Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij

was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een

aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees

voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger

werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen,

hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats te

zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het

korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de

tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere

onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist

te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding

van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich

thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij

beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn,

of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar

mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den

Indiaan te verlaten.

Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte

een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs

hem heen.

Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich

juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was

doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom

hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker

om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er

op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen

snorden digt langs hem heen.

De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.

--Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.

Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met

duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen,

met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.

Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste

verwenschingen in het Spaansch.

Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa,

en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende

vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten

en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den

grond niet meer scheen te raken.

Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem

snel als de wind najaagden.

--Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij

zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met

onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden

dreigden te omsingelen.

Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik,

toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en

hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie

schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen

in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen

onzigtbare vijanden te verdedigen,

--Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou

stand!

Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en

stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans

niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot,

hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.

Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen

zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers,

thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te

scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane

opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.

--Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste

gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!

Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk

gevolgd door zijne drie dappere helpers.

Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en

dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor

zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.

--Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij

herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van

ingekankerden haat.

--O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht

wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.

--Dood en verderf! was het antwoord.

De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander,

hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de

jongman voor don Stefano hield, tuimelde in 't zand.

--Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en

alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.

Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en

weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden

de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen

in alle rigtingen het hazenpad.

De bergpas was weder vrij.

Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus

zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit

naar den rivierkant.

Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en

keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een

tooverslag verdwenen.

Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker

arm iets dat naar een zweepslag geleek.

--Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel

had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn

tegenwoordigen toestand.

Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw

achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog

gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen

te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte beving

hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte

den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee

jagers gehoord werd.

Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder

aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een

twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken

keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne

revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de

jagers beantwoord werd met:

--Courage!

Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste

poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met

krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde

en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:

--Laura! Laura!

Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten

door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte;

de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een

aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in

de duisternis.

Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?

XIV.

DE REIZIGERS.

De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is

zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men

in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige

omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen

zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar

een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had,

op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten.

Ongeveer een uur na de tarde,--dat is het oogenblik wanneer de zon,

in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het

op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt

in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt--trokken drie

ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don

Miguel eenige uren later volgen zou.

Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds

terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse

der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen

van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten in

de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen

doorkruisen.

Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche

landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en

prachtig met diamanten versierde torquilla (kap), de manga (mouwvest),

de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros

(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich

in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers,

een navaja (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon

door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den

overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op

en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne

vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.

Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven

de andere verheven te zijn.

Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende

gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame

voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was

welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den

zadel kenmerkte den ouden soldaat.

Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos,

een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het

Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer

kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke

kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden,

dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang

beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten

in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken

van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des

ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen

den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.

De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en

bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het

rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd,

als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne

krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en

vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.

De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was

een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van

zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek,

zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.

Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild,

zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de

uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste

schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden

of gewone reizigers konden zijn.

Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen

getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk

wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?

Waar gingen zij heen of wat zochten zij?

Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.

Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene

onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg

dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende

zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de

hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De

oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:

--Houdt moed, muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem

en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen

afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud,

welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde;

goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.

--Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een

der criados (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen

wij ook verdragen.

--De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren

rust noodig heb.

--Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden,

hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort,

de arme dieren zijn bek af.

--Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook

wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het

zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.

--Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.

De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij

hun togt.

Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij

doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal

boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de

brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten

dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze

eensklaps staan en wendde zich naar hen om.

--Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een

kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den

rand van het bosch?

De bedienden zagen uit.

--Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen,

ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was;

de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus

zeker dat er een vuur brandt.

--Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen,

hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom

zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het

slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien

zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande

het doel onzer reize.

--Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij

de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten

geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen,

in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.

--Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe

ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.

--Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez

werd genoemd; ik heb u jaren lang als vaquero (koeherder) gediend,

en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in

aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat

kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook

nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus

raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen

te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer,

daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden

of vijanden zijn.

--Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast, maar ongelukkig komt

zij een beetje te laat.

--Waarom?

--Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt,

die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze

bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij

ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.

--Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het

hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter

vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf

gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om

daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.

Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn

ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.

--Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men

de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een

vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar

over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker

dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen

in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.

--Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan--een

bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of

dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt

is zeker het beste dat wij doen kunnen.

--Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God is

de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over

beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij

altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons

ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.

Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden

en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar

op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange

prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand

van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in

het gewone kostuum der jagers in de prairie.

--Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend

terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt

welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om

u gerust te stellen.

De drie mannen wisselden een blik van verrassing.

--Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u,

gij hebt niets van ons te vreezen.

--Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don

Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.

Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters

reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten

bereikten.

Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.

De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig,

en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij

zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met

al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige

gemakken en soberen voorraad van hun kampement.

De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben

herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij

verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last

van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.

Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar

hadden grooten honger; de jager en de Indianen lieten hun dus in alle

stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter

hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld

en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de

gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild,

maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.

--Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto,

moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid

niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit

oogenblik in de prairie rondzwerven.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.

--Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt,

antwoordde don Mariano.

--O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders

zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van

hadt kunnen zien.

--Gij wildet dus door ons gezien worden?

--Ja; het was een gewaagde zaak.

--Dat begrijp ik niet.

--Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat

er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der

bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen

draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank

zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons

op te merken.

--Zijt gij dan bang voor dien ruiter?

--Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.

--Gij kent hem dus?

--Volstrekt niet.

--Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.

--Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij

het raadsel spoedig weten zoudt?

--Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze

gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.

Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen,

tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig

passen van het kamp, spoorslags voorbij.

Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto

weder het woord op:

--Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van

de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een

gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en

dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene

verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen,

die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag

bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat

mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat,

hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt

er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter

te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten

wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus,

wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid

ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee

mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal

bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op,

maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers

toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar

de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken

schenen te zijn. Intusschen had ik op raad van het opperhoofd een vuur

aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen,

door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar

ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze

hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.

--En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano

met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan,

dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te

zijn voortgesproten.

--Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager;

ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig

van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere

omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.

--Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij

kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles

wat gij gepast zult oordeelen.

--Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de

bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar

wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het

geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen

ons te doen staat.

Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten

zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in

een diepen en verkwikkenden slaap.

Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.

--Het is tijd, zeide hij.

Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel

hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.

Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don

Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen,

en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren,

even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.

Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden,

waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop

geen twijfel meer overliet.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 10 / 34 段