Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt

als verhalers gebruik makende, ruim veertien dagen in ons verhaal

terugtreden, om den lezer op een tooneel te verplaatsen dat met de

gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband staat,

al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval

onze hoofdpersonen verzameld had.

De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende

benamingen, het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte

van het zuiden tot het noorden doorloopt, heeft vele uitgestrekte

llanos of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene

talrijke bevolking leeft, op hoogten waar in Europa alle plantengroei

verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac--een vooruitgeschoven post

der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn--voorbij is en

dan het tierra caliente, of warme land, ongeveer honderd mijlen

in zuidelijke rigting is binnengetrokken, komt men eensklaps en

zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld,

als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en

ruim tachtig mijlen breedte.

Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende

voorstelling te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze

wonderen te beschrijven die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit

warbosch van boomen en gewassen in zich bevat; de stoutste schildering

schiet te kort om er den indruk van weer te geven, zoo wonderbaar

fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor

de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding

deinst terug voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte

natuurbosschen, die gestadig als uit hun eigen vernietiging herboren

zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom ontwikkelen;

reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend,

dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te

kruipen of op nieuw wortel te schieten, en een eind verder zich

weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander kruisend in tallooze

kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken

doolhof, om een schier onoverkomelijken slagboom te vormen, als

ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde zij hare

geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des

stervelings, wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf

dezer wouden slechts zelden, en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen

van allerlei leeftijd en soort, als door de hand des toevals gezaaid,

schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt als halmen

op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen,

rank en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten

gewelf der ouderen, wier trotsche kruinen de kracht der stormen en

der eeuwen hebben verduurd, en die hunne magtige armen ver in het

rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen heldere

en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen,

na tallooze wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer

of rivier zonder naam, wier bruischende stroom of kalme waterspiegel

nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets anders terugkaatste dan

de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig

over hen uitbreidt.

Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle

pracht hunner schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen

der tropische plantenwereld: de acajou-boom, de palissander, de

ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, de kurkboom, de

ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa,

spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen,

vruchten en bladeren, en vormen een dom van het levendigst groen,

of een digt verwulf, waar geen zonnestraal in doordringt en waaronder

zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. Uit het diepst

dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke

geluiden: woest gebrul, gemaauw van boschkatten, gehuil van wolven,

geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld door

scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische

klaagtoonen, of stemmen van toorn, woede en verschrikking van de

duizend wilde dieren die er in huisvesten.

Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer

ontgonnen natuurwoud gestreden, en met de bijl in de eene en de

brandfakkel in de andere hand, zich te midden dezer chaos duim voor

duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft men eindelijk

een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog

moeijelijker bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over

den duizendjarigen afval van blad, dood hout, rottende boomstammen

of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens springend of

klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in

de lucht wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te

letten op alles wat hem omringt, of het oor sluit voor het onzigtbaar

gevaar! want behalve de hindernissen door het plantenrijk in den weg

gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang die men

in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het

wild gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten

op den kronkelloop van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras,

dat zich onkenbaar onder den onveiligen bodem verschuilt; overdag,

zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten naar

den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas;

want als men ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er

onmogelijk weder uit: geen doolhof van Dedalus zonder een leiddraad

van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit.

Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en

duizende anderen die wij niet konden beschrijven, door te worstelen,

dan komt men aan eene ruime vlakte, aan alle zijden door wouden

omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad verheft.

Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige

verblijven, in welke tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan

was binnengedrongen, wier juiste ligging men zelfs niet wist te bepalen

en waar, volgens de verzekering der Indianen, sedert de verovering

van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken zich

heeft teruggetrokken.

De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de

onberekenbare in deze steden begraven schatten werden uitgestrooid,

hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers gaande gemaakt, en vele

hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren pad naar

deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug

te vinden. Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare

nieuwsgierigheid die de zwerfzieke verbeelding van sommige menschen

ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert de laatste vijftig jaren, zich

aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, maar zonder dat

een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn

geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar

het onbekende teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken

op den bodem van steile rotskloven of in de quebradas (verbrokkelde

gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk,

welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig

spoor achter te laten, of zonder dat men ooit weder iets van hen

heeft gehoord.--

Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden,

doch die wij eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen

wil en keus verpligt geweest, in een dezer ontoegankelijke steden

verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan onze voorgangers,

wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar

verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door

te worstelen en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden.

De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten

volgen, is dus met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door

niemand worden gelogenstraft, daar wij spreken nadat wij gezien hebben.

Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het

onmetelijk oer-woud, daar wij straks eene vlugtige schets van gaven,

is doorgeworsteld, strekt zich uit in een langwerpig vierkant

van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, waarover

hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van

verwonderlijke ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele

lengte. Aan iederen hoek van het vierkant verheft zich eene verbazend

groote rotsmassa, die aan de zijde welke over de vlakte uitziet,

loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte dient;

deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een

doorloopenden muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig

voet dikte. Aan de binnen- of stadszijde vormt deze muur een talus

of helling, die aan haar basis zestig voet breedte heeft. De muur

is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde klei

gebakken briksteenen, die men adobas noemt: elke steen is omtrent een

meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt bijna de hoogte

van den muur.

Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan

weerszijde een ronden toren met zoogenaamde peperbus-spitsen, die

aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken;

wat deze gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken

zamengestelde, bijzonder smalle brug, die bij het minste onraad kan

worden opgehaald of weggenomen, en die het eenige middel uitmaakt om

door de poort naar buiten te komen.

De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in

verband staan; zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt

gebouwd, wegens de aardbevingen welke in deze streek niet zeldzaam

voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en van vele vensters

voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels zijn

met een schitterend wit vernis bestreken.

Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras

zich verheffende, heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en

uitlokkend voorkomen.

Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen,

wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte

moeijelijk lieten onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch

uit, en hielden eenige oogenblikken stil aan den uitersten rand,

onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen begonnen

zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine

heuvel, die nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin,

hoe weinig verheven ook, den horizont regtlijnig afsneed en hun het

uitzigt belette.

Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op

de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden

om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en

met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging

werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg.

Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten,

verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug

van verrassing en bewondering.

De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt,

en ook de hellingen zoowel aan de regter- als linkerzijde waren

bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen,

strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk

op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de

geheimzinnige stad Quiepa-Tani [6], met haar sterke torens en dikke

muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis,

wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen

rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in

stomme verbazing deed wegzinken.

Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde

zich tot zijne kameraden:

--Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene

krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als

een Indiaan deed kennen; heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden?

--Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is

regt, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een

der beide mannen die hij had toegesproken.

De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach

zou zijne twee togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven,

zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien.

--Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden,

merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had.

--Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar

Quiepa-Tani geleiden, antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds

te donker.

--De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten

onzen togt tot morgen uitstellen.

--Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel

ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven.

Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich

om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs

hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had

achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door

zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan

den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden,

die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in

het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en

verlaten scheen.

De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren

heerscht, had plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest

avondconcert. Het scherpe geschreeuw der nachtvogels, die thans wakker

werden en zich gereed maakten om de loeries, de colibrietjes of de

laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen,

vermengde zich met het gebrul der congouars [7], het valsch gehuil

der jaguars [8] en panters, en het schokkend geblaf der coyotes

[9] wier echo's akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en

spelonken waar deze gevaarlijke gasten zich verscholen hielden.

Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen

de drie mannen weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te

midden van eene opene plek in het bosch was aangelegd.

Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij

neergevlijd en zaten in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes

telden te zamen naauwelijks dertig jaren, zij waren bijzonder schoon,

en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken herinnerden

aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van

Rafaël in zijne Madonna's heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans

schenen zij vermoeid en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van

diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch der naderende voetstappen,

sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, als

een vrolijke zonnestraal op haar gelaat.

De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te

verflaauwen, terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden,

die op korten afstand vastgekoppeld stonden, van erwten en gras

te voorzien.

--Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager

wendende, die naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij

haast aan het doel onzer reis?

--Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend

Addick, gaat gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk

verblijf vinden, waar niemand u zal kunnen vervolgen.

--Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en

onverschillig gelaat van den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden?

--Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het.

--Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken?

--De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op

mijne ondervinding; mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt,

zoo jong als gij zijt, reeds genoeg geleden. Het is wel noodig dat

een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de sombere wolken

verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben.

--Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen

die haar langs de wangen liepen.

--Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere

meisje, haar teeder omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf

immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde zij op vleijenden toon:

ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last u minder

zwaar vallen.

--Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil

zijt gij ongelukkig, hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden?

--Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door

weder moed te scheppen.

--Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe

vervolgers buiten de mogelijkheid hebben gebragt om u verder te

schaden; ik speel met hen eene vreesselijke partij, waarin ik mijn

hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden

mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang

als ik afwezig ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten

die ik voor u heb opgespoord, en dat gij mijne terugkomst geduldig

zult afwachten.

--Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een

wonderwerk gered; mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik

lief had hebben mij verlaten, behalve Luisa, mijne pleegzuster, die

hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, dien ik niet

kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des

gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken

nacht, toen gij mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere

en verstandige zorgen mij omringd, en waart gij in plaats van mijne

verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een vader.

--Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst

als gelukkig.

--Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare

ontroering, om u te bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet

niet wat de goede God in zijne wijsheid over mij beschikken zal,

maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste gedachten

voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal

u gehoorzamen; geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken

glimlach, ik beschouw mijn leven slechts, als een wanhopige speler

zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid of er ook iets van

komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn

in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt;

vertrek dus zonder vrees, ik stel vertrouwen in u.

--Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu

ben ik zeker dat ik slagen zal.

Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de

dames een soort van rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt,

waarop zij zich konden nedervlijen. Zij verwijderden zich dus, om de

welkome rust te genieten.

Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte

zich, na nog een poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het

vuur uit, terwijl zijne twee kameraden beurtelings zouden waken;

en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis verliest de

natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs

zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk

gestel te verdringen of tot zwijgen te brengen.

Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder

met bleeke opaaltinten te kleuren, of de jagers stonden op. De

toebereidsels voor hun vertrek waren weldra gemaakt, het oogenblik

der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee jagers

hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld,

om des te langer bij haar te blijven.

Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast

elkander konden gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om

den jager, die don Miguel zou vergezellen, te naderen:

--Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene

zachte stem.

--Spreek, zeide de jager op denzelfden toon.

--Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in.

--Ten onregte, Senorita, ik ken hem.

Zij schudde met weerzin het hoofd.

--'t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo

niet, dan zal ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had

dat hij er niets van wist.

--Spreek vrij, zeg ik u.

--Geef mij een mes en uwe pistolen.

De jager keek haar verwonderd aan.

--Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een

moedig meisje, ziedaar wat gij mij vraagt.

Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de

voorwerpen die zij van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes

bij, een met kruid en een met kogels gevuld.

--Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij.

--Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde.

Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen

onder hare kleederen, met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager

er om glimlagchen moest.

Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch.

--Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames

verantwoordelijk stel!

--Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde.

Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer

op eene plaats te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen

kon worden ontdekt.

De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad.

--Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen

voor het laatst te zien.

--Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef.

Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek

die zij den vorigen avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen.

In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg,

had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur

was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den

somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel,

hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling.

Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen

Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden

zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke

praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden

schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend,

uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede

vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven,

op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk

vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat

der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat

vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen

schotel.

Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den

bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren.

Don Miguel slaakte een bitteren zucht.

--Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem.

Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren

zij weder op weg.

Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don

Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug.

--En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan

een Indiaansch hoofdman van mijne kennis.

--Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend

Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen

te dienen?

--Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt

wel dat dit de mijne is.

--Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte

stem.--Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze

volgende bijeenkomst.

--Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del

Rubio bij u; dat is afgesproken.

De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis · 第 7 / 34 段