bewondering die hij den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere
meerderheid kennen dat die der stoffelijke kracht; daarop wendde hij
zich met een glimlach tot Loer-Vogel.
--De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom,
goede vriend, zeide hij met eene zachte stem; die hulp is mij in
deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, dan toch hoogst noodig,
want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand.
--Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere
onheilen voor te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen
brengen.
--Een draagbaar! riep don Miguel.
--Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat
gij zoo spoedig mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt,
verspil dus uwe krachten niet in nuttelooze bravades.
Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het
beweerde van den jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met
behulp der beide Canadezen van zijn paard was gestegen, gaf hij aan
zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar zamen te stellen.
Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel
om hen te volgen en verwijderde zich een eind ver van den troep,
waar hij den jongman op het gras deed nederzitten.
--Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het
oogenblik gebruik maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt
gereed gemaakt, zeide hij; gij zult mij zeker veel te vertellen hebben.
De jongman zuchtte.
--Ondervraag mij slechts, antwoordde hij.
--Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt
gij aangevallen?
--Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk
gegaan, zoo verward zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld
onmogelijk is om er het eerste woord voor te vinden.
--Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien
zullen wij, die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een
draad vinden om u in dit schijnbaar verwarde doolhof den weg te wijzen.
Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de
kleinste bijzonderheden hoe zich de zaak had toegedragen.
Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen.
Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van
verstandhouding; maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping
genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit
te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die
terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven
de jagers teekenen van de grootste verbazing.
--Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke
hinderlaag waarin ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer
zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij
te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat denkt gij er van?
--Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad,
er schuilt achter deze historie eene donkere zamenspanning, die met
veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn
aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. Ik koester zekere
vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus
niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige
zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts
eene vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook
gezien? Hebt gij niet met hen gesproken?
--Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in
den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik
hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik
zijn geweest om een gesprek te beginnen.
--Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde
hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het
wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig
zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om
zich te verbergen.
--O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra
mijne krachten een weinig hersteld zullen zijn.
--Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes
naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij
er u opsluiten als in eene vesting, en geen voet verzetten eer gij
mij hebt wedergezien.
--Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan
te verlaten?
--Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij
bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf
groote diensten kunnen bewijzen.
--Wat wilt gij gaan doen?
--Als wij terug zijn zult gij alles weten.
--Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat
begrijp ik u niet.
--Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel,
dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens
een zeer leelijk gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is
en waarom hij zich tegen u zoo verbitterd toont.
--Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij
goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk
is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven
eer gij vertrekt.
--Wat?
--Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen
zult opdoen, terstond aan mij zult mededeelen, zonder in het minst
iets te ondernemen tegen den man, aan wien ik mij liefst in eigen
persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; hebt gij mij
verstaan, Loer-Vogel?
--Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken
of belangen te treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man
is uw vijand en geenszins de mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan
u over te leveren, of ten minste u tegenover elkander op gelijken
voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met hem
niets meer te maken.
--Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel
in mijne handen heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft,
zal ik hem niet laten ontsnappen, dat zweer ik u.
--Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken?
--Zoodra gij wilt.
Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot
dusver kalm en zoo het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit
woord kwam hij een stap voorwaarts, en Loer-Vogel de hand op den arm
leggende, zeide hij:
--Wacht even.
--Hoezoo, nog langer? vroeg de jager.
--Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige
omstandigheden van het hoogste gewigt beschouw.
--Spreek dan onverwijld.
--Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich
gelieft te noemen, en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne
zaak is er, die mij nog dringender toeschijnt, en die vooraf door
ons ontdekt moet worden.
--Welke?
Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het
bovenlijf een weinig vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen,
dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk sprak, moeite hadden hem te
verstaan, en begon op strengen toon:
--Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de
steden. Daar ginds kennen alle menschen elkander min of meer, hetzij
bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; men is er dikwijls
door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom,
er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke
band, en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de
woestijn is dit zoo niet, daar heerschen eigenbelang en zelfzucht,
de ikheid is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven,
handelt voor zich zelven, in een woord bemint alleen zich zelven.
--In 's hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met
ongeduld in de rede; waar drommel wilt gij anders heen?
--Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts,
gij zult het spoedig weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te
komen: in de woestijn, zoo men niet lange jaren met iemand geleefd, en
zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle lasten of ongelukken
gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich
zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan
onverschilligen of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen
nacht bijna het slagtoffer van werd, heeft hij tweederlei soort van
lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden, zijn vooreerst
verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof
toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de
beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt
gij u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als
mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over de zaak nadenkt,--komt
het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men
begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn
opgerezen, om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen
het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn,
zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te
verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? vraag ik u.
--Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over
nagedacht? het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk
voor.
--Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel
met drift; de prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder
gegeven punt, onder een vreesselijk onweder, menschen zouden worden
gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier om u van dienst
te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben
gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie
verzekert ons bijv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u
aanviel, en dat het geen nieuwe streek was om u des te gemakkelijker
meester te worden, eene krijgslist welke alleen door onze onverwachte
tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral en
onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat
zij willen, in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden
dan wel onze vijanden zijn.
--Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek
aan te vangen, beweerde don Miguel.
De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik.
--Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker
laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander
geval.
--Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste
spoor van hun togt kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand
of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne rigting aanwijst,
hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig
weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als
Vrij-Kogel te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig
schijnt om er op te vertrouwen.
--O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig.
--Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra
begint; want eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte
inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen.
--Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt?
--Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat
op onze belofte en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk
met ons kunt te veld trekken....
--Ik zal gereed zijn.
--Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben
geen minuut te verliezen.
--Tot weerziens en goed fortuin.
De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en
verwijderden zich snel in de rigting van het veer del Rubio.
De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door
zijne kameraden vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp,
waar hij even voor het ondergaan der zon aankwam.
XVII.
DON MARIANO.
Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in
bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.
De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger,
toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden
opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.
Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn
meester naderende, het woord op.
--Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt
beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.
Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.
--Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in
zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus
voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar
de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!
--Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon,
is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen
en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze
jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij
zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt
een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar
laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid
niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker
zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.
--Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik
mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder,
en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet
gaarne onverpleegd laten sterven!
--Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.
Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over
den gewonde.
Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem
onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen
van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te
vergeefs hem in het leven terug te roepen.
--Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u
te verwijderen.
Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige
sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide
hij tegen Bermudez:
--Gaan wij!
Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.
--Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan
tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de
menschelijkheid vereischen.
De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman
stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op
korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij
verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in
zijn binnenste hem toeriep om te blijven.
Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd
hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.
Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.
Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg
toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras
eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd
en naauwkeurig aan 't zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van
het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was
om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs
zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men
don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch
bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde
dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het
terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs,
hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen
de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.
De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk
het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen
verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te
hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en
keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen
tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen
aantreffen.
--Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.
--Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens
zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor
uwe gulle gastvrijheid.
De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:
--Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen,
niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker
een opperhoofd bij zijn volk.
Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.
--Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.
--Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste
gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn
voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te
teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote
geneesmiddel en ook zij hebben colliers, (boeken).
--Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de
geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.
--Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die
teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.
--Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er
eenig belang bij dat ik ze ken?
De Vliegende-Arend schudde het hoofd.
--Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.
--Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te
verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder
bijkomt.
De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.
--Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de
Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.
Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt om
te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te
blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.
--Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon:
de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd,
de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah
ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed
voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben
bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het
slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader
hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft
er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers
bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze
niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand
met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder
te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze
geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn
vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij
dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om
hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem,
terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en
aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.
Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging,
en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt
weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke
angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.
De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met
blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.
Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij
was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere
sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van
dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en
papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek,
dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt
begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano
aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters,
de volgende woorden las:
"Don Estevan de Real del Monte."
Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den
eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren
blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig
trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking
ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong
open en verscheidene papieren vielen op den grond.
Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug
te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te
willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.
--Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te
komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u
later kunnen berouwen.
--Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde
don Mariano met blijkbaren weerzin.
--Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij
de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.
--Maar als ik mij eens bedroog.... als hij eens niet schuldig was?
--Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.
--Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het
regt niet om zoo te handelen.
--Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden
niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.
En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de
portefeuille meester gemaakt.
--Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat
wilt gij?
--Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf
niet durft te doen.
--Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid
tusschenbeide komende, 't is de Wacondah die hem bezielt!
Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te
minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat
hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De
mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de
papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen
de etiquette zondigde.
--O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet
gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar
gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt,
twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog
langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!
Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en
liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen
te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het
hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:
--O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!
--Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.
--Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is
aangebroken.
Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te
grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo
schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot
handelen scheen te maken, keerde om als een blad; 't was alsof hij
grooter werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en
zijne oogen fonkelden van gramschap.
--Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er
moet gehandeld worden.
Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:
--Is die man zwaar gewond?
De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.
Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen
dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en
dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor
hetgeen er later op volgen mogt.
De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.
--Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.