Dat is waar, zeide Ruperto.

--Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij

onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.

--Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover

elkander plaatst, zei Ruperto.

--Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij

even als gij, geheel onbekend is.

--Dat alles is juist.

--Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet

denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt

en die hier in de prairie als het ware in 't wild opgroeijen.

--Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.

--Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik

uw gevangene, ja of neen?

--De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon

wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen,

moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën

niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?

--Ik?

--Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd

een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en

onverhoeds op het lijf te vallen?

--Ja, maar die man is mijn vijand.

--Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van

dien man?

--Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.

--Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?

Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.

--Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt

mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.

--Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.

--Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij

naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken,

ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en

voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om

hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.

De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half

spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon

en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.

--Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult:

gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in 't minst niet verschalken;

wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd;

de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen

belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene,

maar gij zijt evenmin vrij.

--Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon

aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder

was geworden.

--Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig

persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans

wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die

tegen u,--niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware

eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan,

maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten,

voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.

--Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel

uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan

doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?

--Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de

woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er

bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke

wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd

gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks

gebiedend vorderen.

--En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo

bleek werd als een lijk.

--De Lynch-wet.

--De Lynch-wet!

--Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt,

u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.

--Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik

begaan? wie is de man die mij beschuldigt?

--Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te

last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin;

maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u

ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe

verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet,

en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen

door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het

u gelukken mag.

Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf

onmiskenbare blijken van radeloosheid.

--Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar

ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in

deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij

naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.

--Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de

inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het

gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik

van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.

--O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.

Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op;

ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle

vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.

De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die

op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene

hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan

den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest

bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs

naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden

te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte

hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen

aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende

vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.

Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg

hij de hand op de borst.

--Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens

magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?

Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.

--Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij;

wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?

Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de

verte en scheen allengs nader te komen.

Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch

van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop

van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide

van Vrij-Kogel het kamp binnen.

--Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan

dit beteekenen?

Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen

in hun midden een man op een baar,--die man werd door don Stefano

onmiddelijk herkend.

--Don Miguel Ortega?--O! o! vervolgde hij een oogenblik later met

een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.--Geen nood, geen

nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos

niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets

weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne

handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor

ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar

nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.

Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of

wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don

Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de

minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te

laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige

houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben

nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar

don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne

paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk

staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging

tot vlugten hem onmogelijk werd.

Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit

zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot

zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze

schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten

in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president

bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne

regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.

Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke

woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en

onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende

als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten,

gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken

volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen

aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige

regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te

gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken

onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel

afvlietende wateren.

Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van

schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet

weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt,

te midden der eenzame wildernis.

--Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af

zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.

Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee

jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van

zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en

voerden hem voor het geregtshof.

Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp

de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.

--Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel,

gij zijt dus mijn beschuldiger?

De kapitein haalde even de schouders op.

--Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.

XIX.

HET GEREGTELIJK VERHOOR.

Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna

van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit

te breiden.

Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam,

welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 13 / 34 段