door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel
en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien
vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of
gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano
en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever
naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos
met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter
werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend,
of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.
--Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.
--Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid
vermengd.
Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij
wat er intusschen aan de overzijde plaats had.
XV.
DE HERLEVING.
Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk
onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht
aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon
geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als
zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te
rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een
zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte
weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte
verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld
was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte
lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het
veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere
des Allerhoogsten zingen,--die grootsche hartverheffende hymne--dat
harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën
den mensch, in dezen oceaan van gewassen verloren, nog sluimerend
of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat
omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld
hare verwezenlijking niet vindt.
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de
beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers,
van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom
nedergelegd.
De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was
om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm
en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den
arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder
ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft,
die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had
er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.
De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden
bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke
krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien
hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest
en verraderlijk aanvielen.
Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan welke
zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak
verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral
van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der
Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel
van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden
bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige
gebreken op de Indiaansche wijs.
Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen
en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij
oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap
gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren en aloë-vezels op
de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt
van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen,
dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.
Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen
op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.
De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en
hielden den lijder naauwlettend in 't oog, om bij de minste verandering
zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan
der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.
Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet
dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de
herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het
plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt
zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming
juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een
kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de
oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.
--Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug,
en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren,
zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van
die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.
--Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier
niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.
--Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat
zou inderdaad jammer zijn geweest.
--Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed
is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van
zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij
is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn
kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over
zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er
dan zou gebeuren?
--Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn
paard te leggen of in 't zadel te zetten, daaraan is niet te denken;
wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.
--Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving
waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en
gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige
woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem
gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van
ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd
om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino's te vertellen
wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun
kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig
mogelijk naar het kamp te vervoeren.
--Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik
zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn
langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit
weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk
al onze gangen bespieden.
--Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt
laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding
in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een
avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de
tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar 1824 namelijk,
ik was toen nog jong en ik....
Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende,
dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou
moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen,
door te zeggen:
--Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat
gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.
--Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet
uitspreken....
--'t Is onnoodig, 't is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en
ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel
kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden
teugel wegreed.
Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.
--Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen,
maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan;
ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij
alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en
noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons
geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men
onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven
zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.
Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den
gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd
betoond had.
Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen,
sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen
en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet
spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op
het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de
knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den
jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een
of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien
staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij
te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.
De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou
het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht
dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik
getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen;
hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal
ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de
verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of
hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.
--Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel,
die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt,
de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er
schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te
galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.
Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende
teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand
een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken
en bladeren.
--Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en
in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet,
om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van
blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.
--Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat
buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen,
en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.
Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een
ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met
vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de
pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het
kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond
verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken
en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der
twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.
De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te
zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig
ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen;
maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een
strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer
wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer
gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.
Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had
ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide
vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden
blikken als vuurpijlen.
--Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.
De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden
zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en
bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield
zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze
verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een
weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond
geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn
kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.
Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een
woest gehuil voor de voeten des jagers neder.
De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar
de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had
hem de hersens doorboord.
Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het
losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de
oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde
hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar
zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een
hooger rood kleurde zijne wangen.
--Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.
--Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde
en hem dwong om weder te gaan liggen.
Don Miguel staarde hem verwonderd aan.
--Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!
--Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij
hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u
gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat
ik een vriend van u ben.
--Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde
en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?
--Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met
dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw
leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.
--Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt
gij hier?
--Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan
antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij
niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?
--Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.
Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.
--Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.
--Wie weet?
--Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?....
--Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige
passen van hier heb doodgeschoten.
Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te
denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen
scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg
deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den
jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn
uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op
den ouden jager.
--Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.
--Naauwelijks drie uren.
--Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben
niet meer verloopen dan....
--Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.
--Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het,
een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.
--Gij zijt slechts als door een wonder gered.
--Ik zeg u dank.
--Ik was niet alleen.
--Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat
ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.
--Loer-Vogel.
--Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O,
dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt
veel van mij.
--Dat doet hij.
--En gij, hoe heet gij?
--Vrij-Kogel.
De jongman ontroerde en strekte de hand uit.
--Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn
vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft
mij dikwijls van u gesproken.
--Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.
--Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?
--Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om
hulp te halen.
--Hij denkt aan alles.
--Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken
zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.
--Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.
--Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt,
is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed
dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.
--Deze rivier dus?....
--Is de Rubio.
--Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?
--Ja.
--Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand
blijven zal?
--Vier of vijf dagen.
Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken
gesprek.
--Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de
zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar,
hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.
--Ja, dat heb ik gezegd.
--Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil
een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?
--Dat zou ik wel denken.
--Geef mij uwe hand.
--Ziedaar.
--Goed, ondersteun mij een weinig.
--Wat wilt gij doen?
--Opstaan.
--Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan,
ik geef u verlof, beproef het.
Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich
op de beenen te houden.
--Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.
Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en
viel op den grond.
Vrij-Kogel kwam hem te hulp.
--Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen
zien op te heffen.
Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan
de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.
Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.
--O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don
Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen
en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.
--Gij zult u zelven dooden.
--Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.
Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch,
die de jongman gretig aan zijne lippen zette.
--Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch
aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.
--Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.
--Ja, ik wil vertrekken.
--Maar dat is immers eene dwaasheid.
--Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar
de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek
ik u mij een handje te helpen.
--Verlangt gij het?
--Ik gebied het u.
--Welaan dan, op Gods genade!
--Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.
Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.
Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.
--Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.
--Waar moeten wij heen?
--Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet,
daar hij mij reeds voor half dood hield.
Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder
een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te
willen verklaren.
XVI.
PLAATSELIJK ONDERZOEK.
Ondanks de onverzettelijke wilskracht waarmede don Miguel zijne smarten
poogde te beheerschen, veroorzaakte de beweging van zijn paard hem
vreesselijke pijnen, die zijn aangezigt krampachtig zamentrokken en
het koude zweet op zijn voorhoofd deden parelen. Hij werd bleek als
een lijk, van tijd tot tijd benevelden zijne oogen, het was of alles
rondom hem draaide, hij wankelde soms in den zadel en moest zich aan
de manen van zijn paard vastklemmen om er niet af te vallen.
--Weerbarstig stof! bromde hij met een doffe stem, zou ik u dan niet
kunnen overwinnen.
Daarop verdubbelde hij zijne inspanning om zich niet verlegen te
toonen, glimlachte nu en dan tegen Vrij-Kogel en sprak hem soms
luchthartig toe.
Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen
gebragt; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven
naar eene omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit
oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen,
dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling
maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch
en ontevreden gezigt naast den jongman voort reed.
Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in dezelfde
rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig
gedruisch van paardenhoeven.
--Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel.
--Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel.
--Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt
reeds halfweg te gemoet kom.
--Dat zal hij zeker.
--Laten wij wat harder doorrijden.
Vrij-Kogel keek hem aan:
--Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals
te halen, niet waar? zeide hij kortaf.
--Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd.
--Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager
op knorrigen toon; een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op
dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is
niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei
u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het u,
nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er
tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu
meê uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht
te kennen, en voor u zelven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt
kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten.
--Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende,
ik zie dat gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij
dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind
mij in een moeijelijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij
of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik
bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk
mij heeft opgelegd.
--Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt;
vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat
gij niet kunt doen, zullen uwe vrienden voor u doen.
--'t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts
een dwaas maar een ondankbare.
--Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt
reeds nader, waarschijnlijk zijn het uwe kameraden, evenwel zouden
het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis moet men zich op alles
gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er
geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt;
zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden
wij ons schuil.
Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren;
hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn
tegenwoordigen toestand voor zijn vriend slechts een zeer geringe
steun zou kunnen zijn.
De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen sloten,
en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij
van minuut tot minuut nader hoorden komen.
Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel,
die met een vijftiental Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige
passen genaderd waren, kwamen de beide mannen te voorschijn.
Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe
dezelfde man, die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder
teeken van leven, als een lijk op den grond lag uitgestrekt, thans
kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen en zich zoo regt en
ferm in den zadel te houden.